- Arrest van 6 februari 2014

06/02/2014 - D.12.0018.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
'Non bis in idem' wordt niet gewaarborgd door artikel 6 EVRM (1). (1) Zie o.m. EHRM, nr. 49195/99, Hermanus t/ België, 18 sept. 2001, ro 7, en EHRM, nr. 13079/03, Ruotsalainen t/ Finland, 16 sept. 2009, ro 58-59; zie ook de concl. van advocaat-generaal De Swaef, onder Cass. 29 jan. 2013, A.R. P.12.0402.N, AC 2013, nr. 67, (263), 267.

Arrest - Integrale tekst

Nr. D.12.0018.N

X., dierenarts,

eiser,

vertegenwoordigd door mr. Bruno Maes, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Central Plaza, Loksumstraat 25, waar de eiser woonplaats kiest,

tegen

ORDE DER DIERENARTSEN, publiekrechtelijke rechtspersoon, vertegen-woordigd door haar Hoge Raad, met zetel te 1060 Brussel, Henri Jasparlaan 94,

verweerster,

vertegenwoordigd door mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Quatre Brasstraat 6, waar de verweerster woonplaats kiest.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen een beslissing van de Nederlandstalige ge-mengde raad van beroep van de Orde der dierenartsen van 27 april 2012.

Raadsheer Beatrijs Deconinck heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal André Van Ingelgem heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDEL

De eiser voert in zijn verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste onderdeel

1. De kritiek dat de beslissing geen gewag maakt van de grief omtrent de schorsing en deze niet heeft onderzocht, maakt geen schending uit van het vorm-vereiste van artikel 149 Grondwet.

Het onderdeel is in zoverre niet ontvankelijk.

2. Na aangevoerd te hebben in zijn conclusie dat er hier een samenloop is tus-sen een tuchtrechtelijke en een strafrechtelijke vervolging, vermeldt de eiser dat hij "daarenboven" reeds werd geschorst door het "FAVV en KBC", zonder toe te lichten hoe dit een vervolging uitmaakt.

3. De appelrechters dienden dit onnauwkeurig verweer niet te beantwoorden.

Het onderdeel kan in zoverre niet worden aangenomen.

Tweede onderdeel

4. "Non bis in idem" wordt niet gewaarborgd door artikel 6 EVRM.

In zoverre het onderdeel van het tegendeel uitgaat, faalt het naar recht.

5. Voor het overige zijn het algemeen rechtsbeginsel non bis in idem en artikel 14, zevende lid, IVBPR niet dienend wanneer een persoon voor hetzelfde feit, enerzijds, het voorwerp uitmaakt van een tuchtprocedure, en, anderzijds, straf-rechtelijk is vervolgd. De omstandigheid dat de opgelegde tuchtstraf, in voorko-mend geval, als een ‘straf' moet worden beschouwd in de zin van artikel 6 EVRM of in de zin van artikel 14, zevende lid, IVBPR, doet eraan niet af.

Het middel dat ervan uitgaat dat de tuchtrechter ingevolge het genoemd algemeen rechtsbeginsel en artikel 14, zevende lid, IVBPR, moet nagaan welke de aard is van de aan de eiser verweten handeling en welke sanctie hem daarvoor kan wor-den opgelegd, kan niet worden aangenomen.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiser tot de kosten.

Bepaalt de kosten voor de eiser op 524,46 euro en voor de verweerster op 131,24 euro.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samen-gesteld uit afdelingsvoorzitter Eric Dirix, als voorzitter, en de raadsheren Beatrijs Deconinck, Koen Mestdagh, Bart Wylleman en Koenraad Moens, en in openbare rechtszitting van 6 februari 2014 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Eric Dirix, in aanwezigheid van advocaat-generaal André Van Ingelgem, met bijstand van griffier Johan Pafenols.

J. Pafenols K. Moens B. Wylleman

K. Mestdagh B. Deconinck E. Dirix

Vrije woorden

  • "Non bis in idem"

  • Artikel 6, E.V.R.M.