- Arrest van 17 februari 2014

17/02/2014 - C.13.0340.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

Als blijkt dat de ontvangstbevestiging van het aangetekend schrijven met het verzoekschrift tot hoger beroep voor ontvangst ondertekend werd op de zetel van de geadresseerde buitenlandse vennootschap en laatstgenoemde de aangetekende brieven met ontvangstbevestiging geweigerd heeft waarin haar een vertaling in het Nederlands van dat verzoekschrift tot hoger beroep werd toegezonden en ook de door het hof van beroep gewezen beschikking met een kalender voor de indiening van de conclusies en tot vaststelling van de rechtsdag, volgt daaruit dat de akte van hoger beroep wel degelijk aan de voornoemde vennootschap werd overhandigd en dat zij op regelmatige wijze voor het hof van beroep werd opgeroepen, volgens de wijze van kennisgeving, via de postdiensten, bepaald bij artikel 14 van de verordening (EG) nr. 1393/2007 van het Europees Parlement en de Raad van 13 november 2007 inzake de betekening en de kennisgeving in de lidstaten van gerechtelijke en buitengerechtelijke stukken, zodat de eiseres tijdig haar verdediging heeft kunnen verzekeren.


Arrest - Integrale tekst

Nr. C.13.0340.F

AUTOMONTAGEBEDRIJF ALTIJD RAAK PENDERS (DE)MONTAGE, vennootschap naar Nederlands recht,

Mr. Beatrix Vanlerberghe, advocaat bij het Hof van Cassatie,

tegen

1. O. C.,

2. AUTO MOTO LUX bvba.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Luik van 20 september 2012.

De zaak werd bij beschikking van 30 januari 2014 door de eerste voorzitter ver-wezen naar de derde kamer.

Raadsheer Michel Lemal heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal met opdracht Michel Palumbo heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDEL

De eiseres voert een middel aan dat luidt als volgt:

Geschonden wettelijke bepalingen

- de artikelen 1-15 en 19 van de Verordening (EG) nr. 1348/2000 van de Raad van 29 mei 2000 inzake de betekening en de kennisgeving in de lidstaten van gerechtelijke en buitengerechtelijke stukken in burgerlijke en handelszaken.

- de artikelen 1-15 en 19 van de Verordening nr. 1393/2007 van het Europees Parlement en van de Raad van 13 november 2007 inzake de betekening en de kennisgeving in de lidstaten van gerechtelijke en buitengerechtelijke stukken in burgerlijke of in handelszaken ("de betekening of kennisgeving van stukken"), en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1348/2000 van de Raad;

- artikel 26 van de Verordening (EG) nr. 44/2001 van de Raad van 22 december 2000 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken;

- algemeen rechtsbeginsel van het recht van verdediging.

Aangevochten beslissingen

Op de vordering die de verweerder tegen de eiseres heeft ingesteld, bevestigt het arrest het beroepen vonnis met de wijziging dat de eiseres daarbovenop veroor-deeld wordt om vanaf 22 augustus 2007 verwijlinterest te betalen tegen de wettelijke interestvoet op 12.225,49 euro tot de volledige betaling en 1.100 euro voor de kosten van het hoger beroep, om de redenen vermeld op de pagina's 4 tot 7 van het bestreden arrest die worden verondersteld hier volledig te zijn weergegeven.

Wat de rechtspleging betreft, oordeelt het hof van beroep als volgt:

"de eiseres is niet verschenen op de zitting van 22 mei 2012 waarop het onderzoek van de zaak werd vastgesteld volgens de beschikking van het hof van 19 mei 2011 met toepassing van de artikelen 747, 748 en 748bis, Gerechtelijk Wetboek. Er zal uitspraak op tegenspraak worden gedaan jegens haar".

