- Arrest van 13 februari 2014

13/02/2014 - F.13.0039.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
De Centra voor wetenschappelijk onderzoek blijven na de wet van 20 november 1962 verder vrijstelling genieten van de onroerende voorheffing vermits de fiscale gelijkstelling van deze Centra met de Staat krachtens artikel 12 Besluitwet van 30 januari 1947 tot gevolg had dat deze vrijgesteld waren van de grondbelasting (1). (1) Zie concl. OM.

Arrest - Integrale tekst

Nr. F.13.0039.N

VLAAMS GEWEST, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, in de per-soon van de minister-president, met kantoor te 1000 Brussel, Koolstraat 35,

eiser,

vertegenwoordigd door mr. Willy van Eeckhoutte, advocaat bij het Hof van Cas-satie, met kantoor te 9051 Gent, Drie Koningenstraat 3, waar de eiser woonplaats kiest,

tegen

WETENSCHAPPELIJK EN TECHNISCH CENTRUM VAN DE BELGI-SCHE TEXTIELNIJVERHEID vzw, afgekort Centexbel, met zetel te 1000 Brussel, Montoyerstraat 24, bus 2,

verweerster,

vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 2000 Antwerpen, Amerikalei 187, bus 302, waar de verweerster woon-plaats kiest.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent van 25 september 2012.

Advocaat-generaal Dirk Thijs heeft op 7 november 2013 een schriftelijke conclusie neergelegd.

Raadsheer Bart Wylleman heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Dirk Thijs heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDEL

De eiser voert in zijn verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste onderdeel

1. Krachtens artikel 10 Besluitwet van 30 januari 1947 tot vaststelling van het statuut van oprichting en werking van Centra belast met de bevordering en de co-ordinatie van de technische vooruitgang van de verschillende takken van 's lands bedrijfsleven, door het wetenschappelijk onderzoek (hierna Besluitwet) bestaan de geldmiddelen van het Centrum uit:

- een toelage van het ministerie dat 's lands wederuitrusting in zijn bevoegdheid heeft, verleend door het koninklijk besluit tot aanneming van de statuten van het Centrum, zoals bepaald in artikel 18;

- een jaarlijkse bijdrage, vastgesteld bij het koninklijk besluit tot aanneming van de statuten van het Centrum, zoals bepaald in artikel 18, te betalen door al de bedrijven uit het gebied, in evenredigheid van hun belang;

- toelagen van de openbare besturen en organismen daartoe bevoegd;

- alle toelagen, giften en legaten van elke oorsprong en van elke aard;

- alle betalingen door het Centrum geïnd voor de bijzondere diensten of speciale opsporingen welke het verricht voor elk bedrijf uit het gebied;

- de geldmiddelen voortkomend van de brevetten eventueel door het Centrum genomen.

Artikel 12, eerste lid, Besluitwet bepaalt: "De bijdrage bedoeld in artikel 10 van deze wet, alsmede elke toelage, gift of legaat, van welke aard ook, in hoofde van zowel het bedrijf als van de gever als in dat van het Centrum zijn vrijgesteld van elken fiscalen aanslag, van welken aard ook, in hoofde zowel van het bedrijf of van den gever als in dit van het Centrum dat, in fiscale zaken, gelijkgesteld wordt met den Staat."

2. Uit de tekst van artikel 12, eerste lid, Besluitwet volgt dat de in deze wet bedoelde centra niet enkel genieten van een fiscale vrijstelling voor de in artikel 10 bedoelde bijdragen, toelagen, giften en legaten, maar dat zij, tot aan de opheffing ervan door artikel 78 van de wet van 20 november 1962 houdende hervorming van de inkomstenbelasting, genoten van een algemene gelijkstelling met de Staat op fiscaal vlak.

3. Het onderdeel, dat aanvoert dat artikel 12 Besluitwet slechts een vrijstelling invoert voor de bijdragen, toelagen, giften en legaten waarvan sprake in artikel 10, steunt op een verkeerde rechtsopvatting en faalt derhalve naar recht.

