- Arrest van 14 februari 2014

14/02/2014 - C.12.0460.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Het arrest schendt artikel 2 van het Burgerlijk Wetboek niet en miskent evenmin het algemeen rechtsbeginsel van de niet-terugwerkende kracht van de wetten, wanneer het overweegt dat het decreet van 12 februari 2004 betreffende de tarifering en de algemene voorwaarden van de openbare waterdistributie in het Waalse Gewest en het decreet van 27 mei 2004 betreffende het Milieuwetboek, dat het Waterwetboek inhoudt, onmiddellijk van toepassing zijn op de rechtsverhouding tussen de partijen, die ontstaan is onder vigeur van de vroegere wet maar voortduurt onder vigeur van de voormelde decreten (1). (1) Het Hof heeft, gelet op de reglementaire aard van de rechtsverhouding tussen de partijen, waarop de regel van toepassing is volgens welke een nieuwe wet, in de regel, niet alleen van toepassing is op de toestanden die na haar inwerkingtreding ontstaan, maar ook op de toekomstige gevolgen van de onder de vroegere wet ontstane toestanden die zich voordoen of voortduren onder vigeur van de nieuwe wet, voor zover die toepassing geen afbreuk doet aan reeds onherroepelijk vastgestelde rechten, een substitutie van motieven gedaan, op grond dat een foutieve rechtsgrond vervangen moest worden door een ter zake dienende rechtsgrond; zie, in dezelfde zin, voor de levering van elektriciteit, Cass. 4 dec. 2000, AR C.99.0095.F, AC 2000, nr. 664.

Arrest - Integrale tekst

Nr. C.12.0460.F

1. A. F.,

2. F V. en

3. N R.,

Mr. François T'Kint, advocaat bij het Hof van Cassatie.

tegen

INTERCOMMUNALE NAMUROISE DE SERVICES PUBLICS cvba,

Mr. Michèle Grégoire, advocaat bij het Hof van Cassatie.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Luik van 13 december 2011.

Raadsheer Didier Batselé heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal André Henkes heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDEL

De eisers voeren volgend middel aan.

Geschonden wettelijke bepalingen

- de artikelen 2, 6 en 1131 van het Burgerlijk Wetboek ;

- de artikelen D.181 en D.233 van het decreet van het Waalse Gewest van 27 mei 2004 betreffende het Milieuwetboek, dat het Waterwetboek inhoudt;

- de artikelen 1, 2, 21, 27 en 29 van het decreet van het Waalse Gewest van 12 februari 2004 betreffende de tarifering en de algemene voorwaarden van de openbare waterdistributie in het Waalse Gewest.

Aangevochten beslissingen

Het arrest, dat het beroepen vonnis wijzigt, verklaart het hoger beroep van de verweerster gegrond, veroordeelt de eerste eiseres, hoofdelijk en ondeelbaar met O. V., om aan de verweerster het bedrag van 13.261,07 euro te betalen, vermeerderd met de interest tegen de wettelijke interestvoet vanaf de datum van inleiding van de procedure tot de algehele betaling, veroordeelt de eisers hoofdelijk en ondeelbaar om aan de verweerster het bedrag van 4.127,21 euro te betalen, vermeerderd met de interest tegen de wettelijke interestvoet vanaf de datum van inleiding van de procedure tot de algehele betaling, en veroordeelt hen hoofdelijk en ondeelbaar tot betaling van de kosten van de twee aanleggen, om de volgende redenen:

"De betrekkingen tussen de eigenaar van een pand en de rechtspersonen die hem van stromend water voorzien, zijn vastgelegd in een toetredingsovereenkomst waarvan het bestaan ipso facto wordt afgeleid uit het bestaan van een aansluiting. Die overeenkomst valt onder de toepassing van een reglementering van openbare orde, die de rechten en verplichtingen van de partijen vastlegt. De argumentatie die [de eisers] naar voren brengen in de punten 1.1, 1.2 en 1.3 van hun conclusie is in dat opzicht misleidend en kan niet worden aangenomen.

