- Arrest van 4 februari 2014

04/02/2014 - P.12.1757.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Uit artikel 4, § 1, Milieuvergunningsdecreet, artikel 5, § 1, VLAREM I, rubriek 2.2.2, vierde lid, Indelingslijst VLAREM I, artikel 99, § 1, Stedenbouwdecreet 1999, artikel 3.1° Vrijstellingsbesluit 2000 en artikel 1,2° van het besluit van de Vlaamse Regering van 28 mei 2004 betreffende de dossiersamenstelling van de aanvraag voor een stedenbouwkundige vergunning volgt dat de vrijstelling van milieuvergunning voor de mechanische behandeling van niet gevaarlijke afvalstoffen afkomstig van wegenwerken alleen geldt voor de kadastrale percelen of gronden waarop de stedenbouwkundige vergunning betrekking heeft, ook al gaat het om tijdelijke werken voor dewelke geen specifieke afzonderlijke stedenbouwkundige vergunning vereist is; deze vrijstelling geldt bijgevolg niet voor andere percelen of gronden waartoe de werfzone werd uitgebreid en waarop de stedenbouwkundige vergunning geen betrekking heeft.

Arrest - Integrale tekst

Nr. P.12.1757.N

I

G M A V,

beklaagde,

eiser,

met als raadsman mr. Mario Deketelaere, advocaat bij de balie te Antwerpen,

II

VBG nv, met zetel te 2200 Herentals, Welvaartstraat 14-1 bus 8, met als lastheb-ber ad hoc mr. Marc Boeykens, advocaat met kantoor te 9450 Haaltert, Hoog-straat 64/5,

beklaagde,

eiseres,

met als raadsman mr. Wilfried Vandenplas, advocaat bij de balie te Leuven.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, correctionele kamer, van 25 september 2012.

De eiser I voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan.

De eiseres II voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, eveneens drie middelen aan.

Raadsheer Alain Bloch heeft verslag uitgebracht.

Eerste advocaat-generaal Patrick Duinslaeger heeft geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Ontvankelijkheid van de cassatieberoepen

1. Het arrest ontslaat de eisers I en II van rechtsvervolging voor de telastleg-ging doch enkel in de mate dat ze betrekking heeft op de periode van 1 juli 2006 tot en met 26 maart 2008.

In zoverre tegen die beslissing gericht, zijn de cassatieberoepen bij gebrek aan be-lang niet ontvankelijk.

Eerste middel van de beide eisers

2. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet, artikel 4, § 1, Milieuvergunningsdecreet en artikel 5, § 1, VLAREM I, alsook miskenning van de motiveringsplicht: de eisers worden vervolgd voor de exploitatie zonder ver-gunning van een inrichting van de eerste klasse (omschreven in rubriek 2.2.2.b) 2° van bijlage 1 van titel I van het VLAREM I; hierna: Indelingslijst VLAREM I), bestaande uit de opslag en mechanische behandeling van niet-gevaarlijke afval-stoffen uit de rubriek 2.2.1.c met een opslagcapaciteit van meer dan 100 ton; het arrest oordeelt dat niet voldaan is aan de voorwaarden gesteld in rubriek 2.2.2 In-delingslijst VLAREM I, dat een uitzondering voorziet op de vergunningsplicht voor de mechanische behandeling op de bouwplaats zelf, dit is op de percelen waarop de stedenbouwkundige vergunning voor het werk betrekking heeft; het oordeelt ook dat de toevoeging van de site Europark Zuid aan "de werkzone van de werf" Klapperbeek op de werfvergadering van 28 november 2002 niet mee-brengt dat de stedenbouwkundige vergunning van de bouwplaats tot die "uitge-breide werfzone" wordt uitgebreid zodat de uitzondering op de verplichte milieu-vergunning aldaar niet geldt; het oordeelt verder dat de eisers moesten weten dat een gemeentelijke ambtenaar die deelneemt aan een werfvergadering, geen be-voegdheid heeft om terreinen aan de werfzone toe te voegen zonder stedenbouw-kundige vergunning; de motivering van het arrest is onjuist; het besluit van de Vlaamse regering van 14 april 2000 tot bepaling van de vergunningsplichtige functiewijzigingen en van de werken, handelingen en wijzigingen waarvoor geen stedenbouwkundige vergunning nodig is (hierna: Vrijstellingsbesluit 2000) bepaalt dat geen stedenbouwkundige vergunning vereist is voor de tijdelijke activiteit die nodig is voor de uitvoering van de vergunde werken; er is dus geen afzonderlijke stedenbouwkundige vergunning vereist voor de uitbreiding van de werkstrook; het arrest antwoordt ook niet op het verweer van de eisers hierover; het arrest is ook niet afdoende gemotiveerd omdat het geen enkele aandacht besteedt aan het aanvullend onderzoek dat de procureur-generaal liet uitvoeren, het nietszeggend antwoord daarop van de Afdeling Milieuvergunningen en de vordering van het openbaar ministerie strekkende tot vrijspraak op grond van twijfel; tenslotte keert het arrest de bewijslast om door de eisers op te leggen dat zij zouden aantonen dat de afvalstoffen nuttig werden gebruikt op de bouwplaats zelf.

