- Arrest van 18 februari 2014

18/02/2014 - P.12.1643.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
De rechter oordeelt onaantastbaar of een beklaagde slaagt in het weerleggen van de materiële vaststellingen van verbalisanten met een bijzondere bewijswaarde; bij die beoordeling kan de rechter ermee rekening houden dat een beklaagde, die voorhoudt dat de weerlegging van de materiële vaststellingen van de verbalisanten met een bijzondere bewijswaarde blijkt uit niet langer beschikbare documenten en stukken, vanaf het ogenblik dat hij kennis had van die materiële vaststellingen met een bijzondere bewijswaarde en dat hij wist dat hij verdacht was, niet de nodige initiatieven heeft genomen om zelf de beschikking te verkrijgen over die documenten en stukken; dit houdt geen omkering in van de bewijslast of een miskenning van het vermoeden van onschuld, het recht van verdediging en het recht op een eerlijk proces (1). (1) Zie Cass. 10 jan. 2012, NC, 2012, 383 met noot L. Huybrechts.

Arrest - Integrale tekst

Nr. P.12.1643.N

I en II

C A R C R,

beklaagde,

eiser,

vertegenwoordigd door mr. Caroline De Baets, advocaat bij het Hof van Cassatie,

tegen

1. BELGISCHE STAAT, fod Financiën, vertegenwoordigd door de minister van Financiën, met kantoor te 1000 Brussel, Wetstraat 14, voor wie optreedt de directeur der douane en accijnzen van de provincie Antwerpen, met kan-toor te 2600 Antwerpen, Ellermanstraat 21,

vervolgende partij,

vertegenwoordigd door mr. Antoine De Bruyn, advocaat bij het Hof van Cas-satie,

2. ESSO NEDERLAND bv, met zetel te 4837 DS Breda (Nederland), Graaf Engelbertlaan 75,

burgerlijke partij,

3. KUWAIT PETROLEUM bv, met zetel te 3067 PZ Rotterdam (Nederland), Prinsenlaan 633,

burgerlijke partij,

4. BP NEDERLAND vof, met zetel te 2909 LK Capelle aan den IJsel (Neder-land), Rivium Boulevard 71,

burgerlijke partij,

5. DELEK NEDERLAND bv, met zetel te 4813 DA Breda (Nederland), Prin-cenhagelaan 9,

burgerlijke partij,

6. MABANAFT Gmbh, met zetel te 20459 Hamburg (Duitsland), Admiralitäts-strasse 55,

burgerlijke partij,

verweerders.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep I is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwer-pen, correctionele kamer, van 12 september 2012 ( hierna arrest I).

Het cassatieberoep II is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwer-pen, correctionele kamer, van 14 juni 2006 (hierna arrest II).

De eiser voert met betrekking tot het arrest I in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan.

De eiser voert met betrekking tot het arrest II geen middel aan.

De eiser doet zonder berusting afstand van deze cassatieberoepen in zoverre nog niet definitief uitspraak is gedaan over de burgerlijke rechtsvordering van de ver-weersters 3 tot en met 6.

Raadsheer Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht.

Plaatsvervangend advocaat-generaal Marc De Swaef heeft geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Afstand van de cassatieberoepen

1. Het arrest II beslist niet over de burgerlijke rechtsvorderingen van de ver-weersters 3 tot en met 6.

De afstand kan niet worden verleend wat betreft het cassatieberoep II.

2. Het arrest I verleent de verweersters 3 tot en met 5 voorbehoud ten aanzien van de eiser voor de eventueel schadelijke gevolgen voortspruitende uit een ge-beurlijke toekomstige veroordeling tot betaling van de ontdoken accijnzen en de bijzondere accijnzen, het wijst het meer- of andersgevorderde af en het houdt de kosten aan.

Deze beslissing is behoudens wat betreft het aanhouden van de kosten een eindbe-slissing.

Behalve in zoverre het arrest de kosten aanhoudt, is er geen grond tot het verlenen van de afstand.

Ontvankelijkheid van de cassatieberoepen

3. Het arrest I verleent akte aan de verweerster 2 van haar afstand van vorde-ring tegen de eiser en het stelt deze afstand rechterlijk vast.

In zoverre tegen die beslissing gericht, is het cassatieberoep I bij gebrek aan belang niet ontvankelijk.

4. Het arrest II stelt vast dat de strafvordering is vervallen door verjaring en het veroordeelt de Belgische Staat tot de kosten van de strafvordering. Het beveelt de heropening van het debat teneinde het hof van beroep en de betrokken partijen toe te laten kennis te nemen van de bevindingen en de resultaten van het bij vonnis van 28 september 2005 van de correctionele rechtbank te Brussel bevolen deskundigenonderzoek, stelt de zaak daartoe vast voor verdere behandeling en houdt de beslissing over de kosten aan.

Het tegen die beslissingen gerichte cassatieberoep II is bij gebrek aan belang niet ontvankelijk.

