- Arrest van 18 februari 2014

18/02/2014 - P.13.0808.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Krachtens artikel 479 Wetboek van Strafvordering bezit de procureur-generaal bij het hof van beroep de exclusieve bevoegdheid om de strafvordering tegen de titularis van het voorrecht van rechtsmacht in te stellen; zolang de procureur-generaal geen gerechtelijk onderzoek gevorderd heeft of rechtstreekse dagvaarding heeft uitgebracht tegen de titularis van het voorrecht van rechtsmacht, blijven de gewone regels inzake bevoegdheid en rechtspleging op zijn eventuele mededaders of medeplichtigen van toepassing (1). (1) Cass. 19 jan. 1988, AC 1987-88, nr. 304.

Arrest - Integrale tekst

Nr. P.13.0808.N

I

S C,

burgerlijke partij,

eiser,

met als raadslieden mr. Hans Van Bavel en mr. Dirk Libotte, beiden advocaat bij de balie te Brussel,

tegen

1. J F Y S,

inverdenkinggestelde,

2. B V D B,

inverdenkinggestelde,

3. J J N I D C,

inverdenkinggestelde,

vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 2000 Antwerpen, Amerikalei 187/302, waar de verweerder woonplaats kiest,

verweerders.

II

1. H K,

burgerlijke partij,

2. A K G,

burgerlijke partij,

eisers,

met als raadslieden mr. Raf Verstraeten en mr. Benjamin Gillard, beiden advocaat bij de balie te Brussel, en mr. Chris Declerck, advocaat bij de balie te Kortrijk, met kantoor te 8530 Harelbeke, Kortrijksesteenweg 387, waar de eisers woonplaats kiezen,

tegen

1. J D C, reeds vermeld,

inverdenkinggestelde,

vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 2000 Antwerpen, Amerikalei 187/302, waar de verweerder woonplaats kiest,

2. M M J Y V D W,

inverdenkinggestelde,

vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 2000 Antwerpen, Amerikalei 187/302, waar de verweerster woonplaats kiest,

3. R M C V,

inverdenkinggestelde,

4. J F Y S, reeds vermeld,

inverdenkinggestelde,

verweerders.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel, kamer van inbeschuldigingstelling, van 27 maart 2013, op verwijzing gewezen ingevolge het arrest van het Hof van 13 maart 2012.

De eiser I voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan.

De eisers II voeren in een memorie die aan dit arrest is gehecht, eveneens een middel aan.

Afdelingsvoorzitter Luc Van hoogenbemt heeft verslag uitgebracht.

Plaatsvervangend advocaat-generaal Marc De Swaef heeft geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Middel van de eiser I

1. Het middel voert schending aan van de artikelen 227, 479, 482bis en 503bis Wetboek van Strafvordering: het arrest bevestigt de beslissing van de raadkamer die beslist heeft acht onderzoeken te voegen bij het oorspronkelijke dossier en zich vervolgens onbevoegd heeft verklaard kennis te nemen van de vorderingen tot verwijzing gelet op de vaststelling dat één van de inverdenkinggestelden de hoedanigheid had verkregen van plaatsvervangend rechter; samenhang kan enkel worden aangenomen voor zover een gelijktijdige behandeling van de verschillende strafvorderingen mogelijk is; de rechter die een vordering bij zich krijgt die tot zijn bevoegdheid behoort, te dezen de vordering tot verwijzing van de verweerders, kan zich niet onbevoegd verklaren door de samenhang in te roepen met feiten waarvoor hij niet bevoegd is, te dezen de vordering tot verwijzing van een persoon die een hoedanigheid, omschreven in artikel 479 Wetboek van Strafvordering, heeft verworven.

2. Vanaf het ogenblik dat een gerechtelijk onderzoek dat op gang werd ge-bracht ingevolge een burgerlijke partijstelling of een vordering vanwege de procu-reur des Konings, een feit tot voorwerp heeft waarvan een persoon die een ambt vervult, zoals bedoeld in de artikelen 479 tot 484 Wetboek van Strafvordering, verdacht wordt, kan de onderzoeksrechter geen daden van onderzoek verrichten die gericht zijn op de inverdenkingstelling van de titularis van het voorrecht van rechtsmacht.