Grieven

Artikel 1 van Verordening (EG) nr. 1348/2000 bepaalt dat zij van toepassing is in burgerlijke en handelszaken wanneer gerechtelijke of buitengerechtelijke stukken van een lidstaat naar een andere lidstaat moeten worden gezonden ten behoeve van betekening of kennisgeving. De verordening is niet van toepassing indien het adres van degene voor wie het stuk bestemd is, onbekend is. Voor zoveel nodig wordt dezelfde bepaling hernomen bij artikel 1 van de Verordening (EG) nr. 1393/2007.

Uit die bepalingen volgt dat zodra de geadresseerde in het buitenland verblijft, de betekening of kennisgeving van die akte noodzakelijk onder het toepassingsgebied valt van Verordening nr. 1348/2000 en, vanaf 13 november 2008, van Verordening nr. 1393/2007 en bijgevolg moet gebeuren op de wijze waarin de verordening voorziet. De Verordening nr. 1348/2000 bepaalt bij de artikelen 2 tot 15, de wijzen van toezending van gerechtelijke stukken, die als enige geldende zijn vastgelegd in het door de verordening bepaald stelsel. Voor zoveel nodig worden die wijzen van toezending eveneens als geldend hernomen bij de artikelen 2 tot 15 van Verordening nr. 1393/2007.

Artikel 19 van Verordening nr. 1348/2000 (en voor zoveel nodig artikel 19 van Verordening nr. 193/2007) bepaalt dat wanneer een stuk dat het geding inleidt of een daarmee gelijk te stellen stuk overeenkomstig de bepalingen van deze verordening ter betekening of kennisgeving naar een andere lidstaat moest worden gezonden en de verweerder niet is verschenen, de rechter de beslissing aanhoudt tot gebleken is dat:

a) hetzij van het stuk betekening of kennisgeving is gedaan met inachtneming [van de in de wetgeving] van de aangezochte lidstaat voorgeschreven vormen voor de betekening of kennisgeving van stukken die in dat land zijn opgemaakt en voor zich op het grondgebied van dat land bevindende personen bestemd zijn;

b) hetzij het stuk daadwerkelijk is afgegeven aan de verweerder in persoon of aan zijn woonplaats op een andere in deze verordening geregelde wijze;

en dat de betekening of kennisgeving respectievelijk de afgifte voldoende tijdig is geschied dat de verweerder gelegenheid heeft gehad verweer te voeren.

Indien het adres van degene voor wie het stuk bestemd is, onbekend is, zijn de voormelde bepalingen niet van toepassing en moet artikel 26 van Verordening nr. 44/2001 worden toegepast dat bepaalt dat wanneer de verweerder met woonplaats op het grondgebied van een lidstaat voor een gerecht van een andere lidstaat wordt opgeroepen en niet verschijnt, het gerecht zich ambtshalve onbevoegd verklaart indien zijn bevoegdheid niet berust op deze verordening. Het gerecht is verplicht zijn uitspraak aan te houden zolang niet vaststaat dat de verweerder in de gelegenheid is gesteld het stuk dat het geding inleidt of een gelijkwaardig stuk, zo tijdig als met het oog op zijn verdediging nodig was, te ontvangen, of dat daartoe al het nodige is gedaan.

Uit artikel 19 van Verordening (EG) nr. 1348/2000 (en voor zoveel nodig 19 van Verordening nr. 1393/2007) en 26 van Verordening nr. 44/2001 volgt dat een bevoegd gerecht de rechtspleging enkel geldig kan voortzetten, in geval niet bewezen is dat de verweerder in staat werd gesteld de akte die het geding inleidt te ontvangen, als alle nodige maatregelen genomen zijn om hem toe te laten zich te verdedigen. Het geadieerde gerecht moet zich ervan vergewissen dat alle nodige opzoekingen, geboden door de waakzaamheid en goede trouw om de genoemde verweerder te vinden, zijn verricht.

