- Arrest van 11 februari 2014

11/02/2014 - P.12.0989.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
De door artikel 271 AWDA aan de verbalisanten opgelegde verplichting strekt niet ertoe om op dat ogenblik de geverbaliseerde de gelegenheid te geven verweer te voeren omtrent de in het proces-verbaal vermelde materiële vaststellingen van de verbalisanten en eventuele gevolgtrekkingen, maar enkel om de geverbaliseerde, ook als hij ongeletterd is, in te lichten over de inhoud van het proces-verbaal; deze formaliteit en de overhandiging, of zo de geverbaliseerde afwezig blijft, de toezending van een afschrift van het proces-verbaal, hebben als doel daarna het recht van verdediging van de geverbaliseerde te waarborgen.

Arrest - Integrale tekst

P.12.0989.N

J C K J,

beklaagde,

eiser,

met als raadsman mr. Eric Pringuet, advocaat bij de balie te Gent,

tegen

BELGISCHE STAAT, fod Financiën, vertegenwoordigd door de minister van Financiën, met kantoor te 1000 Brussel, Wetstraat 14, voor wie optreedt de direc-teur der douane en accijnzen van de provincie Antwerpen, met kantoor te 2060 Antwerpen, Ellermanstraat 21,

vervolgende partij,

verweerder.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwer-pen, correctionele kamer, van 25 april 2012.

De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan.

Raadsheer Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Marc Timperman heeft geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste middel

1. Het middel voert schending aan van de artikelen 203, § 1, en 540 Wetboek van Strafvordering: het arrest heeft eisers verzoek om de zaak te verwijzen naar de correctionele rechtbank te Turnhout gelet op de samenhang met de daar aanhangi-ge zaak ten onrechte afgewezen; het arrest oordeelt dat het vonnis van 13 januari 2010 geen kracht van gewijsde zou hebben, maar niets is minder waar; tegen het vonnis waarbij de correctionele rechtbank te Turnhout zich bevoegd verklaarde, heeft geen enkele partij hoger beroep aangetekend, zodat het vonnis kracht van gewijsde kreeg.

2. Het arrest oordeelt niet dat het vonnis van 13 januari 2010 van de correctio-nele rechtbank te Turnhout geen kracht van gewijsde heeft. Het oordeelt wel dat de rechtspleging voor de correctionele rechtbank te Turnhout nog niet in een in kracht van gewijsde gegaan eindvonnis heeft geresulteerd.

Het middel berust op een onjuiste lezing van het arrest en mist bijgevolg feitelijke grondslag.

Tweede middel

3. Het middel voert schending aan van artikel 6.1 en 6.3.c EVRM: het arrest weigert ten onrechte het proces-verbaal nietig te verklaren en de daarop gesteunde strafvordering als niet ontvankelijk af te wijzen; het proces-verbaal in douaneza-ken vormt nochtans een beschuldiging in de zin van artikel 6.3.c EVRM, zodat de beklaagde het recht heeft om zich bij de voorlezing ervan te laten bijstaan door een advocaat; de administratie laat die bijstand echter niet toe, zodat eisers rechten zijn miskend.

4. Artikel 6.3.c EVRM bepaalt: "Eenieder, die wegens een strafbaar feit ver-volgd wordt, heeft minstens de volgende rechten: c) zichzelf te verdedigen of de bijstand te hebben van een raadsman naar zijn keuze, of, indien hij niet over vol-doende middelen beschikt om een raadsman te bekostigen, kosteloos door een toegevoegd advocaat te kunnen worden bijgestaan, indien het belang van de rechtspraak dit eist."

Artikel 271 AWDA bepaalt: "De bekeurde, tegenwoordig zijnde bij de bekeuring, zal worden uitgenodigd, om ook bij de opmaking van het proces-verbaal tegen-woordig te zijn, en, desverkiezende, hetzelfde te tekenen en er dadelijk een afschrift van te ontvangen; in geval van afwezigheid wordt een afschrift van het proces-verbaal bij een ter post aangetekende brief aan de bekeurde gezonden."