De eerste rechter wijst terecht erop dat ‘in dit geval, enkel de vraag moet worden gesteld of die reglementaire bepalingen al dan niet een hoofdelijkheid tussen eigenaar en huurder invoeren wat betreft de schulden die voortvloeien uit facturen van watervoorziening'.

[De verweerster] grondt haar vordering tegen [de eisers] wat dat betreft op de artikelen D.223 (lees: D.233) en D.270bis, 5°, van het Waterwetboek.

[De eisers] voeren ten onrechte het middel van niet-toepasselijkheid van die artikelen aan, op grond van artikel 27 van het decreet van 12 februari 2004, dat de voormelde artikelen van het Waterwetboek in de wetgeving invoert. Artikel 27, luidens hetwelk ‘de op 1 juli 2003 lopende specifieke overeenkomsten van toepassing blijven', zou volgens hen betekenen dat enkel de overeenkomsten van na 1 juli 2003 onder de toepassing van dat decreet vallen, en dat, zo beweren zij, is niet het geval voor de overeenkomst die O.V. heeft gesloten op 1 mei 2001. Dat artikel 27 betreft uitsluitend de ‘specifieke overeenkomsten', dat wil zeggen de bijzondere overeenkomsten die gesloten zijn met de industriële grootverbruikers of nog met gemeenten of publieke rechtspersonen. De overeenkomst aangegaan door O.V. valt niet binnen een van die categorieën van specifieke overeenkomsten. Het decreet van 12 februari 2004 is te dezen dus wel degelijk van toepassing".

Grieven

Hoewel een nieuwe wet, in de regel, niet alleen van toepassing is op de toestanden die na haar inwerkingtreding ontstaan, maar ook op de toekomstige gevolgen van de onder de vroegere wet ontstane toestanden die zich voordoen of voortduren onder vigeur van de nieuwe wet, voor zover die toepassing geen afbreuk doet aan reeds onherroepelijk vastgestelde rechten, wordt ter zake van overeenkomsten aangenomen dat de vroegere wet van toepassing blijft tenzij de nieuwe wet van openbare orde is of uitdrukkelijk bepaalt dat ze van toepassing is op de lopende overeenkomsten. Dat algemeen rechtsbeginsel van de niet-terugwerkende kracht van de wet is vastgelegd in artikel 2 van het Burgerlijk Wetboek.

Alleen de wet die de essentiële belangen van de Staat of van de gemeenschap raakt of die, in het privaat recht, de juridische grondslagen vastlegt waarop de economische of morele orde van de maatschappij rust, is van openbare orde. In dat opzicht wordt aangenomen dat een aangelegenheid die de Staat of de maatschappij aanbelangt, niet per se de openbare orde raakt of dat alle regels die op die aangelegenheid van toepassing zijn, daarom dat karakter hebben. Zo worden, in publiek en administratief recht, als wetten van openbare orde aangemerkt, de wetten die betrekking hebben op de vaststelling en de inning van belastingen, het muntstelsel, de bevoegdheden van de Staat, de besturen, de administratieve en de gerechtelijke overheden, het strafrecht en de strafrechtspleging, de administratieve organisatie van de beroepen, de organisatie en de toepassing van de grond-wettelijke vrijheden, de maatregelen van economisch beleid en, in privaatrecht, de wetten die betrekking hebben op de staat en de bekwaamheid van de personen, de sociale zekerheid, de arbeidsongevallen en de beroepsziekten, de tienjarige aansprakelijkheid van architecten en aannemers, het recht van verdediging, het faillissement, de reorganisatie en de continuïteit van de ondernemingen.

Dat geldt niet voor de regels die van toepassing zijn op de commerciële en economische betrekkingen tussen de waterdistributiemaatschappijen en de "abonnees" en die een hoofdelijkheid opleggen tussen de werkelijke gebruiker en de eigenaar van de panden waar het waterverbruik plaatsvindt. Die regels hebben niet tot doel de essentiële belangen van de Staat te beschermen maar dienen enkel de belangen van de distributiemaatschappijen en houden geen verband met de economische en morele orde van de maatschappij.

