- Arrest van 13 februari 2014

13/02/2014 - F.13.0059.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

Een lokale belasting die gestoeld is op een van de wezenlijke componenten die rechtstreeks de grondslag van de inkomstenbelastingen bepalen, is een verboden gelijkaardige belasting in de zin van artikel 464, 1°, WIB92; een gemeentebelasting op concerten, film-, video- en erotische voorstellingen die wordt berekend op het brutobedrag van alle ontvangsten, verminderd met de daarop toegepaste belasting op de toegevoegde waarde, is voor de organisatoren van concerten en voorstellingen die onderworpen zijn aan de personen- en vennootschapsbelasting een verboden gelijkaardige belasting omdat die inkomsten een essentieel bestanddeel zijn voor de vaststelling van de grondslag van die inkomstenbelastingen (1). (1) Zie concl OM.


Arrest - Integrale tekst

Nr. F.13.0059.N

STAD GENT, vertegenwoordigd door het college van burgemeester en schepe-nen, met kantoor te 9000 Gent, Botermarkt 1,

eiseres,

vertegenwoordigd door mr. Willy van Eeckhoutte, advocaat bij het Hof van Cas-satie, met kantoor te 9051 Gent, Drie Koningenstraat 3, waar de eiseres woon-plaats kiest,

tegen

NEKKA vzw, met zetel te 2100 Deurne, Collegelaan 106,

verweerster.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen van 18 januari 2011 op verwijzing bij het arrest van 10 oktober 2008 van het Hof.

Advocaat-generaal Dirk Thijs heeft op 7 november 2013 een schriftelijke conclusie neergelegd.

Raadsheer Geert Jocqué heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Dirk Thijs heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDEL

De eiseres voert in haar verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste onderdeel

1. Krachtens artikel 464, 1°, WIB92 zijn de provincies, de agglomeraties en de gemeenten niet gemachtigd tot het heffen van opcentiemen op de personenbelas-ting, op de vennootschapsbelasting, op de rechtspersonenbelasting en op de belas-ting van niet-inwoners of van gelijkaardige belastingen op de grondslag of op het bedrag van die belastingen, uitgezonderd evenwel wat de onroerende voorheffing betreft.

2. Een lokale belasting die is gesteund op een van de wezenlijke componenten die rechtstreeks de grondslag van de inkomstenbelastingen bepalen, is een verbo-den gelijkaardige belasting.

3. De omstandigheid dat de parlementaire voorbereiding van de wet van 24 december 1948 betreffende de gemeentelijke en provinciale financiën doet blijken dat de wetgever gewild heeft dat de belasting op de vertoningen en vermakelijk-heden die voorheen ten behoeve van het Rijk werd gevestigd, wordt overgelaten aan de gemeenten en de provincies, kan niet tot gevolg hebben dat de in artikel 464, 1°, WIB92 vervatte beperking van de belastingbevoegdheid van de lokale overheden, voor niet-geschreven wordt gehouden, daar de wetgever niet uitdruk-kelijk is afgeweken van de in voormeld artikel 464, 1°, WIB92 en in de bepalingen die haar in de tijd voorafgingen vervatte beperking van de gemeentelijke heffings-bevoegdheid.

4. Een gemeentebelasting op concerten, film-, video- en erotische voorstellin-gen die wordt berekend op het brutobedrag van alle ontvangsten, verminderd met de daarop toegepaste belasting op de toegevoegde waarde, is voor de organisato-ren van concerten en voorstellingen die onderworpen zijn aan de personen- en vennootschapsbelasting een verboden gelijkaardige belasting bedoeld in artikel 464, 1°, WIB92, omdat die inkomsten een essentieel bestanddeel zijn voor de vaststelling van de grondslag van die inkomstenbelastingen.

5. De appelrechters stellen vast dat het toepasselijke gemeentelijk belastingre-glement de bruto-ontvangsten van concerten en voorstellingen als belastbare grondslag heeft.

6. Op grond van die vaststelling hebben de appelrechters naar recht kunnen oordelen dat het belastingreglement ten aanzien van organisatoren die onderwor-pen zijn aan de personen- of vennootschapsbelasting, strijdig is met artikel 464, 1°, WIB92.

Het onderdeel kan in zoverre niet worden aangenomen.