Hier blijkt uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan dat deze zaak de contractuele aansprakelijkheid betreft en dat de gedinginleidende dagvaarding voor betekening aan Nederland moest zijn overgezonden en dat de bepalingen, en meer bepaald artikel 19, van Verordening nr. 1348/2000 hier bijgevolg van toepassing zijn. Het hof van beroep stelt nog vast dat de eiseres sinds de aanvang van de rechtspleging niet verschenen is;

Toch blijkt uit geen enkele overweging van het arrest dat het hof van beroep zich ervan vergewist heeft dat alle nodige opzoekingen geboden door de waakzaamheid en goede trouw werden verricht om de eiseres te vinden en haar toe te laten zich te verdedigen.

Daaruit volgt dat het hof van beroep heeft vastgesteld dat de eiseres sinds de aanvang van de procedure niet verschenen is, de procedure heeft voortgezet en de eiseres heeft veroordeeld tot betaling van een vergoeding, zonder zich ervan te vergewissen dat alle nodige opzoekingen geboden door de waakzaamheid en goede trouw werden verricht om de eiseres te vinden, en bijgevolg de artikelen 19 van de Verordening nr. 1348/2000 (en voor zoveel nodig 19 van Verordening nr. 1393/2007) en 26 van Verordening nr. 44/2001 schendt en ook het algemeen rechtsbeginsel van het recht van verdediging miskent.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Enerzijds blijkt uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan dat de ont-vangstbevestiging van het aangetekend schrijven met het verzoekschrift tot hoger beroep voor ontvangst ondertekend werd op de zetel van de eiseres op 20 april 2011 en laatstgenoemde de aangetekende brieven met ontvangstbevestiging ge-weigerd heeft waarin haar een vertaling in het Nederlands van dat verzoekschrift tot hoger beroep werd toegezonden en ook de door het hof van beroep op 19 mei 2011 gewezen beschikking, met toepassing van artikel 747, § 2, Gerechtelijk Wetboek, met een kalender voor de indiening van de conclusies en tot vaststelling van de rechtsdag op 22 mei 2012.

Daaruit volgt dat de akte van hoger beroep, in tegenstelling tot hetgeen het middel veronderstelt, wel degelijk aan de eiseres werd overhandigd en dat zij op regelma-tige wijze voor het hof van beroep werd opgeroepen, volgens de wijze van ken-nisgeving, via de postdiensten, bepaald bij artikel 14 van Verordening (EG) nr. 1393/2007 van het Europees Parlement en de Raad van 13 november 2007 inzake de betekening en de kennisgeving in de lidstaten van gerechtelijke en buitenge-rechtelijke stukken, zodat de eiseres tijdig haar verdediging heeft kunnen voeren.

Anderzijds was bij het hof van beroep geen hoger beroep aanhangig tegen het vonnis van 18 oktober 2007 waarin de vordering van de verweerder tegen de eise-res ontvankelijk werd verklaard.

De appelrechter moest bijgevolg niet nagaan of de betekening, aan de eiseres, van de gedinginleidende dagvaarding van de rechtbank van eerste aanleg regelmatig was.

Het middel kan niet worden aangenomen.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiseres tot de kosten.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, derde kamer, te Brussel, door afde-lingsvoorzitter Albert Fettweis, de raadsheren Didier Batselé, Martine Regout, Mireille Delange en Michel Lemal, en in openbare terechtzitting van 17 februari 2014 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Albert Fettweis, in aanwezigheid van advocaat-generaal met opdracht Michel Palumbo, met bijstand van griffier Lutgarde Body.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van raadsheer Antoine Lievens en over-geschreven met assistentie van griffier Johan Pafenols.

De griffier, De raadsheer,

Vrije woorden

  • Burgerlijke zaken

  • Betekening en kennisgeving in de lidstaten

  • Verordening (EG) nr. 1393/2007

  • Toepassing

  • Aangetekend schrijven

  • Ontvangstbevestiging door de in het buitenland verblijvende geadresseerde