Artikel D.181 van het Waalse decreet van 27 mei 2004 en artikel 1 van het Waalse decreet van 12 februari 2004 beperken zich ertoe "de abonnee" te omschrijven als "elke houder van een recht van eigendom, vruchtgebruik, blote eigendom, gebruik, woning, oppervlakte, erfpacht op een gebouw dat op de openbare distributie aangesloten is", "de verbruiker" als "elke persoon die het genot heeft van het door een leverancier beschikbaar gestelde water" en "de gebruiker" als "elke persoon die voor openbare waterdistributie in aanmerking komt als bewoner van een aangesloten gebouw".

Artikel D.233 van het decreet van 27 mei 2004 en artikel 21 van het decreet van 12 februari 2004 bepalen dat, in beginsel, "de abonnee", wanneer hij niet "de gebruiker" of "de verbruiker" is, niet hoofdelijk en ondeelbaar gehouden kan worden tot betaling van de schulden van laatstgenoemde, voor zover hij bepaalde elementen kan aantonen, namelijk dat hij de verdeler kennis heeft gegeven van de wijziging van bewoning van het pand of nog van het feit dat "een ongewoon hoog verbruik niet te wijten is aan de staat van de private installaties".

Het arrest, dat aanneemt dat de betrekkingen tussen "de abonnee" en de verdeler voortvloeien uit een overeenkomst, al is het uit een "toetredingsovereenkomst", maar beslist dat het gehele Waalse Waterwetboek, en inzonderheid de regel volgens welke de eigenaar of de houder van een zakelijk recht op het goed waar het verbruik plaatsvindt hoofdelijk gehouden is tot de betaling van die kost, ook al heeft hij hiermee niets te maken, van openbare orde is, miskent het begrip openbare orde, zoals het met name is vastgelegd in de artikelen 6 en 1131 van het Burgerlijk Wetboek, en schendt de artikelen D.181, D.233 van het Waalse decreet van 27 mei 2004 en 1, 2 en 21 van het Waalse decreet van 12 februari 2004.

Daarenboven bevatten noch het decreet van 27 mei 2004 noch het decreet van 12 februari 2004 bepalingen krachtens welke die decreten van toepassing zouden zijn op de bij hun inwerkingtreding lopende overeenkomsten.

Integendeel, artikel 27 van het decreet van 12 februari 2004 wijst erop dat « de op 1 juli 2003 lopende specifieke overeenkomsten van toepassing blijven".

Dat artikel omschrijft niet wat het onder "specifieke overeenkomsten" verstaat en geen enkele bepaling van dat decreet biedt dienaangaande enige verduidelijking. Het artikel bepaalt hoegenaamd niet dat het uitsluitend overeenkomsten met industriëlen, gemeenten of publieke rechtspersonen betreft.

Het arrest, dat beslist dat artikel 27 van het decreet van 12 februari 2004 niet van toepassing is op het abonnement van O.V. en op de aansluiting van het pand van de eisers, omdat het voormelde artikel enkel van toepassing zou zijn op de grootverbruikers, de gemeenten en de publieke rechtspersonen, voegt aan die bepaling een toepassingsvoorwaarde toe die zij niet bevat en schendt ze dus.

Zelfs al was artikel 27 van het decreet van 12 februari 2004 niet op dit geval van toepassing, blijft het niettemin een feit dat het arrest, aangezien artikel 233 van het decreet van 27 mei 2004 en artikel 21 van het decreet van 12 februari 2004 niet van openbare orde zijn en geen van die decreten bepaalt dat ze onmiddellijk van toepassing zijn op de lopende overeenkomsten, artikel 2 van het Burgerlijk Wetboek schendt en het algemeen beginsel van de niet-terugwerkende kracht van de wetten miskent door die decreten met terugwerkende kracht toe te passen op een bij hun inwerkingtreding lopende overeenkomst.