5. De door artikel 271 AWDA aan de verbalisanten opgelegde verplichting strekt niet ertoe om op dat ogenblik de geverbaliseerde de gelegenheid te geven verweer te voeren omtrent de in het proces-verbaal vermelde materiële vaststel-lingen van de verbalisanten en eventuele gevolgtrekkingen. Ze strekt enkel ertoe de geverbaliseerde, ook als hij ongeletterd is, in te lichten over de inhoud van het proces-verbaal. Deze formaliteit en de overhandiging of, zo de geverbaliseerde afwezig blijft, de toezending van een afschrift van het proces-verbaal, hebben als doel daarna het recht van verdediging van de geverbaliseerde te waarborgen.

Uit artikel 6.3.c EVRM vloeit dan ook niet voort dat een inzake douane en accijn-zen geverbaliseerde overtreder op het ogenblik dat hij wordt uitgenodigd om te-genwoordig te zijn bij het opmaken van het proces-verbaal en de overhandiging van een afschrift, de bijstand moet genieten van een raadsman.

Het middel faalt naar recht.

Derde middel

6. Het middel voert schending aan van artikel 8 EVRM, artikel 149 Grondwet en de artikelen 197 en 198 AWDA: het arrest is gebrekkig gemotiveerd; het oor-deelt ten onrechte dat de eiser kennis kon nemen en tegenspraak kon voeren met betrekking tot alle desbetreffende stukken en van de in het strafdossier opgeno-men processen-verbaal; dat klopt echter niet omdat er geen duidelijkheid bestaat over welke documenten of mondelinge toelichtingen aan de politierechter werden verschaft met het oog op het verkrijgen van de machtigingen tot visitatie.

7. Het middel geeft niet aan hoe en waardoor het arrest artikel 8 EVRM en de artikelen 197 en 198 AWDA schendt.

In zoverre is het middel bij gebrek aan nauwkeurigheid niet ontvankelijk.

8. Het arrest (p. 10, laatste alinea) stelt zonder door het middel op dit punt te worden bekritiseerd, vast dat wat betreft de huisvisitaties te Zoersel en te Broe-chem op 15 december 2003 geen stukken werden aangetroffen die relevant waren of gebruikt werden als bewijsmateriaal in het kader van dit strafdossier.

In zoverre het middel betrekking heeft op de voor deze huisvisitaties verleende machtigingen, is het bij gebrek aan belang niet ontvankelijk.

9. Het arrest oordeelt met betrekking tot de in de machtigingen vermelde mon-delinge verstrekte toelichting dat de gebeurlijke beperking van het desbetreffende verweer van de eiser op afdoende wijze wordt gecompenseerd door het geheel van de waarborgen waarmee de desbetreffende procedure is omringd ter voorkoming van misbruik. Het middel laat na deze redengeving in zijn kritiek te betrekken.

In zoverre berust het middel op een onvolledige lezing van het arrest en mist het feitelijke grondslag.

10. Voor het overige voert het middel formeel een motiveringsgebrek aan, maar komt het in werkelijkheid op tegen de onaantastbare vaststelling door het arrest (p. 16, vierde alinea) dat de eiser kennis heeft kunnen nemen en tegenspraak heeft kunnen voeren met betrekking tot alle desbetreffende stukken en van de in het strafdossier opgenomen processen-verbaal en bijgevolg ook van de ter gelegenheid van de aanvraag tot machtigingen voorgelegde bescheiden.

In zoverre is het middel niet ontvankelijk.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiser tot de kosten.

Bepaalt de kosten op 101,81 euro.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Paul Maffei, als voorzitter, en de raadsheren Beatrijs Deconinck, Filip Van Volsem, Alain Bloch en Erwin Francis, en op de openbare rechtszitting van 11 februari 2014 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Paul Maffei, in aanwezigheid van advocaat-generaal Marc Timperman, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche.

K. Vanden Bossche

E. Francis A. Bloch

F. Van Volsem B. Deconinck P. Maffei

Vrije woorden

  • Vaststelling van misdrijven, fraudes of overtredingen

  • Opmaking van het proces-verbaal

  • Uitnodiging van de geverbaliseerde om tegenwoordig te zijn

  • Overhandiging of toezending van een afschrift van het proces-verbaal

  • Doel