- Arrest van 13 februari 2014

13/02/2014 - C.13.0419.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Een verzoek tot verlenging van de termijn van opschorting toegekend op grond van artikel 24, § 2, WCO of artikel 38, § 1, WCO, dient te worden gedaan vóór het verstrijken van de oorspronkelijk toegekende opschorting.

Arrest - Integrale tekst

Nr. C.13.0419.N

POORTACKERE nv, met zetel te 9000 Gent, Oude Houtlei 56,

eiseres,

vertegenwoordigd door mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Quatre Brasstraat 6, waar de eiseres woonplaats kiest,

tegen

KBC BANK nv, met zetel te 1080 Sint-Jans-Molenbeek, Havenlaan 2,

verweerster.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis in laatste aanleg van de rechtbank van koophandel te Gent van 24 mei 2013.

Afdelingsvoorzitter Eric Dirix heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Dirk Thijs heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDEL

De eiseres voert in haar verzoekschrift dat aan dit arrest gehecht is, een middel aan.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste onderdeel

1. Op grond van artikel 38, § 1, van de wet van 31 januari 2009 betreffende de continuïteit van de ondernemingen (hierna: WCO), voor zijn wijziging door de wet van 27 mei 2013, kan de rechtbank op verzoek van de schuldenaar en na het horen van het verslag van de gedelegeerd rechter de opschortings¬termijn toege-kend op grond van artikel 24, § 2, WCO of artikel 38, § 1, WCO verlengen met een periode die de rechtbank vaststelt.

Een verzoek tot verlenging van de termijn van opschorting dient te worden gedaan voor het verstrijken van de oorspronkelijk toegekende opschorting.

2. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt dat bij vonnis van 14 november 2012 aan de eiseres een periode van opschorting werd verleend tot 14 mei 2013 en dat de eiseres op 10 mei 2013 een verzoekschrift tot verlenging van de opschorting heeft neergelegd ter griffie van de rechtbank.

Het bestreden vonnis dat werd gewezen op 24 mei 2013, stelt vast dat op het ogenblik van de behandeling van het verzoek van de eiseres de opschortingster-mijn reeds verstreken was en oordeelt dat deze termijn niet meer kan worden ver-lengd, te meer omdat het verzoekschrift werd neergelegd kort voor het verstrijken van de termijn van zes maanden, zulks "niet getuigt van de vereiste diligentie" en "de resterende termijn van vier dagen te kort was en [de rechtbank] ertoe noopte het verzoek te behandelen na het verstrijken van de verleende termijn".

3. Door op deze gronden het verzoek tot verlenging ongegrond te verklaren, voegt het bestreden vonnis aan de wet een voorwaarde toe die deze niet bevat.

Het onderdeel is gegrond.

Dictum

Het Hof,

Vernietigt het bestreden vonnis.

Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het vernie-tigde vonnis.

Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent over aan de feitenrechter.

Verwijst de zaak naar de rechtbank van koophandel te Gent, anders samengesteld.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samen-gesteld uit afdelingsvoorzitter Eric Dirix, als voorzitter, en de raadsheren Alain Smetryns, Koen Mestdagh, Geert Jocqué en Bart Wylleman, en in openbare rechtszitting van 13 februari 2014 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Eric Dirix, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Thijs, met bijstand van griffier Frank Adriaensen.

F. Adriaensen B. Wylleman G. Jocqué

K. Mestdagh A. Smetryns E. Dirix

Vrije woorden

  • Termijn van opschorting

  • Verzoek tot verlenging

  • Ontvankelijkheid

  • Tijdstip van neerlegging