Het arrest is zodoende niet naar recht verantwoord en schendt alle in het middel aangewezen bepalingen.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Enerzijds verduidelijkt het middel niet in hoeverre de artikelen D.181 en D.233 van het decreet van het Waalse Gewest van 27 mei 2004 betreffende het Milieu-wetboek, dat het Waterwetboek inhoudt en de artikelen 1, 2 en 21 van het decreet van het Waalse Gewest van 12 februari 2004 betreffende de tarifering en de alge-mene voorwaarden van de openbare waterdistributie in het Waalse Gewest zouden zijn geschonden.

Anderzijds is de rechtsverhouding tussen de eigenaar van een pand en de verdeler van een openbare dienst, zoals de verweerster, die water verdeelt, vastgelegd in een publiekrechtelijk reglement en is ze derhalve reglementair en niet contractueel.

Het arrest overweegt dat "de betrekkingen tussen de eigenaar van een pand en de rechtspersonen die hem van stromend water voorzien, zijn vastgelegd in een toe-tredingsovereenkomst waarvan het bestaan ipso facto wordt afgeleid uit het be-staan van een aansluiting".

Het Hof dient een foutieve rechtsgrond te vervangen door een andere rechtsgrond.

Hoewel de eisers terecht aanvoeren dat, enerzijds, de bepalingen van de in het middel bedoelde Waalse decreten van 12 februari en 27 mei 2004 ertoe strekken de commerciële betrekkingen tussen de waterdistributiemaatschappijen en hun abonnees te regelen en dat, anderzijds, geen van de twee decreten bepalingen be-vat die hen onmiddellijk van toepassing maken op de lopende overeenkomsten, kan uit het reglementair karakter van de rechtsverhouding tussen de partijen niet-temin worden afgeleid dat hierop de regel van toepassing is volgens welke een nieuwe wet, in de regel, niet alleen van toepassing is op de toestanden die na haar inwerkingtreding ontstaan, maar ook op de toekomstige gevolgen van de onder de vroegere wet ontstane toestanden die zich voordoen of voortduren onder vigeur van de nieuwe wet, voor zover die toepassing geen afbreuk doet aan reeds onher-roepelijk vastgestelde rechten.

Het arrest, dat overweegt dat de decreten van 12 februari en 27 mei 2004 onmid-dellijk van toepassing zijn op de rechtsverhouding tussen de eisers en de verweer-ster, die ontstaan is onder vigeur van de vroegere wet maar voortduurt onder vi-geur van de voormelde decreten, schendt artikel 2 van het Burgerlijk Wetboek niet en miskent evenmin het algemeen rechtsbeginsel van de niet-terugwerkende kracht van de wetten.

Het middel is in zoverre niet ontvankelijk.

Hoewel het voor het overige klopt dat noch artikel 27 van het decreet van 12 fe-bruari 2004 noch enig andere bepaling van dat decreet de uitdrukking "specifieke overeenkomsten" omschrijven, legt het arrest die uitdrukking, overeenkomstig de parlementaire voorbereiding van het decreet, in die zin uit dat ze enkel betrekking heeft op de overeenkomsten die gesloten zijn met de grootverbruikers, de gemeen-ten en de publiekrechtelijke rechtspersonen, en schendt het aldus het voormelde artikel 27 niet.

Het middel, in zoverre het ontvankelijk is, kan niet worden aangenomen.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eisers tot de kosten.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel, door voor-zitter Christian Storck, de raadsheren Didier Batselé, Martine Regout, Marie-Claire Ernotte en Sabine Geubel, en in openbare terechtzitting van 14 februari 2014 uitgesproken door voorzitter Christian Storck, in aanwezigheid van advo-caat-generaal André Henkes, met bijstand van griffier Patricia De Wadripont.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van raadsheer Koenraad Moens en overge-schreven met assistentie van griffier Johan Pafenols.

De griffier, De raadsheer,

Vrije woorden

  • Werking in de tijd

  • Waalse decreten van 12 februari en 27 mei 2004

  • Waterdistributie in het Waalse gewest

  • Waterwetboek

  • Geldende rechtsverhouding

  • Onmiddellijke toepassing