Tweede onderdeel

4. Artikel 78, eerste lid, van de wet van 20 november 1962 houdende hervor-ming van de inkomstenbelastingen bepaalt dat worden opgeheven de gelijkstelling met de Staat inzake inkomstenbelastingen of de vrijstelling van de inkomstenbe-lasting of van elke aanslag op de inkomsten ten voordele van de Staat of van de bedrijfsbelasting, waarvan om het even welke vennootschappen, verenigingen, in-stellingen of organismen naar publiek- of privaatrecht genieten krachtens bijzon-dere wettelijke bepalingen.

Artikel 78, tweede lid, van dezelfde wet bepaalt dat wanneer die vennootschap-pen, verenigingen, instellingen of organismen krachtens een bijzondere wettelijke bepaling genieten van de vrijstelling van de grondbelasting, deze vrijstelling wordt geacht te slaan op de onroerende voorheffing.

5. Uit de wetsgeschiedenis van de wet van 20 november 1962 blijkt dat met een bijzondere wettelijke bepaling krachtens dewelke de vennootschappen, ver-enigingen, instellingen en organismen vrijstelling van grondbelasting genieten, ook bedoeld kunnen zijn bepalingen van een bijzondere wet die voorzien in een algemene gelijkstelling met de Staat op fiscaal vlak.

Hieruit volgt dat vermits de fiscale gelijkstelling van de Centra met de Staat krachtens artikel 12 Besluitwet tot gevolg had dat deze vrijgesteld waren van de grondbelasting, zij na de wet van 20 november 1962 verder vrijstelling genieten van de onroerende voorheffing.

6. Het onderdeel, dat aanvoert dat artikel 12 Besluitwet geen bijzondere wettelijke bepaling kan zijn in de zin van artikel 78, tweede lid van de wet van 20 november 1962 omdat zij geen specifieke fiscale vrijstelling voor grondbelasting toekent aan de Centra, berust op een verkeerde rechtsopvatting en faalt derhalve naar recht.

Derde onderdeel

7. Artikel 4, § 2, van de samengeordende wetten van 29 oktober 1919 en van 3 augustus 1920 tot vestiging van cedulaire belastingen op de inkomsten en van een bijkomende belasting op het globaal inkomen, gecoördineerd bij koninklijk besluit van 9 augustus 1920, zoals van kracht voor de vervanging ervan bij koninklijk be-sluit van 26 februari 1964, bepaalt dat eigendommen vrijgesteld zijn van grondbe-lastingen op voorwaarde, onder meer, dat zij de aard hebben van nationale do-meingoederen.

8. Tot de nationale domeingoederen in de zin van deze bepaling behoren onder meer de eigendommen van de Staat.

Hiermee dienen te worden gelijkgesteld de eigendommen toebehorend aan maat-schappijen, verenigingen, instellingen of organismen van publiek recht die krach-tens een uitdrukkelijke bepaling van hun oprichtingswet, gelijkgesteld zijn met de Staat voor de toepassing van de inkomstenbelastingen of vrijgesteld zijn van de inkomstenbelastingen of van elke aanslag op de inkomsten ten voordele van de Staat.

9. De appelrechters oordelen dat het onroerend goed van de verweerster, pre-cies op grond van de fiscale gelijkstelling van de verweerster met de Staat, be-schouwd moet worden als behorend tot de nationale domeingoederen. Zij verant-woorden aldus hun beslissing naar recht.

Het onderdeel kan niet worden aangenomen.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiser tot de kosten.

Bepaalt de kosten voor de eiser op 399,80 euro en voor de verweerster op 361,27 euro.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samen-gesteld uit afdelingsvoorzitter Eric Dirix, als voorzitter, en de raadsheren Alain Smetryns, Koen Mestdagh, Geert Jocqué en Bart Wylleman, en in openbare rechtszitting van 13 februari 2014 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Eric Di-rix, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Thijs, met bijstand van griffier Frank Adriaensen.

F. Adriaensen B. Wylleman G. Jocqué

K. Mestdagh A. Smetryns E. Dirix

Vrije woorden

  • Centra voor wetenschappelijk onderzoek