Middel

Eerste onderdeel

5. Het onderdeel voert schending aan van artikel 6.1, 6.2 en 6.3 EVRM, artikel 870 Gerechtelijk Wetboek en artikel 1315 Burgerlijk Wetboek, alsmede misken-ning van de algemene rechtsbeginselen van het vermoeden van onschuld, de be-wijslast in strafzaken, het recht op een eerlijk proces en het recht van verdediging: het arrest I keert ten onrechte de bewijslast om en miskent zo de voormelde rech-ten van de eiser; het neemt eensdeels aan dat door het verloop van de tijd essenti-ele boekhoudkundige gegevens die strafrechtelijk in beslag waren genomen of die onder de hoede waren van de curatoren van de failliete vennootschappen, waaron-der BBH nv, verloren zijn gegaan en onbruikbaar zijn geworden; het oordeelt ech-ter anderdeels dat de eiser niet in de onmogelijkheid was het tegenbewijs te leve-ren van de vaststellingen van de verbalisanten daar hij maar de nodige voorzorgen had moeten nemen tegen dit verdwijnen en onbruikbaar worden door tijdig inzage en kopie te vragen op de griffie of bij de curatoren; uit dit oordeel volgt dat de ei-ser teneinde zijn onschuld te bewijzen ervoor moet zorgen dat bewijsmateriaal à charge en à décharge niet verloren gaat of onbruikbaar wordt.

6. Het arrest oordeelt niet dat de eiser zijn onschuld moet bewijzen, maar wel dat hij het tegenbewijs dient te leveren van de materiële vaststellingen die zijn op-genomen in de processen-verbaal en die een bijzondere bewijswaarde hebben.

In zoverre berust het onderdeel op een onjuiste lezing van het arrest en mist het feitelijke grondslag.

7. De rechter oordeelt onaantastbaar of een beklaagde slaagt in het weerleggen van de materiële vaststellingen van verbalisanten met een bijzondere bewijswaar-de.

Bij die beoordeling kan de rechter ermee rekening houden dat een beklaagde, die voorhoudt dat de weerlegging van de materiële vaststellingen van de verbalisanten met een bijzondere bewijswaarde blijkt uit niet langer beschikbare documenten en stukken, vanaf het ogenblik dat hij kennis had van die materiële vaststellingen met een bijzondere bewijswaarde en dat hij wist dat hij verdacht was, niet de nodige initiatieven heeft genomen om zelf de beschikking te verkrijgen over die docu-menten en stukken. Dit houdt geen omkering in van de bewijslast of een misken-ning van het vermoeden van onschuld, het recht van verdediging en het recht op een eerlijk proces.

In zoverre faalt het onderdeel naar recht.

Tweede onderdeel

8. Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en artikel 272 AWDA, alsmede miskenning van de algemene rechtsbeginselen van het bewijs in strafzaken en het vermoeden van onschuld: het arrest I kent ten onrechte niet al-leen een bijzondere bewijswaarde toe aan de materiële vaststellingen van de ver-balisanten, maar ook aan de door hen gedane gevolgtrekkingen; dit volgt uit het oordeel dat de eiser niet in staat is om door middel van de boekhouding van zijn vennootschappen aan te tonen dat alle transacties met de consoorten Harrison overeenstemden met "regelmatige en legale" economische activiteiten of omdat de eiser niet in staat was om het ontbreken van enige schuld in zijnen hoofde aan te tonen; het al dan niet fictief, vals of illegaal karakter van de transacties en de daaruit afgeleide schuld van de eiser aan de fraude zijn immers geen materiële vaststellingen, maar eigen gevolgtrekkingen van de verbalisanten; minstens belet het arrest I het Hof zijn wettigheidstoezicht uit te oefenen; het preciseert immers niet welke materiële vaststellingen uit de processen-verbaal door eisers bewijs van het tegendeel niet worden ontkracht.

9. Uit het met het onderdeel bekritiseerde oordeel volgt niet dat het arrest een bijzondere bewijswaarde toekent aan gevolgtrekkingen van verbalisanten. Het zijn de appelrechters die uit de materiële vaststellingen van de verbalisanten met een bijzondere bewijswaarde gevolgen afleiden.

In zoverre berust het onderdeel op een onjuiste lezing van het arrest I en mist het feitelijke grondslag.

10. De rechter die oordeelt dat een beklaagde niet het tegendeel bewijst van de door verbalisanten gedane materiële vaststellingen met een bijzondere bewijs-waarde, dient bij afwezigheid van een daartoe strekkende conclusie niet te preci-seren welke die materiële vaststellingen zijn.

In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen.

Derde onderdeel

11. Het onderdeel voert schending aan van artikel 6.2 EVRM, artikel 149 Grondwet en artikel 19 Gerechtelijk Wetboek, alsmede miskenning van het ver-moeden van onschuld: door de boekhouding van de vennootschappen van de groep Rosseel grotendeels als irrelevant te beschouwen bij de beoordeling van het door de eiser geleverde tegenbewijs omtrent het niet-frauduleus karakter van transacties, komt het arrest I terug op wat reeds definitief werd beslist met het ar-rest II als zou die boekhouding wel relevant zijn om na te gaan of de als "zwart" bestemde transacties overeenstemden met reële economische transacties; minstens is het arrest I daardoor tegenstrijdig met het arrest II; het oordeel dat de boekhou-ding van de vennootschappen van de groep Rosseel irrelevant is in het kader van bewijs en tegenbewijs van eisers schuld of onschuld omdat "zwart" per definitie niet is terug te vinden in de "officiële" boekhouding, houdt bovendien ook een vooroordeel in over eisers schuld.