3. Een onjuiste motivering levert mogelijks schending van de wet op, maar geen motiveringsgebrek als bedoeld in artikel 149 Grondwet.

In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.

4. Artikel 4, § 1, Milieuvergunningsdecreet en artikel 5, § 1, VLAREM I bepa-len: "Niemand mag, zonder voorafgaande en schriftelijke vergunning van de be-voegde overheid een als hinderlijk ingedeelde inrichting die behoort tot de eerste of tweede klasse exploiteren of veranderen."

De telastlegging heeft betrekking op opslag en mechanische behandeling van niet gevaarlijke afvalstoffen uit rubriek 2.2.1.c) Indelingslijst VLAREM I, met een op-slagcapaciteit van meer dan 100 ton, die gecatalogeerd wordt onder rubriek 2.2.2.b) 2° Indelingslijst VLAREM I en ingedeeld wordt als een inrichting van de eerste klasse.

In rubriek 2.2.2, vierde lid, Indelingslijst VLAREM I is een uitzondering op de vergunningsplicht voor een dergelijke inrichting opgenomen: "Het mechanisch behandelen op de bouwplaats zelf, op percelen waarop de stedenbouwkundige vergunning voor het bouwwerk betrekking heeft, van inerte stoffen die bij de uit-voering van wegeniswerken ontstaan, wordt in deze context evenmin als een be-handeling van afvalstoffen beschouwd indien die stoffen nuttig worden aangewend op die bouwplaats zelf. De nuttige toepassing moet blijken uit het feit dat indien de restanten niet zouden gebruikt worden, een alternatief met vergelijkbare eigenschappen zou moeten aangevoerd worden als grondstof."

Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat de zinsnede "op percelen waarop de steden-bouwkundige vergunning voor het bouwwerk betrekking heeft", de verduidelijking is van het begrip "op de bouwplaats zelf".

Artikel 99, § 1, Stedenbouwdecreet 1999, dat hier van toepassing is, bepaalt dat een vergunning voorhanden moet zijn voor de uitvoering van de in het artikel vermelde werken.

Artikel 3.1° Vrijstellingsbesluit 2000 dat hier van toepassing is, bepaalt; "Een stedenbouwkundige vergunning is niet nodig voor de volgende werken, handelin-gen en wijzigingen (...): tijdelijke werken, handelingen en wijzigingen nodig voor de uitoefening van vergunde werken, voorzover deze plaatsvinden binnen de werkstrook afgebakend in de stedenbouwkundige vergunning".

De stedenbouwkundige vergunning heeft betrekking op het in de aanvraag ver-melde goed.

