- Arrest van 11 februari 2014

11/02/2014 - P.13.1473.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
De vrijstelling van de algemene verplichting motorvoertuigen welke op de weg worden gebruikt voor personen- of goederenvervoer, uit te rusten met een controleapparaat geldt enkel voor voertuigen die uitsluitend en op het ogenblik van de vaststellingen worden gebruikt in verband met de rioleringsdienst, diensten ter bescherming tegen overstromingen en het onderhoud van en het toezicht op wegen.

Arrest - Integrale tekst

Nr. P.13.1473.N

1. B G A V S,

beklaagde,

2. P A V H,

beklaagde,

3. P A V H GRONDWERKEN nv,

burgerrechtelijk aansprakelijke partij,

met als raadsman mr. Frederik Vanden Bogaerde, advocaat bij de balie te Kortrijk.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

De cassatieberoepen zijn gericht tegen het vonnis in hoger beroep van de correcti-onele rechtbank te Ieper van 20 juni 2013, gewezen op verwijzing na arrest van het Hof van 27 november 2012.

De eisers voeren in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan.

Raadsheer Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Marc Timperman heeft geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste middel

1. Het middel voert schending aan van artikel 13.1.h), van de Verordening (EG) 561/2006 van 15 maart 2006 van het Europees Parlement en de Raad tot harmonisatie van bepaalde voorschriften van sociale aard voor het wegvervoer, tot wijziging van Verordeningen (EEG) nr. 3821/85 en (EG) nr. 2135/98 van de Raad en tot intrekking van Verordening (EEG) nr. 3820/85 van de Raad (hierna Veror-dening (EG) 561/2006), artikel 149 Grondwet, artikel 195 Wetboek van Strafvor-dering en artikel 2 in fine van het Koninklijk Besluit van 14 juli 2005 houdende uitvoering van de verordening (EEG) nr. 3821/85 van 20 december 1985 betref-fende het controleapparaat in het wegvervoer (hierna KB Controleapparaat), als-mede miskenning van de bewijslast in strafzaken: het oordeel van het bestreden vonnis is onverenigbaar met artikel 13.1.h), Verordening (EG) 561/2006 en het legt de bewijslast ten onrechte bij de eisers; de in deze bepaling opgenomen vrij-stelling van de naleving van de rij- en rusttijden kan overeenkomstig artikel 3 Verordening (EEG) nr. 3821/85 door de lidstaten ook worden toegepast op de verplichting een tachograafapparaat in het voertuig te hebben; België heeft met ar-tikel 2 in fine te val uit KB Controleapparaat de vrijstelling toegepast op het con-troleapparaat; artikel 2 in fine KB Controleapparaat bepaalt immers dat de ver-plichting het motorvoertuig uit te rusten met een controleapparaat niet van toepas-sing is op motorvoertuigen welke opgesomd zijn in artikel 6 van het koninklijk besluit van 9 april 2007 houdende uitvoering van de verordening (EG) nr. 561/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 15 maart 2006 tot harmoni-satie van bepaalde voorschriften van sociale aard voor het wegvervoer, tot wijzi-ging van de verordeningen (EEG) nr. 3821/85 en (EG) nr. 2135/98 van de Raad en tot intrekking van verordening (EEG) nr. 3820/85 van de Raad (hierna KB Uit-voering Verordening 561/2006); het komt aan het openbaar ministerie toe te be-wijzen dat het vervoer van de eisers op het ogenblik van de feiten binnen het toe-passingsgebied van de Verordening (EG) nr. 561/2006 valt; door anders te oorde-len, miskent het bestreden vonnis de bewijslast in strafzaken en is het onjuist ge-motiveerd; indien wordt aangenomen dat de vervoerde kraan werd gebruikt bij wegeniswerken is de vrijstelling wel degelijk van toepassing aangezien het voer-tuig op dat ogenblik wordt gebruikt om werken mee uit te voeren in verband met de rioleringsdienst, de dienst ter bescherming van overstromingen en werken van onderhoud en toezicht op wegen.