12. Tegenstrijdigheid van motieven is enkel mogelijk tussen de motieven van eenzelfde beslissing. Er kan dan ook geen juridisch sanctioneerbaar motiverings-gebrek bestaan op grond van tegenstrijdigheid tussen de motieven van een beslis-sing alvorens recht te doen en van een eindbeslissing.

In zoverre het onderdeel schending aanvoert van artikel 149 Grondwet, faalt het naar recht.

13. Het arrest I (p. 39, eerste alinea) oordeelt: "Bij dit alles mag verder niet uit het oog worden verloren dat "zwart, zwart is" en dat het tot het wezen van "zwarte verrichtingen" (betalingen, aankopen, leveringen, ...) behoort dat ze buiten de officiële boekhouding worden gehouden en dat, in die zin, de problematiek met betrekking tot het niet of onvolledig voorhanden zijn van de officiële boeken en of verantwoordingsstukken, grotendeels irrelevant is."

Het arrest II (p. 13, derde en vierde alinea) oordeelt:

"Het [hof van beroep] is van oordeel dat, ook al zou de boekhouding van de ven-nootschappen van "de groep Rosseel" de gebeurlijke zwarte leveringen/invoeren niet onthullen (vermits "zwart" nu eenmaal "zwart" is), zulks niet uitsluit dat het door de correctionele rechtbank te Brussel bevolen en nog in uitvoering zijnde deskundigenonderzoek wellicht verduidelijking zal kunnen verschaffen in één of andere zin, en, onder meer, met betrekking tot:

- de vraag of de te dezen, onder meer, in verband met het "cash on hand log" boek, door de vervolgende partij en of de burgerlijke partijen aangevoerde "zwarte" betalingen in werkelijkheid al dan niet "officiële" betalingen betreffen, beantwoorden aan reële economische activiteiten en of aldus al dan niet betrekking hebben op frauduleuze invoer van de te dezen geviseerde minerale oliën;

- de aard en of omvang van de gebeurlijke transacties tussen "de groep Rosseel" en de N.V. Willo en of de B.V.B.A. Belgoswiss.

Om alle voormelde redenen acht het [hof van beroep] het noodzakelijk, alvorens verder te oordelen op civielrechtelijk gebied, dat het debat zou worden heropend teneinde het [hof van beroep] en de betrokken partijen toe te laten, zodra mogelijk, kennis te nemen van de bevindingen en de resultaten van voormeld deskundigen-onderzoek, zoals bevolen bij voormeld in kracht van gewijsde getreden vonnis van de correctionele rechtbank te Brussel de dato 28 september 2005."

14. Met het door het onderdeel bekritiseerde oordeel van het arrest I komen de appelrechters niet terug op wat reeds werd beslist met het in het arrest II vervatte oordeel.

In zoverre berust het onderdeel op een onjuiste lezing van het arrest en mist het feitelijke grondslag.

15. Het arrest oordeelt niet dat de boekhouding van de vennootschappen van de groep Rosseel irrelevant is in het kader van het bewijs en tegenbewijs van eisers schuld of onschuld. Het oordeelt wel dat de problematiek met betrekking tot het niet of onvolledig voorhanden zijn van de officiële boeken of verantwoording-stukken grotendeels irrelevant is.

In zoverre berust het onderdeel op een onjuiste lezing van het arrest en mist het feitelijke grondslag.

Dictum

Het Hof,

Verleent akte van de afstand in zoverre deze betrekking heeft op de beslissingen over het aanhouden van de burgerlijke belangen wat betreft de verweerster 6 en het aanhouden van de kosten wat betreft de burgerlijke rechtsvordering van de verweersters 3 tot 5.

Verwerpt de cassatieberoepen voor het overige.

Veroordeelt de eiser tot de kosten van de cassatieberoepen.

Bepaalt de kosten in het geheel op 291,01 euro, waarvan op het cassatieberoep I 196,65 euro verschuldigd is en op het cassatieberoep II 94,36 euro.

V. Kosynsky

A. Bloch F. Van Volsem

G. Steffens L. Van hoogenbemt P. Maffei

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, sa-mengesteld uit afdelingsvoorzitter Paul Maffei, als voorzitter, afdelingsvoorzitter Luc Van hoogenbemt, en de raadsheren Gustave Steffens, Filip Van Volsem en Alain Bloch, en op de openbare rechtszitting van 18 februari 2014 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Paul Maffei, in aanwezigheid van plaatsvervangend ad-vocaat-generaal Marc De Swaef, met bijstand van afgevaardigd griffier Véronique Kosynsky.

Vrije woorden

  • Materiële vaststellingen met een bijzondere bewijswaarde

  • Weerlegging

  • Onaantastbare beoordeling door de rechter