7. In zoverre het onderdeel schending aanvoert van de overige in het middel aangewezen wetsbepalingen, waaronder de artikelen 10, 11 en 172 Grondwet, is het afgeleid en bijgevolg niet ontvankelijk.

Tweede onderdeel

8. Het onderdeel komt op tegen de uitleg door de appelrechters van een ge-meentelijk belastingreglement.

In zoverre het onderdeel schending aanvoert van de artikelen 1319, 1320 en 1322 Burgerlijk Wetboek, die geen verband houden met de interpretatie van normen van reglementaire aard, is het niet ontvankelijk.

9. De door een hogere rechtsnorm veroorzaakte onmogelijkheid om een ge-meentelijke belasting te heffen op een bepaalde categorie van belastingplichtigen, tast de toepasbaarheid van het gemeentelijk belastingreglement op de overige be-lastingplichtigen slechts aan indien ze een wezenlijk impact heeft op de belasting-heffing in haar geheel.

10. Uit het antwoord op het eerste onderdeel blijkt dat indien de gemeente er-voor opteert om een belasting op concerten en voorstellingen te heffen op de bru-to-inkomsten van organisatoren, dit tot gevolg heeft dat de belasting niet toepas-baar is op een groot aantal belastingplichtigen ingevolge de verbodsbepaling van artikel 464, 1°, WIB92.

11. De omstandigheid dat het betrokken belastingreglement door de keuze van de bruto-inkomsten als belastbare grondslag te dezen slechts van toepassing kan zijn op organisatoren die onderworpen zijn aan de rechtspersonenbelasting, leidt tot een ongelijke behandeling met organisatoren die aan de personen- en vennoot-schapsbelasting onderworpen zijn.

Indien er sprake is van een ongeoorloofde discriminatie in combinatie met de ver-bodsbepaling van artikel 464, 1°, WIB92 is de rechter ertoe gehouden op grond van artikel 159 Grondwet het gemeentelijk belastingreglement buiten toepassing te laten ten aanzien van belastingplichtigen onderworpen aan de rechtspersonen-belasting.

12. De appelrechters oordelen dat:

- het belastingreglement ten aanzien van de organisatoren die onderworpen zijn aan de personen- en vennootschapsbelasting strijdig is met artikel 464, 1°, WIB92;

- de opbrengsten van de organisatie van de concerten in de rechtspersonenbelas-ting niet worden belast, nu zij rechtstreeks noch onrechtstreeks kunnen worden ondergebracht in een van de categorieën inkomsten die deel uitmaken van de grondslag van de rechtspersonenbelasting volgens de artikelen 221 tot 224 WIB92;

- dit tot gevolg heeft dat de aan de rechtspersonenbelasting onderworpen rechts-personen, waaronder een vzw, die concerten of commerciële film- of video-voorstellingen organiseren, wel aan de gemeentebelasting onderworpen zijn;

- het doel van de belasting ingegeven werd door een financieel oogmerk en ver-band houdt met de hoge kosten die worden veroorzaakt door de veiligheids-voorzieningen zoals het paraat houden van de veiligheidskorpsen;

- er geen enkele verantwoording bestaat voor de verschillende behandeling naar-gelang de aard of de rechtsvorm van de organisator van dergelijke evenemen-ten.

13. De appelrechters die op grond van die redenen het belastingreglement we-gens strijdigheid met het grondwettelijk gelijkheidsbeginsel buiten toepassing la-ten ten aanzien van een belastingplichtige onderworpen aan de rechtspersonenbe-lasting, schenden geen van de in het onderdeel aangewezen wetsbepalingen.

Het onderdeel kan niet worden aangenomen.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiseres tot de kosten.

Bepaalt de kosten voor de eiseres op 306,62 euro.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samen-gesteld uit afdelingsvoorzitter Eric Dirix, als voorzitter, en de raadsheren Alain Smetryns, Koen Mestdagh, Geert Jocqué en Bart Wylleman, en op de openbare rechtszitting van 13 februari 2014 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Eric Di-rix, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Thijs, met bijstand van griffier Frank Adriaensen.

F. Adriaensen B. Wylleman G. Jocqué

K. Mestdagh A. Smetryns E. Dirix

Vrije woorden

  • Bevoegdheid tot belastingheffing

  • Verboden gelijkaardige belasting