Indien het Hof met betrekking tot artikel 13.1.h), Verordening (EG) nr. 561/2006 een andere interpretatie zou voorstaan, wordt gevraagd aan het Hof van Justitie de volgende prejudiciële vraag te stellen: "Dient de vrijstelling als voorzien in artikel 13.1.h), Verordening (EG) nr. 561/2006 zo te worden begrepen dat deze ook van toepassing kan zijn op een voertuig dat een ander werktuig vervoert dat onmiddel-lijk na het betreffende vervoer zal worden gebruikt in verband met de riolerings-dienst, de diensten ter bescherming van overstromingen of werken van onderhoud en toezicht op wegen?"

2. Artikel 13.1.h), Verordening (EG) nr. 561/2006 bepaalt: "Mits geen afbreuk wordt gedaan aan de doelstellingen van artikel 1, mag elke lidstaat voor zijn eigen grondgebied of, met instemming van de betrokken staat, voor het grondgebied van een andere lidstaat, uitzonderingen toestaan op de artikelen 5 tot en met 9, en deze uitzonderingen laten afhangen van bijzondere voorwaarden, voor vervoer dat wordt verricht: met voertuigen die worden gebruikt in verband met de riolerings-dienst, diensten ter bescherming tegen overstromingen, (...) onderhoud van en toezicht op wegen (...)."

Artikel 6.f), KB Uitvoering Verordening (EG) 561/2006 bepaalt: "Niet onder-worpen aan de artikelen 5 tot 9 van de verordening is het vervoer door de volgende voertuigen: voertuigen die worden gebruikt in verband met de rioleringsdienst, diensten ter bescherming tegen overstromingen, (...) het onderhoud van en het toezicht op wegen (...)."

Artikel 2 KB Controleapparaat bepaalt:

"Alle in België ingeschreven motorvoertuigen, op de weg gebruikt voor personen- of goederenvervoer, moeten uitgerust zijn met een controleapparaat, hierna ‘ta-chograaf' genoemd, waarvan de metingen worden geregistreerd."

Deze bepaling is niet van toepassing op de motorvoertuigen vermeld in bijlage I en op de voertuigen bedoeld opgesomd in artikel 6 van het koninklijk besluit van 9 april 2007."

Artikel 18, § 1, KB Controleapparaat bepaalt dat de inbreuken op de Verordening (EEG) nr. 3821/85 en het besluit worden bestraft overeenkomstig de artikelen 2 en 2bis van de wet van 18 februari 1969.

3. De door artikel 6.f), KB Uitvoering Verordening (EG) 561/2006 bedoelde voertuigen zijn derhalve vrijgesteld van de algemene verplichting motorvoertuigen welke op de weg worden gebruikt voor personen- of goederenvervoer, uit te rusten met een controleapparaat. Dit uitzonderingsstelsel is in het licht van de overweging (23) van de preambule bij de Verordening (EG) 561/2006 dat de nati-onale uitzonderingen moeten beperkt blijven tot die elementen welke niet aan concurrentiedruk onderhevig zijn en de in artikel 1 Verordening (EG) 561/2006 vermelde doelstelling de concurrentievoorwaarden te harmoniseren, strikt uit te leggen.

Daaruit volgt dat de vrijstelling enkel geldt voor voertuigen die uitsluitend en op het ogenblik van de vaststellingen worden gebruikt in verband met de riolerings-dienst, diensten ter bescherming tegen overstromingen en het onderhoud van en het toezicht op wegen.

In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.

De prejudiciële vraag die uitgaat van dezelfde onjuiste rechtsopvatting, wordt niet gesteld.

4. Een beklaagde die aanvoert dat hij vrijgesteld is van een strafrechtelijk ge-sanctioneerde verplichting dient zijn bewering enigszins aannemelijk te maken. Indien hij daarin slaagt komt het aan de vervolgende partij toe die aannemelijk gemaakte bewering te weerleggen.

In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.

5. Het bestreden vonnis oordeelt dat:

- de eiser 1 verklaarde dat hij op 2 september 2008 is vertrokken uit Tielt vanop het bedrijf om een kraan op te laden in Staden en deze vervolgens over te brengen voor grondwerken naar Sint-Kruis-Brugge;

- de eiser 2 verklaarde dat de eiser 1 op 2 september 2008 een kraan moest ophalen te Staden vanop een werf van de firma en die diende over te brengen naar een ander werk te Brugge;

- de eiser 2 verklaarde dat de hoofdactiviteit van de firma onderhoud en aanleg van wegen is;

