- Arrest van 11 februari 2014

11/02/2014 - P.13.1718.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
De kamer van inbeschuldigingstelling kan slechts de bij de artikelen 136, 235 en 235bis Wetboek van Strafvordering bedoelde maatregelen nemen, voor zover de zaak steeds in onderzoek is, dit is zolang de rechtspleging door de onderzoeksgerechten nog niet is geregeld zodat eens de inverdenkinggestelde naar de correctionele rechtbank is verwezen, de kamer van inbeschuldigingstelling geen rechtsmacht meer heeft om de regelmatigheid van de rechtspleging te onderzoeken (1). (1) Zie: Cass. 16 feb. 2010, AR P.10.0012.N, AC 2010, nr. 104 met concl. O.M.

Arrest - Integrale tekst

Nr. P.13.1718.N

H R,

verzoeker tot het opheffen van een onderzoekshandeling,

eiser,

met als raadsman mr. Gert Warson, advocaat bij de balie te Brussel.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel, kamer van inbeschuldigingstelling, van 3 oktober 2013.

De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan.

Afdelingsvoorzitter Paul Maffei heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Marc Timperman heeft geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Ontvankelijkheid van het cassatieberoep

1. Het arrest doet onder meer uitspraak met toepassing van artikel 61quater Wetboek van Strafvordering. Aldus bevat het arrest geen eindbeslissing noch een uitspraak in een der gevallen bedoeld in artikel 416, tweede lid, Wetboek van Strafvordering.

In zoverre tegen die beslissing gericht, is het cassatieberoep voorbarig, mitsdien niet ontvankelijk.

2. Voor het overige oordeelt het arrest dat de kamer van inbeschuldiging-stelling geen bevoegdheid meer heeft om uitspraak te doen over eisers verzoek de strafvordering wegens schending van artikel 6 EVRM niet-ontvankelijk te verkla-ren en te bevelen dat de weergaves van eisers verhoren uit het strafdossier zouden worden verwijderd.

Het onderzoek van de ontvankelijkheid van het cassatieberoep tegen die beslis-sing, vereist een onderzoek van het middel.

Middel

3. Het middel voert schending aan van de artikelen 136, 235 en 235bis Wet-boek van Strafvordering: het arrest oordeelt ten onrechte dat de kamer van inbe-schuldigingstelling geen enkele bevoegdheid meer heeft om uitspraak te doen over de bij de vermelde artikelen bedoelde maatregelen; overeenkomstig artikel 235bis, § 2, Wetboek van Strafvordering, onderzoekt de kamer van inbeschuldi-gingstelling de regelmatigheid van de haar voorgelegde procedure telkens zij ken-nis neemt van de zaak; dit is het geval wanneer de kamer van inbeschuldiging-stelling kennis neemt van een verzoek overeenkomstig artikel 61quater van het voormelde wetboek.

4. De kamer van inbeschuldigingstelling kan slechts de bij de artikelen 136, 235 en 235bis Wetboek van Strafvordering bedoelde maatregelen nemen, voor zover de zaak steeds in onderzoek is, dit is zolang de rechtspleging door de onder-zoeksgerechten nog niet is geregeld. Eens de inverdenkinggestelde naar de cor-rectionele rechtbank is verwezen, heeft de kamer van inbeschuldigingstelling geen rechtsmacht meer om de regelmatigheid van de rechtspleging te onderzoeken.

Het middel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt naar recht.

5. Het arrest stelt vast, zonder op dat punt te worden bekritiseerd, dat de eiser bij arrest van de kamer van inbeschuldigingstelling van 22 mei 2013 naar de cor-rectionele rechtbank is verwezen. De kamer van inbeschuldigingstelling had bij-gevolg geen rechtsmacht meer om uitspraak te doen met toepassing van de artike-len 136, 235 en 235bis Wetboek van Strafvordering en bijgevolg om de gevraagde maatregelen te bevelen.

Hieruit volgt dat het cassatieberoep tegen het arrest dat aldus uitspraak doet, in zoverre evenmin ontvankelijk is.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiser tot de kosten.

Bepaalt de kosten op 67,71 euro.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit afdelingsvoorzitter Paul Maffei, als voorzitter, en de raadsheren Beatrijs Deconinck, Filip Van Volsem, Alain Bloch en Erwin Francis, en op de openbare rechtszitting van 11 februari 2014 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Paul Maffei, in aanwezigheid van advocaat-generaal Marc Timperman, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche.

K. Vanden Bossche

E. Francis A. Bloch

F. Van Volsem B. Deconinck P. Maffei

Vrije woorden

  • Kamer van inbeschuldigingstelling

  • Onderzoek van de regelmatigheid van de procedure

  • Voorwaarde