- Arrest van 6 februari 2014

06/02/2014 - C.13.0076.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Uit de samenhang van de bepalingen van de artikelen 301, §2, eerste lid, en 301, §3, Burgerlijk Wetboek volgt dat de behoeftige echtgenoot in de zin van artikel 301, §2, eerste lid, Burgerlijk Wetboek, die de principieel onderhoudsgerechtigde is, niet noodzakelijk in staat van behoefte verkeert in de zin van artikel 301, §3, Burgerlijk Wetboek en bijgevolg niet noodzakelijk effectief aanspraak kan maken op een onderhoudsuitkering na echtscheiding.

Arrest - Integrale tekst

Nr. C.13.0076.N

E.,

eiseres,

vertegenwoordigd door mr. Michel Mahieu, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1170 Brussel, Vorstlaan 36, waar de eiseres woonplaats kiest,

tegen

J.,

verweerder,

vertegenwoordigd door mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Quatre Brasstraat 6, waar de verweerder woonplaats kiest.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent van 8 november 2012.

Afdelingsvoorzitter Eric Dirix heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal André Van Ingelgem heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDEL

De eiseres voert in haar verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste onderdeel

1. Artikel 301, § 2, eerste lid, Burgerlijk Wetboek bepaalt dat bij gebrek aan overeenkomst zoals bedoeld in paragraaf 1, de rechtbank in het vonnis dat de echtscheiding uitspreekt of in een latere beslissing, op verzoek van de behoeftige echtgenoot een uitkering tot levensonderhoud kan toestaan ten laste van de andere echtgenoot.

Onder behoeftige echtgenoot in de zin van deze bepaling, wordt verstaan die echtgenoot die de minst begoede of economisch zwakste is.

2. Artikel 301, § 3, Burgerlijk Wetboek bepaalt dat de rechtbank het bedrag van de onderhoudsuitkering vastlegt die ten minste de staat van behoefte van de uitkeringsgerechtigde moet dekken. De rechtbank houdt rekening met de inkom-sten en mogelijkheden van de echtgenoten en met de aanzienlijke terugval van de economische situatie van de uitkeringsgerechtigde. Om die terugval te waarderen, baseert de rechter zich met name op de duur van het huwelijk, de leeftijd van par-tijen, hun gedrag tijdens het huwelijk inzake de organisatie van hun noden en het ten laste nemen van de kinderen tijdens het samenleven of daarna. De rechter kan indien nodig beslissen dat de uitkering degressief zal zijn en in welke mate. De onderhoudsuitkering mag niet hoger liggen dan een derde van het inkomen van de uitkeringsplichtige echtgenoot.

3. Uit de samenhang van deze bepalingen volgt dat de behoeftige echtgenoot in de zin van artikel 301, § 2, eerste lid, Burgerlijk Wetboek, die de principieel onderhoudsgerechtigde is, niet noodzakelijk in staat van behoefte verkeert in de zin van artikel 301, § 3, Burgerlijk Wetboek en bijgevolg niet noodzakelijk effec-tief aanspraak kan maken op een onderhoudsuitkering na echtscheiding.

Het onderdeel dat uitgaat van het tegendeel, faalt naar recht.

Tweede onderdeel

4. Het is niet tegenstrijdig, enerzijds, te oordelen dat de eiseres principieel on-derhoudsgerechtigde is en, anderzijds, geen onderhoudsgeld na echtscheiding toe te kennen.

Het onderdeel mist feitelijke grondslag.

Derde onderdeel

5. De appelrechter oordeelt dat om een onderhoudsuitkering na echtscheiding te kunnen begroten en toekennen de basisbehoefte van de eiseres in concreto moet gekaderd worden in de economische context van het huwelijk en deze beneden-grens eventueel kan aangevuld worden ingeval een aanzienlijke terugval van haar economische situatie is aangetoond.

6. Met zijn oordeel dat de eiseres in de geschetste omstandigheden na de echt-scheiding in haar essentiële behoeften kan voorzien, verwijst de appelrechter aldus naar de staat van behoefte van de eiseres.

Het onderdeel mist in zoverre feitelijke grondslag.

7. De appelrechter oordeelt niet alleen dat geen uitkering tot onderhoud dient toegekend te worden aan de eiseres omdat er geen aanzienlijke terugval in haar economische situatie is aangetoond. Hij oordeelt ook dat de begroting van de on-derhoudsuitkering voorbarig is en de eiseres in haar essentiële behoeften kan voorzien.

Deze zelfstandige redenen schragen de beslissing.

Het onderdeel kan, ook al was het gegrond, niet tot cassatie leiden en is bijgevolg in zoverre niet ontvankelijk bij gebrek aan belang.

8. Anders dan waarvan het onderdeel uitgaat, oordeelt de appelrechter niet dat de eiseres samenleeft met een andere persoon, maar enkel dat dergelijk samenle-ven nog kan komen.

Het onderdeel mist in zoverre feitelijke grondslag.

Vierde onderdeel

9. Anders dan waarvan het onderdeel uitgaat, oordeelt de appelrechter niet dat de eiseres reeds samenleeft met een andere persoon, maar enkel dat haar geen on-derhoudsuitkering na echtscheiding zou toekomen mocht zij met een andere per-soon samenleven als waren zij gehuwd.

Het onderdeel mist feitelijke grondslag.

Vijfde onderdeel

10. De appelrechter oordeelt: "Het is nuttig er op te wijzen dat bij nieuwe om-standigheden (dit zijn omstandigheden die afwijken of wijzigen tegenover de hier-boven weerhouden omstandigheden) overeenkomstig artikel 307, § 7, Burgerlijk Wetboek een onderhoudsuitkering nog steeds kan gevorderd en aangepast worden voor de alsdan bevoegde rechter".

Het onderdeel dat gericht is tegen deze ten overvloede gegeven reden, is bij ge-brek aan belang in zoverre niet ontvankelijk.

11. In zoverre het onderdeel schending aanvoert van artikel 149 Grondwet en artikel 1138, 4°, Gerechtelijk Wetboek, blijkt uit het antwoord op het tweede on-derdeel dat de beweerde tegenstrijdigheid niet bestaat.

Het onderdeel mist feitelijke grondslag.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiseres tot de kosten.

Bepaalt de kosten voor de eiseres op 937,38 euro en voor de verweerder op 434,56 euro.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samen-gesteld uit afdelingsvoorzitter Eric Dirix, als voorzitter, en de raadsheren Beatrijs Deconinck, Koen Mestdagh, Bart Wylleman en Koenraad Moens, en in openbare rechtszitting van 6 februari 2014 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Eric Dirix, in aanwezigheid van advocaat-generaal André Van Ingelgem, met bijstand van griffier Johan Pafenols.

J. Pafenols K. Moens B. Wylleman

K. Mestdagh B. Deconinck E. Dirix

Vrije woorden

  • Onderhoudsuitkering na echtscheiding

  • Behoeftige echtgenoot

  • Onderhoudsgerechtigde

  • Staat van behoefte

  • Begrip