Artikel 1, 2°, van het besluit van de Vlaamse Regering van 28 mei 2004 betref-fende de dossiersamenstelling van de aanvraag voor een stedenbouwkundige ver-gunning definieert het goed als het kadastrale perceel of de kadastrale percelen waarop de aanvraag voor een stedenbouwkundige vergunning betrekking heeft, of, voor de percelen zonder kadastraal nummer, de grond of de gronden waarop de aanvraag voor een stedenbouwkundige vergunning betrekking heeft.

5. Uit deze bepalingen volgt dat de vrijstelling van milieuvergunning voor de mechanische behandeling van niet gevaarlijke afvalstoffen afkomstig van wegen-werken alleen geldt voor de kadastrale percelen of gronden waarop de steden-bouwkundige vergunning betrekking heeft, ook al gaat het om tijdelijke werken voor dewelke geen specifieke afzonderlijke stedenbouwkundige vergunning ver-eist is. Deze vrijstelling geldt bijgevolg niet voor andere percelen of gronden waartoe de werfzone werd uitgebreid en waarop de stedenbouwkundige vergun-ning geen betrekking heeft.

In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.

6. Het arrest oordeelt dat:

- volgens inlichtingen van de politie de tijdelijke werf Europark Zuid gelegen is op ongeveer 2 km afstand van de werf Klapperbeek, bouwplaats waarop de stedenbouwkundige vergunning betrekking heeft;

- voor de opslag en mechanische behandeling van niet gevaarlijke afvalstoffen uit rubriek 2.2.1.c), met een opslagcapaciteit van meer dan 100 ton, dat dient te worden gecatalogeerd onder rubriek 2.2.2.b) 2° Indelingslijst VLAREM I op de site Europark Zuid te Sint-Niklaas een voorafgaande en schriftelijke tijdelij-ke milieuvergunning klasse I vereist is;

- de mechanische behandeling van de niet gevaarlijke afvalstoffen niet gebeurde op de bouwplaats zelf, op percelen waarop de stedenbouwkundige vergunning voor het bouwwerk betrekking had, gezien de site Europark Zuid daar niet toe behoorde;

- de omstandigheid dat op de werfvergadering van 28 november 2002 gesteld werd dat er geen probleem was om de site Europark Zuid toe te voegen aan de werkzone van de werf Klapperbeek, niet meebracht dat de stedenbouwkundige vergunning van de bouwplaats, zijnde de plaats waarop de stedenbouwkundige vergunning betrekking had, werd uitgebreid naar de site Europark Zuid, noch dat voor deze door de eisers genoemde "uitgebreide werfzone" geen milieuver-gunning vereist was voor de aldaar milieuvergunningsplichtige exploitatie van opslag en mechanische behandeling van niet gevaarlijke afvalstoffen met een opslagcapaciteit van meer dan 100 ton;

- de aanwezigheid op de werfvergadering van 28 november 2002 van een amb-tenaar van de technische dienst van de stad Sint-Niklaas, evenmin afbreuk doet aan de vaststelling dat er geen stedenbouwkundige vergunning was voor de si-te Europark Zuid en de eisers niet ontsloeg van de milieuvergunningsplicht;

- de eisers niet ernstig kunnen voorhouden dat zij niet wisten dat een beslissing genomen op een werfvergadering, zelfs in aanwezigheid van een ambtenaar van de stad, geen stedenbouwkundige vergunning inhoudt of niet kan leiden tot een uitbreiding van een stedenbouwkundige vergunning;

- het voor de eisers niet onbekend kan zijn dat dergelijke vergadering daartoe niet de bevoegdheid heeft; mocht de zienswijze van de eisers gevolgd worden, dan zou een vergadering die daartoe wettelijk niet de bevoegdheid heeft, door onbeperkte uitbreiding van de werfzone de verplichtingen voorzien in het ste-denbouwdecreet en het milieuvergunningsdecreet kunnen omzeilen en naast zich neerleggen;

- de eerste eiser ten onrechte verwijst naar het Vrijstellingsdecreet 2000 nu daar-in precies bepaald wordt dat voor tijdelijke werken, handelingen en wijzigingen nodig voor de uitvoering van vergunde werken, een stedenbouwkundige vergunning niet nodig is voor zover deze werken, handelingen en wijzigingen plaatsvinden binnen de werkstrook afgebakend in de stedenbouwkundige ver-gunning.

