- Arrest van 12 februari 2014

12/02/2014 - P.13.1658.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Uit de omstandigheid dat het onderzoeksgerecht uitspraak doet over de feiten bedoeld in de vordering waarmee de zaak er aanhangig is gemaakt, volgt niet dat het niet bevoegd is om het geheel van de omstandigheden en andere bijkomende daden te onderzoeken die met het plegen van die feiten gepaard zijn gegaan.

Arrest - Integrale tekst

Nr. P.13.1658.F

I. H. S.,

Mr. Caroline De Baets, advocaat bij het Hof van Cassatie,

II. HOTEL CAPITAL nv,

Mr. Pierre Monville, advocaat bij de balie te Brussel.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel, kamer van inbeschuldigingstelling, van 25 september 2013.

De eisers voeren in een memorie die aan dit arrest is gehecht, elk een middel aan.

Raadsheer Françoise Roggen heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Raymond Loop heeft geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

A. Cassatieberoep van de eiser

Middel

Eerste twee onderdelen

De eiser voert aan dat de handeling die het witwassen oplevert, moet het voortdu-ren of zich herhalen opdat het in artikel 505, eerste lid, 4°, Strafwetboek bedoelde witwasmisdrijf als een voortdurend misdrijf kan worden beschouwd.

In tegenstelling tot wat het middel aanvoert, onderzoekt het arrest de aard van de feitelijke handelingen waaruit het voortduren kan bestaan van de verdoezeling van activa dat aan de eiser ten laste is gelegd.

Het arrest wijst er immers op dat de in de strafvordering bedoelde verberging be-trekking heeft op fondsen van illegale oorsprong die, in het kapitaal van de eiseres of in eisers tegoed op de rekening-courant van de vennoot, zouden zijn vermengd met andere fondsen van legale oorsprong.

Volgens het arrest zou de eiser minstens tot 17 maart 2010, alleen en met kennis van zaken, in zijn hoedanigheid van bestuurder het dagelijks beheer hebben waar-genomen van de vennootschap waarin de verborgen fondsen werden onderge-bracht.

De appelrechters hebben aldus aan de feiten van de telastleggingen naar recht het voortdurend karakter toegekend dat de eiser betwist, waaruit volgt dat ze naar recht de verjaring pas hebben kunnen doen ingaan vanaf de dag waarop het voor-melde beheer niet meer bestaat.

Het middel kan niet worden aangenomen.

Derde onderdeel

In zoverre het middel het arrest verwijt het voortdurend karakter van het misdrijf af te leiden uit het feit dat de eiser zich niet zonder tegenprestatie van de witge-wassen fondsen heeft ontdaan, komt het slechts op tegen een overtollige overwe-ging van het arrest en is het bijgevolg niet ontvankelijk.

Door de daden van verberging of verdoezeling van de aard of de oorsprong van de in artikel 42, 3°, Strafwetboek bedoelde zaken op autonome wijze te bestraffen, heeft de wetgever niet uitgesloten dat die daden verricht kunnen worden naar aanleiding van het beheer van een vennootschap waarin die zaken zouden zijn geïnvesteerd.

Uit de omstandigheid dat het onderzoeksgerecht uitspraak doet over de feiten be-doeld in de vordering waarbij de zaak er is aangebracht, volgt niet dat het niet be-voegd is om het geheel van de omstandigheden en andere bijkomende daden te onderzoeken die met het plegen van die feiten gepaard zijn gegaan. Het dagelijks beheer van de vennootschap waarin de fondsen zijn ondergebracht hoefde zelf geen specifieke omschrijving te krijgen in de vordering tot verwijzing, opdat de kamer van inbeschuldigingstelling uit dat beheer het voortdurend karakter van het verbergen of verdoezelen van de illegale fondsen kon afleiden.

Het middel kan niet worden aangenomen.

Vierde onderdeel

De eiser voert aan dat het witwasmisdrijf door verberging of verdoezeling in het Strafwetboek werd ingevoerd door de wet van 7 april 1995, die in werking is ge-treden op 20 mei 1995.

Volgens het middel heeft de kamer van inbeschuldigingstelling de instandhouding na 20 mei 1995, van een handeling die voordien niet strafbaar was, niet strafbaar kunnen stellen.

Het middel steunt op de bewering dat de feiten van de telastleggingen B.1 tot B.3 uitsluitend vóór de inwerkingtreding van de nieuwe wet zouden zijn gepleegd.

