- Arrest van 7 februari 2014

07/02/2014 - C.12.0545.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Het feit dat niet alle middelen van de bestreden beslissing worden weergegeven, is geen grond van niet-ontvankelijkheid van het middel; het middel geeft m.n. redenen weer waarvan de kritiek de eiser aanbelangt.

Arrest - Integrale tekst

Nr. C.12.0545.F

A. N.,

Mr. Simone Nudelholc, advocaat bij het Hof van Cassatie,

tegen

H. G.,

Mr. Paul Lefèbvre, advocaat bij het Hof van Cassatie.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis in hoger beroep van de rechtbank van eerste aanleg te Brussel van 29 mei 2012.

Raadsheer Martine Regout heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Thierry Werquin heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDELEN

De eiser voert in zijn verzoekschrift, dat aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste middel

Eerste onderdeel

Eerste, door de verweerster tegen het onderdeel opgeworpen grond van niet-ontvankelijkheid: het onderdeel geeft niet alle bekritiseerde redenen van het bestreden vonnis weer:

Het feit dat niet alle redenen van de bestreden beslissing worden weergegeven, is geen grond van niet-ontvankelijkheid van het middel.

Het middel geeft met name redenen weer waarvan de kritiek de eiser aanbelangt.

Tweede, door de verweerster tegen het onderdeel opgeworpen grond van niet-ontvankelijkheid: het onderdeel heeft geen belang:

De feitelijke vaststellingen van het bestreden vonnis waarop de verweerster steunt om de door het middel bekritiseerde redenen als overtollig te omschrijven, vormen geen zelfstandige redenen die de beslissing dragen.

Derde, door de verweerster tegen het onderdeel opgeworpen grond van niet-ontvankelijkheid: het onderdeel heeft geen belang:

De door de andere twee onderdelen van het middel bekritiseerde redenen vormen geen zelfstandige redenen die de door dat onderdeel bekritiseerde beslissing dra-gen.

Vierde, door de verweerster tegen het onderdeel opgeworpen grond van niet-ontvankelijkheid, waarbij zij het Hof verzoekt tot een substitutie van motieven over te gaan:

De verweerster vermeldt de rechtsgrond niet die de door het middel bekritiseerde redenen moet vervangen.

De gronden van niet-ontvankelijkheid kunnen niet worden aangenomen.

Gegrondheid van het onderdeel

Krachtens artikel 1280, eerste lid, Gerechtelijk Wetboek neemt de voorzitter van de rechtbank of de rechter die het ambt van voorzitter waarneemt, rechtsprekend in kort geding, tot de ontbinding van het huwelijk kennis van de voorlopige maat-regelen die onder meer betrekking hebben op het levensonderhoud van de partijen en van de kinderen.

Luidens artikel 1039, eerste lid, van hetzelfde wetboek, brengen de beschikkingen in kort geding geen nadeel toe aan de zaak zelf.

De rechter die uitspraak moet doen over een gevorderde uitkering tot levenson-derhoud na echtscheiding, dient zich bijgevolg niet te houden noch aan het be-schikkend gedeelte, noch aan het overwegende gedeelde van de beslissing in kort geding, die het bedrag vaststelt van het levensonderhoud dat aan een van de echt-genoten tijdens het echtscheidingsgeding verschuldigd is.

Het bestreden vonnis overweegt dat "de feitelijke beoordeling door het hof van beroep, [in zijn arrest van 12 mei 2011 waarbij het bedrag van het levensonder-houd tijdens het echtscheidingsgeding wordt vastgesteld], van de bestanddelen van het vermogen van de partijen die in het kader van de huidige procedure ongewij-zigd zijn gebleven, zowel voor de partijen als voor de rechtbank bindend is", dat "de motivering van het hof van beroep, in zoverre het uitspraak doet over de voor hem gebrachte geschillen, beschikkingen zijn die, net als het dictum, gezag van gewijsde hebben" en dat "de rechtbank, tenzij de omstandigheden zijn gewijzigd of de toepassing van de in artikel 301 gestelde voorwaarden tot een andere beoordeling moet leiden dan [die waartoe] de procedure in kort geding heeft ge-leid, bezwaarlijk de waardebepaling kan wijzigen die een paar maanden eerder is gedaan door het hof van beroep, op grond dat de grondslag van de vordering is gewijzigd".

Onder de hoofding "elementen die door het hof van beroep zijn berecht en waar-aan zowel de partijen en de rechtbank zich moeten houden", vermeldt het bestre-den vonnis dat "de rechtbank, in zoverre de omstandigheden, wat betreft de hier-boven bedoelde punten, niet zijn gewijzigd en de voorwaarden die op deze proce-dure van toepassing zijn niet tot een andere beoordeling moeten leiden dan die waartoe de procedure in kort geding heeft geleid, zich door het arrest van het hof van beroep gebonden acht".

Bij het onderzoek van de lasten van de verweerster herhaalt het bestreden vonnis dat "de lasten die het hof van beroep in aanmerking heeft genomen, 1.600 euro per maand bedragen (arrest van 12 mei 2011, p. 14 en 15) [en dat] het voormelde bedrag, aangezien de omstandigheden niet zijn gewijzigd, moet worden aangeno-men".

Bij het onderzoek van de roerende inkomsten van de eiser overweegt het bestre-den vonnis dat "het voormelde bedrag [van 685.052 euro] vermeerderd moet worden met de inkomsten uit het aanvullende kapitaal van 475.000 euro [die de eiser] uit zijn portefeuille of van een van zijn rekeningen in 2006 en in 2007 heeft gehaald [...],waaromtrent de eiser niet verduidelijkt wat hij met dat kapitaal heeft gedaan er zich toe beperkend het bestaan ervan in zijn appelconclusie in de huidige procedure opnieuw te ontkennen, [...] in weerwil van het rechterlijk gewijsde", en dat "het roerend vermogen dat het hof van beroep ten aanzien van [de eiser] in aanmerking heeft genomen, in totaal 1.530.052 euro bedraagt".

Het bestreden vonnis, dat het bedrag van de door de eiser aan de verweerster ver-schuldigde uitkering tot levensonderhoud na echtscheiding vaststelt op 720,50 eu-ro per maand, op grond van de lasten van de verweerster en van de roerende in-komsten van de eiser zoals ze werden bepaald in het arrest van het hof van beroep van 12 mei 2011, en daarbij steunt op het gezag van gewijsde dat het aan dat ar-rest toekent, schendt derhalve de artikelen 1039 en 1280, eerste lid, van het Ge-rechtelijk Wetboek.

Het onderdeel is gegrond.

Dictum

Het Hof,

Vernietigt het bestreden vonnis.

Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het vernie-tigde vonnis.

Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over.

Verwijst de zaak naar de rechtbank van eerste aanleg te Nijvel, rechtszitting hou-dende in hoger beroep.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel, door voor-zitter Christian Storck, de raadsheren Didier Batselé, Martine Regout, Michel Lemal en Sabine Geubel, en in openbare terechtzitting van 7 februari 2014 uitge-sproken door voorzitter Christian Storck, in aanwezigheid van advocaat-generaal Thierry Werquin, met bijstand van griffier Patricia De Wadripont.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van raadsheer Alain Smetryns en overge-schreven met assistentie van griffier Johan Pafenols.

De griffier, De raadsheer,

Vrije woorden

  • Geen weergave van alle bekritiseerde redenen

  • Ontvankelijkheid