7. Op grond van die redenen oordeelt het arrest dat voor de opslag en mechanische behandeling van niet gevaarlijke afvalstoffen zoals door de eisers geëxploiteerd, wel een voorafgaande en schriftelijke milieuvergunning klasse 1 vereist was en het Vrijstellingsbesluit 2000 niet van toepassing was daar de activiteit niet plaatsvond op de bouwplaats zelf maar op een plaats waarop de stedenbouwkundige vergunning geen betrekking had. Aldus beantwoordt het arrest het verweer van de eisers en is de beslissing regelmatig met redenen omkleed en naar recht verantwoord.

In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.

8. Het arrest oordeelt met opgave van redenen dat de eisers schuldig zijn aan de bewezen verklaarde telastlegging en geeft aldus aan waarom het een gebeurlijk andersluidende stelling van het openbaar ministerie niet volgt.

In zoverre mist het middel feitelijke grondslag.

9. In zoverre dat het middel aanvoert dat het arrest aan de eisers met betrek-king tot het nuttig gebruik van de afvalstoffen een omkering van de bewijslast op-legt, komt het op tegen overtollige redenen en is het bij gebrek aan belang niet ontvankelijk.

Tweede middel van de eiser I

10. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en artikel 5, tweede lid, Strafwetboek, alsmede de afwezigheid van moreel schuldelement en miskenning van de motiveringsplicht: het arrest oordeelt ten onrechte dat de schuld van de eiser I vaststaat; als afgevaardigd-bestuurder heeft hij erop toege-zien dat de werken werden gemeld; hij werd louter gedagvaard wegens zijn func-tie; ten onrechte oordeelt het arrest dat hij schuldig is omdat hij de beslissings-macht heeft om de onwettelijke exploitatie te doen stoppen en dat het optreden van een milieucoördinator in de firma daar niets aan verandert; strafrechtelijk ge-sanctioneerde milieureglementen behoren niet tot de materiële inbreuken die strafbaar zijn ongeacht of ze met opzet of uit onachtzaamheid zijn gepleegd; het arrest oordeelt niet concreet over de schuld, maar vanuit een abstract beeld van wat een leidinggevende persoon is; ten onrechte stelt het dat er geen sprake is van schulduitsluitende rechtsdwaling, vermits VLAREM I uitdrukkelijk een uitzonde-ring voorziet en het openbaar ministerie de vrijspraak vorderde op grond van twij-fel, nadat de administratie een nietszeggend antwoord gaf op haar vraag of die uitzondering van toepassing was; het arrest verzuimt de onoverkomelijke onwetendheid aan te nemen, hoewel de milieucoördinator van het bedrijf geen opmerkingen maakte; het arrest oordeelt ten onrechte dat de eiser I wetens en willens en dus opzettelijk heeft gehandeld en past ten onrechte de cumulatie van strafrechtelijke verantwoordelijkheden toe, terwijl er hoogstens sprake is van onachtzaamheid.

11. In zoverre het middel niet preciseert hoe en waardoor het arrest artikel 149 Grondwet schendt, is het onnauwkeurig, mitsdien niet ontvankelijk.

12. Artikel 5, tweede lid, Strafwetboek bepaalt: "Wanneer de rechtspersoon verantwoordelijk gesteld wordt uitsluitend wegens het optreden van een geïdenti-ficeerde natuurlijke persoon, kan enkel degene die de zwaarste fout heeft begaan worden veroordeeld. Indien de geïdentificeerde natuurlijke persoon de fout wetens en willens heeft gepleegd kan hij samen met de verantwoordelijke rechtspersoon worden veroordeeld."