- waar de eisers zich beroepen op het uitzonderingsregime van artikel 13.1.h), Verordening (EG) 561/2006, zij dienen aan te tonen dat de kwestieuze trekker op het moment van de vaststellingen daadwerkelijk werd aangewend met als finaliteit het onderhoud van de wegen en de wegbermen of van de rioleringen ter voorkoming van overstromingen overeenkomstig een aan de eiseres 3 ver-leende gunningsopdracht;

- met het openbaar ministerie de rechtbank moet vaststellen dat zij zulks geenszins in concreto aantonen; de loutere voorlegging van de contracten-gunningsopdrachten van de provincie West-Vlaanderen en de stad Brugge vol-staan daartoe niet; deze hebben immers exclusief betrekking op onder-houdswerken aan provinciewegen in de regio Brugge, evenals het onderhoud van grachten en onbevaarbare waterlopen in de regio Brugge over een periode van een kalenderjaar;

- afgetoetst aan de verklaringen van de eisers 1 en 2 er kan worden opgemaakt dat op die specifieke dag de trekker werd gebruikt op een traject Tielt-Staden-Brugge teneinde een kraan over te brengen met als instrumenteel doel het uitvoeren van grondwerken;

- de stukken die de eisers daartegenover stellen aangaande de gunningsopdrach-ten inzake wegen- en waterlopenonderhoud in de regio Brugge zodoende maar een klein onderdeel vormen van de reguliere werkzaamheden van de eiseres 3;

- in die concrete omstandigheden de eisers niet ernstig kunnen voorhouden dat zij werden gevat toen zij activiteiten uitvoerden gericht op onderhoud van de weg of rioleringen ter voorkoming van overstromingen;

- het aanwenden van een kraan zich daarmee niet a priori laat vereenzelvigen en het aanwenden van de kraan zelfs finaal ook territoriaal al helemaal niet, aan-gezien de eiser 1 uitdrukkelijk toegaf dat deze werd gehaald in Staden, met als finaliteit het uitvoeren van grondwerken in Sint-Kruis-Brugge.

- zelfs in de veronderstelling dat het de betrachting was de kraan in te zetten bij het uitvoeren van wegenis- en rioleringsonderhoudswerken in de regio Brugge, de kraan niet met de litigieuze trekker kon worden opgehaald te Staden zonder correct gebruik van de tachograafschijf.

Met die redenen verantwoorden de appelrechters de schuldigverklaring van de ei-ser 1 en 2 naar recht.

In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.

Tweede middel

6. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en artikel 195 Wetboek van Strafvordering, alsmede miskenning van de bewijskracht van het proces-verbaal van de rechtszitting: volgens het proces-verbaal van de rechtszitting hebben de eisers een bundel stukken neergelegd, maar nazicht van het strafdossier leert dat dit bundel leeg is, zodat het bestreden vonnis werd gemotiveerd zonder rekening te houden met alle neergelegde stukken.

7. Volgens het proces-verbaal van de rechtszitting van 23 mei 2013 heeft de raadsman van de eisers op die rechtszitting een syntheseconclusie en een bundel neergelegd. Volgens de inventaris gevoegd bij deze synthesebesluiten legden de eisers twee stukken neer, namelijk een contract met de provincie West-Vlaanderen en een contract met de stad Brugge. Het bestreden vonnis (ro C.4, tweede alinea) stelt vast dat de eisers deze stukken hebben voorgelegd en bespreekt ze.

Het middel dat ervan uitgaat dat de appelrechters de door de eisers neergelegde stukken niet in aanmerking nemen, mist feitelijke grondslag.

Ambtshalve onderzoek van de beslissing op de strafvordering

8. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt de cassatieberoepen.

Veroordeelt de eisers tot de kosten.

Bepaalt de kosten op 87,51 euro.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Paul Maffei, als voorzitter, en de raadsheren Beatrijs Deconinck, Filip Van Volsem, Alain Bloch en Erwin Francis, en op de openbare rechtszitting van 11 februari 2014 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Paul Maffei, in aanwezigheid van advocaat-generaal Marc Timperman, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche.

K. Vanden Bossche

E. Francis A. Bloch

F. Van Volsem B. Deconinck P. Maffei

Vrije woorden

  • Motorvoertuigen voor personen- of goederenvervoer

  • Uitrusting met een controleapparaat

  • Algemene verplichting

  • Vrijstelling