Indien die persoon in de loop van het gerechtelijk onderzoek die hoedanigheid verwerft, houdt de strafvordering die tegen hem werd ingesteld, op te bestaan.

Het onderzoeksgerecht dat behoudens in geval van verwijzing naar het hof van as-sisen niet bevoegd is de rechtspleging te regelen betreffende een wanbedrijf of misdaad, gepleegd door een titularis van het voorrecht van rechtsmacht, zal in voorkomend geval de onderzoeksrechter ontlasten van zijn onderzoek wat de titu-laris van het voorrecht van rechtsmacht betreft en de zaak overmaken aan de pro-cureur des Konings om te handelen als naar recht.

Krachtens artikel 479 Wetboek van Strafvordering bezit de procureur-generaal de exclusieve bevoegdheid om de strafvordering tegen de titularis van het voorrecht van rechtsmacht in te stellen. Hij kan hetzij een gerechtelijk onderzoek vorderen tegen de titularis van het voorrecht van rechtsmacht en eventueel tegen de daders of deelnemers van hetzelfde misdrijf of van andere daarmee samenhangende mis-drijven, hem al dan niet samen met voormelde personen voor het hof van beroep daarvoor dagvaarden of beslissen de titularis van dit voorrecht niet te vervolgen.

Zolang de procureur-generaal zoals hier geen gerechtelijk onderzoek gevorderd heeft of rechtstreekse dagvaarding heeft uitgebracht tegen de titularis van het voorrecht van rechtsmacht, blijven de gewone regels inzake bevoegdheid en rechtspleging op zijn eventuele mededaders of medeplichtigen van toepassing. Het oorspronkelijke gerechtelijk onderzoek kan alsdan ten aanzien van die perso-nen verdergezet worden door de onderzoeksrechter en het onderzoeksgerecht zal bij het einde van dat gerechtelijk onderzoek de rechtspleging dienen te regelen.

3. Samenhang tussen verschillende misdrijven onderstelt dat deze voor samen-voeging en gelijktijdige behandeling vatbaar zijn.

Uitbreiding van bevoegdheid wegens samenhang veronderstelt dat de strafvorde-ring is ingesteld voor de verschillende samengevoegde of samen te voegen feiten en dat die strafvorderingen regelmatig bij de bevoegde rechter aanhangig zijn ge-maakt.

4. Het arrest stelt vast dat de raadkamer zich onbevoegd heeft verklaard om de rechtspleging te regelen betreffende J V C, te weten een persoon die één van de hoedanigheden heeft verkregen omschreven in artikel 479 Wetboek van Strafvor-dering. Het oordeelt verder: "Nu blijkt dat de acht samengevoegde onderzoeken alle betrekking hebben op misdrijven die - indien deze zouden bewezen blijken - werden gepleegd naar aanleiding of in de uitvoering van het oorspronkelijke on-derzoek BR21.11.712/90 (427/90), moet worden vastgesteld dat de in de samen-gevoegde dossiers onderzochte misdrijven samenhangend zijn met deze die het voorwerp uitmaken van het oorspronkelijke onderzoek en dat een goede rechtsbe-deling vereist dat de daders ervan zouden worden vervolgd voor dezelfde straf-rechtbank."

5. Het arrest dat aldus de samenhang aanneemt tussen eensdeels de misdrijven waarvan de verweerders verdacht worden en anderdeels de misdrijven waarvan de titularis van het voorrecht van rechtsmacht verdacht wordt en waarvoor geen strafvordering meer is ingesteld en zich onbevoegd verklaart, verantwoordt zijn beslissing niet naar recht.

Het middel is gegrond.