13. Overeenkomstig artikel 5, tweede lid, tweede zin, Strafwetboek kan de ge-identificeerde natuurlijke persoon samen met de verantwoordelijke rechtspersoon worden veroordeeld indien hij de fout wetens en willens heeft gepleegd, dit is wanneer hij bewust en buiten iedere dwang heeft gehandeld.

Deze bepaling is van toepassing zowel op opzettelijke als op onachtzaamheids-misdrijven.

In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.

14. Het hier toepasselijke Milieuvergunningsdecreet bevat geen bepaling over het moreel bestanddeel van de erin bepaalde misdrijven die steeds strafbaar zijn zonder dat de strafbepalingen die thans van toepassing zijn, over dat bestanddeel minder strenge voorwaarden oplegt. Deze misdrijven vereisen bijgevolg geen bij-zonder opzet zodat het wetens en willens handelen, dit is bewust en buiten iedere dwang, volstaat.

In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting faalt het evenzeer naar recht.

15. Het staat de rechter in feite, mitsdien onaantastbaar het moreel bestanddeel van het misdrijf vast te stellen en na te gaan of voor de geïdentificeerde natuurlij-ke persoon de schulduitsluitende verschoningsgrond bedoeld in artikel 5, tweede lid, Strafwetboek bestaat. Hij oordeelt even onaantastbaar of de natuurlijke per-soon wetens en willens heeft gehandeld.

16. Met de redenen die het vermeldt, onderzoekt het arrest (ro 10.3, veertiende, vijftiende en zestiende blad) de concrete situatie van de eiser I ten aanzien van de ten laste gelegde feiten en oordeelt het dat hij wetens en willens heeft gehandeld en aan die feiten schuldig is. Aldus is de beslissing naar recht verantwoord.

In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.

17. Voor het overige komt het middel op tegen dat onaantastbaar oordeel door het arrest of verplicht het tot een onderzoek van feiten waarvoor het Hof niet be-voegd is.

In zoverre is het middel niet ontvankelijk.

Tweede middel van de eiseres II

18. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en artikel 5, tweede lid, Strafwetboek alsook de afwezigheid van moreel schuldelement en miskenning van de motiveringsplicht: het arrest oordeelt ten onrechte dat het ver-eiste moreel bestanddeel van de telastlegging aanwezig is gelet op de toepasselijke vrijstelling van de milieuvergunningsplicht, minstens omwille van de onduide-lijkheid over de draagwijdte van die bepaling; het arrest oordeelt niet in concreto op basis van een grondige en omstandige analyse van de feitelijke omstandighe-den; als klasse 1 bedrijf beschikt de eiseres II over een milieucoördinator die de naleving van de milieuwetgeving opvolgt; deze persoon wordt zelfs bijgestaan door een assistent; de milieucoördinator wees niet op een vergunningsplicht, ver-mits de betrokken activiteit geenszins vergunningsplichtig was; de eiseres II moest niet proactief om advies vragen; de eiseres II gaf te goeder trouw gevolg aan de andersluidende interpretatie van de gemeentelijke milieuambtenaar; zij is een gecertificeerd bedrijf, wat wijst op een vrijwillige toepassing van kwaliteits-management en voert een duidelijk en vooruitstrevend milieubeleid; het arrest neemt geen schulduitsluitende rechtsdwaling aan hoewel rubriek 2.2.2 Indelings-lijst VLAREM I uitdrukkelijk een uitzondering voorziet op de vergunningsplicht en de administratie op de vraag van het openbaar ministerie geen afdoend ant-woord kon geven, wat ertoe leidde dat de vervolgende partij vrijspraak vorderde op grond van twijfel; het arrest oordeelt ten onrechte dat de eiseres II wetens en willens handelde en nagelaten heeft de decumulatie-regel toe te passen; de eiser I handelde niet wetens en willens zodat het arrest de aansprakelijkheid van de beide eisers niet kon cumuleren.