Het arrest stelt dat niet vast voor de telastleggingen B.1 en B.2.

Het middel mist dienaangaande feitelijke grondslag.

De telastlegging B.3 heeft betrekking op een geldoverdracht in de loop van het jaar 1992 en is dus een daad die als dusdanig niet strafbaar was op het ogenblik dat ze werd gepleegd.

De eiser wordt evenwel niet voor die handeling vervolgd maar voor het feit dat hij van 20 mei 1995 tot 17 maart 2010, in zijn dagelijks beheer van de vennootschap waarin de illegale fondsen zijn ondergebracht, die fondsen heeft verborgen of ver-doezeld door ze voortdurend te vermengen met het maatschappelijk kapitaal of het krediet van de rekening-courant van de vennoot.

Het middel kan dienaangaande niet worden aangenomen.

Ambtshalve onderzoek van de beslissing

De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen.

B. Cassatieberoep van de eiseres

Middel

Eerste onderdeel

De eiseres voert aan dat het witwasmisdrijf bedoeld in artikel 505, eerste lid, 4°, van het Strafwetboek slechts strafbaar is sedert de inwerkingtreding, op 20 mei 1995, van de wet die dat artikel heeft aangevuld.

Ze leidt daaruit af dat de kamer van inbeschuldigingstelling het bestaan van een voortdurend witwasmisdrijf niet in aanmerking heeft kunnen nemen op grond van daden die vóór die datum zijn gepleegd.

In tegenstelling tot wat het middel aanvoert, kan het dagelijks beheer van een vennootschap waarin illegale fondsen zijn ondergebracht, een voortdurend ka-rakter verlenen aan het misdrijf verbergen of verdoezelen van die fondsen, zoals het bestond op de dag van inwerkingtreding van de nieuwe wet. Die wet raakt nu ook de litigieuze fondsen die, onder gelding van die wet, het voorwerp waren van daden die erop gericht waren de verboden verberging in stand te houden.

Het middel faalt naar recht.

Tweede onderdeel

Het arrest wijst erop dat de vennootschap waarin de illegale fondsen zijn onderge-bracht, dagelijks zou zijn beheerd op een wijze die aan de verberging ervan een voortdurend karakter verleent tot de dag waarop aan dat beheer een einde is ge-komen.

Het onmiddellijk karakter van de verrichtingen die de verberging van de illegale fondsen mogelijk hebben gemaakt, belet niet dat aan het aldus gepleegde witwas-misdrijf het karakter van voortdurend misdrijf kan worden verleend, gelet op het geheel van de beheersdaden die zijn verricht om het voordeel ervan te bestendi-gen.

Door aldus te beslissen schendt het arrest artikel 505, eerste lid, 4°, Strafwetboek niet.

Het middel kan niet worden aangenomen.

Derde onderdeel

De eiseres voert aan dat de passieve instandhouding van een toestand die door een vroegere daad van witwassen is ontstaan, niet volstaat om het tijdvak waarbinnen het misdrijf is gepleegd, in dezelfde mate te verlengen.

Door evenwel te steunen op het dagelijks beheer van de vennootschap waarin de illegale fondsen zijn ondergebracht, heeft het arrest het voortdurend karakter van het misdrijf niet verbonden met de loutere "passieve instandhouding" van de toe-stand die voor de inwerkingtreding van de nieuwe wet is ontstaan.

Het middel, dat op een onjuiste lezing van het arrest berust, mist feitelijke grond-slag.

Ambtshalve onderzoek van de beslissing

De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt de cassatieberoepen.

Veroordeelt de eisers tot de kosten van hun cassatieberoep.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, tweede kamer, te Brussel, door afdelingsvoorzitter ridder Jean de Codt, de raadsheren Benoît Dejemeppe, Pierre Cornelis, Gustave Steffens en Françoise Roggen, en in openbare terechtzitting van 12 februari 2014 uitgesproken door afdelingsvoorzitter ridder Jean de Codt, in aanwezigheid van advocaat-generaal Raymond Loop, met bijstand van griffier Fabienne Gobert.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van raadsheer Alain Bloch en overge-schreven met assistentie van afgevaardigd griffier Véronique Kosynsky.

De afgevaardigd griffier, De raadsheer,

Vrije woorden

  • Onderzoeksgerechten

  • Aanhangigmaking

  • Feiten bedoeld in de verwijzingsbeschikking

  • Bevoegdheid

  • Onderzoek

  • Omstandigheden en andere bijkomende daden die met het plegen van de feiten gepaard gingen