Middel van de eisers II in zijn geheel

6. Het eerste onderdeel voert schending aan van de artikelen 227, 479 en 482bis Wetboek van Strafvordering: het arrest oordeelt ten onrechte dat de kamer van inbeschuldigingstelling die op geldige wijze gevat is voor de regeling van de rechtspleging van bepaalde strafvorderingen wegens bepaalde feiten, de samen-hang kan aannemen van deze strafvorderingen met andere feiten lastens een titula-ris van het voorrecht van rechtsmacht, waarvoor de strafvordering nog niet geldig werd ingesteld en dat zij zich omwille van deze samenhang aldus voor de bij haar geldig aanhangig gemaakte strafvorderingen onbevoegd mag verklaren; vanaf het ontstaan van de situatie van voorrecht van rechtsmacht kan de strafvordering las-tens de titularis ervan niet verder worden uitgeoefend zolang deze niet door de procureur-generaal opnieuw wordt ingesteld; het onderzoeksgerecht dat een straf-vordering bij zich krijgt die tot zijn bevoegdheid behoort, kan zich niet onbevoegd verklaren door zelf voor het eerst de samenhang in te roepen met feiten waarvoor geen ingestelde strafvordering meer bestaat en bijgevolg evenmin met feiten die niet middels een ingestelde strafvordering bij hem aanhangig zijn.

Het tweede onderdeel voert schending aan van de artikelen 227, 479 en 482bis Wetboek van Strafvordering: het arrest bevestigt ten onrechte de beroepen be-schikking van de raadkamer in de mate waarin deze zich onbevoegd verklaarde met betrekking tot de strafvorderingen waarvoor zij geldig werd gevat en die vol-gens haar samenhang vertoonden met de eventuele misdrijven in hoofde van een titularis van het voorrecht van rechtsmacht, waarvoor zij onbevoegd was; wanneer een onderzoeksgerecht kennisneemt van een strafdossier houdende beweerde fei-ten lastens een titularis van het voorrecht van rechtsmacht, stelt het vast dat vanaf het ontstaan van de situatie van voorrecht van rechtsmacht lastens de titularis er-van de strafvordering niet meer kan worden uitgeoefend zolang deze niet door de procureur-generaal opnieuw wordt ingesteld; het onderzoeksgerecht kan geen sa-menhang aannemen tussen eensdeels de strafvorderingen die geldig bij haar aan-hangig zijn en anderdeels de beweerde misdrijven in hoofde van een titularis van het voorrecht van rechtsmacht waarvoor de strafvordering nog niet geldig is inge-steld; het is daarbij niet relevant of de situatie van voorrecht van rechtsmacht ont-staan is vóór of na de aanhangigmaking bij het onderzoeksgerecht.

7. Het middel dat in zijn geheel dezelfde strekking heeft als het middel van de eiser I, is om de redenen vermeld in het antwoord op dat middel, gegrond.

Dictum

Het Hof,

Vernietigt het betreden arrest, behalve in zoverre dit de hogere beroepen ontvan-kelijk verklaart.

Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeel-telijk vernietigde arrest.

Veroordeelt de verweerders I tot de kostevn van het cassatieberoep I.

Veroordeelt de verweerders II tot de kosten van het cassatieberoep II.

Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Brussel, kamer van in-beschuldigingstelling, anders samengesteld.

Bepaalt de kosten in het geheel op 323,44 euro waarvan op de cassatieberoepen I en II elk 126,72 euro verschuldigd is.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samen-gesteld uit afdelingsvoorzitter Paul Maffei, als voorzitter, afdelingsvoorzitter Luc Van hoogenbemt, en de raadsheren Gustave Steffens, Alain Bloch en Peter Hoet, en op de openbare rechtszitting van 18 februari 2014 uitgesproken door afdelings-voorzitter Paul Maffei, in aanwezigheid van plaatsvervangend advocaat-generaal Marc De Swaef, met bijstand van afgevaardigd griffier Véronique Kosynsky.

V. Kosynsky

P. Hoet A. Bloch

G. Steffens L. Van hoogenbemt P. Maffei

Vrije woorden

  • Instellen van de strafvordering

  • Exclusieve bevoegdheid van de procureur-generaal bij het hof van beroep

  • Gevolg voor mededaders en medeplichtingen