19. Het middel preciseert niet hoe en waarom het arrest artikel 149 Grondwet schendt.

In zoverre is het middel onnauwkeurig, mitsdien niet ontvankelijk.

20. In zoverre het middel afgeleid is van de in het eerste middel vergeefs aange-voerde onwettigheden, is het evenmin ontvankelijk.

21. De enkele omstandigheid dat de eiser I niet wetens en willens zou hebben gehandeld, belet niet dat de eiseres II voor de ten laste gelegde feiten strafrechte-lijk aansprakelijk kan worden gesteld.

In zoverre het middel uitgaat van het tegendeel, faalt het naar recht.

22. De omstandigheid dat een rechtspersoon beschikt over een milieucoördina-tor, ontslaat hem geenszins van de verplichting op de hoogte te zijn van zijn wet-telijke verplichtingen en, desnoods, daarover de nodige inlichtingen in te winnen.

In zoverre het middel ervan uitgaat dat het feit dat de milieucoördinator de eiseres II niet gewezen heeft op haar verplichting een milieuvergunning aan te vragen voor de uitbreiding van de werfzone, een onoverwinnelijke rechtsdwaling ople-vert, faalt het naar recht.

23. In zoverre het middel dezelfde draagwijdte heeft als het tweede middel van de eiser I, dient het om de redenen vermeld in het antwoord op dat middel te wor-den verworpen.

24. Voor het overige komt het middel op tegen de onaantastbare beoordeling van de feiten door het arrest of verplicht het tot een onderzoek van feiten waar-voor het Hof geen bevoegdheid heeft, en is het bijgevolg niet ontvankelijk.

Derde middel van beide eisers

25. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en miskenning van de motiveringsplicht wat betreft het niet verlenen van de opschorting van de uitspraak van de veroordeling: het arrest oordeelt dat er geen redenen zijn om aan de eisers opschorting van de uitspraak van de veroordeling te verlenen omdat een geldboete niet van aard is enige sociale reclassering in het gedrang te brengen, het verlenen van opschorting een verkeerd signaal zou geven en de eisers onvoldoende zou aanzetten tot meer respect voor de regelgeving inzake leefmilieu; deze mo-tivering is onjuist, niet pertinent en alleszins niet afdoende; de eisers betwisten de ernst van de feiten, het gebrek aan respect voor de milieuwetgeving alsook dat zij economische belangen zouden laten voorgaan; in tegenstelling tot hetgeen het ar-rest voorhoudt zijn er voldoende redenen om aan de eisers opschorting te verle-nen.

26. Binnen de perken van de wet oordeelt de rechter onaantastbaar over de ge-pastheid om de opschorting van de uitspraak van de veroordeling te gelasten.

27. Het middel dat formeel een motiveringsgebrek aanvoert, komt in werkelijk-heid geheel op tegen dat onaantastbaar oordeel door de appelrechters.

Het middel is niet ontvankelijk.

Ambtshalve onderzoek van de beslissingen op de strafvordering

28. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissingen zijn overeenkomstig de wet gewezen.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt de cassatieberoepen.

Veroordeelt de eisers tot de kosten van hun cassatieberoep.

Bepaalt de kosten in het geheel op 155,71 euro, waarvan de eiser I 77,85 euro ver-schuldigd is en de eiseres II 77,86 euro.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samen-gesteld uit afdelingsvoorzitter Paul Maffei, als voorzitter, en de raadsheren Alain Bloch, Peter Hoet, Antoine Lievens en Erwin Francis, en op de openbare rechts-zitting van 4 februari 2014 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Paul Maffei, in aanwezigheid van eerste advocaat-generaal Patrick Duinslaeger, met bijstand van griffier Frank Adriaensen.

F. Adriaensen

E. Francis A. Lievens

P. Hoet A. Bloch P. Maffei

Vrije woorden

  • Milieuvergunning

  • Mechanische behandeling van niet gevaarlijke afvalstoffen afkomstig van wegenwerken

  • Vrijstelling

  • In aanmerking komende percelen

  • Beperking