- Arrest van 20 februari 2014

20/02/2014 - F.12.0053.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
De bevoegdheidsdelegatie aan de Koning tot het uitwerken van een forfaitaire aanslagregeling die vervat ligt in artikel 56, §1, BTW-wetboek, houdt geen miskenning in van het grondwettelijk legaliteitsbeginsel neergelegd in de artikelen 170 en 172 van de Grondwet, noch van het grondwettelijk gelijkheidsbeginsel gewaarborgd door de artikelen 10 en 11 van de Grondwet (1). (1) Zie concl. O.M.

Arrest - Integrale tekst

Nr. F.12.0053.N

M C M,

eiseres,

met als raadslieden mr. Michel Maus en mr. Jessica Van Hove, advocaten bij de balie te Gent, met kantoor te 9052 Gent, Portalisgebouw, Bollebergen 2A/bus 20,

tegen

BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Financiën, met ka-binet te 1000 Brussel, Wetstraat 12, voor wie optreedt de eerstaanwezend inspecteur van het btw-ontvangkantoor te Oostende, met kantoor te 8400 Oostende, Vrijhaven-straat 1,

verweerder,

vertegenwoordigd door mr. Antoine De Bruyn, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Dalstraat 67, bus 14, waar de verweerder woonplaats kiest.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent van 20 september 2011.

Advocaat-generaal Dirk Thijs heeft op 16 oktober 2013 een schriftelijke conclusie neergelegd.

Afdelingsvoorzitter Eric Dirix heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Dirk Thijs heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDELEN

De eiseres voert in haar verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste middel

1. De eiseres voert aan dat de bevoegdheidsdelegatie aan de Koning die vervat ligt in artikel 56, § 1, Btw-wetboek ongrondwettelijk is en dat deze wetsbepaling de artikelen 10, 11, 170 en 172 Grondwet schendt.

Het Grondwettelijk Hof oordeelde in zijn arrest nr. 131/2007 van 17 oktober 2007 dat:

- de artikelen 10, 11, 170 en 172 Grondwet niet zover gaan dat ze de wetgever er-toe zouden verplichten elk aspect van een belasting of van een vrijstelling zelf te regelen;

- een aan een andere overheid verleende bevoegdheid niet in strijd is met het legali-teitsbeginsel voor zover de machtiging voldoende nauwkeurig is omschreven en betrekking heeft op de tenuitvoerlegging van maatregelen waarvan de essentiële elementen voorafgaandelijk door de wetgever zijn vastgesteld;

- artikel 56, § 1, Btw-wetboek het mogelijk maakt te voorzien in vereenvoudigde voorwaarden inzake belastingheffing en -inning voor de ondernemingen die, we-gens hun omvang, niet beschikken over een toereikende boekhoudkundige organi-satie om de algemene btw-regeling te kunnen toepassen en die derhalve mogen opteren voor een forfaitaire aanslagregeling die op grond van de in het geding zijnde bepaling is vastgelegd;

- de verscheidenheid van de situaties waarin die ondernemingen zich bevinden, vol-staat om te verantwoorden dat de wetgever ervan afziet alle op die onder-nemingen toepasselijke belastingregels zelf vast te stellen;

- ermee rekening houdend dat de wetgever het beginsel van de forfaitaire belasting zelf in de wet heeft opgenomen en dat een forfait per hypothese situaties beoogt die moeilijk kunnen worden geregeld door middel van algemene bepalingen die het voorwerp van een wet uitmaken, de wetgever vermocht, in een materie waar er een verscheidenheid aan situaties heerst en waar het in artikel 24, eerste lid, van de Zesde Richtlijn van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 17 mei 1977 zelf voorziet in de mogelijkheid van een forfaitaire regeling, zonder miskenning van het beginsel van de wettigheid van de belasting, aan de Koning de be-voegdheid toe te wijzen om de modaliteiten te bepalen volgens welk de admi-nistratie de grondslag van de aanslag vaststelt in overeenstemming met het in de wet vervatte beginsel van het forfait.

Het Grondwettelijk Hof bevestigde aldus dat de bevoegdheidsdelegatie aan de Ko-ning die vervat ligt in artikel 56, § 1, Btw-wetboek geen miskenning van het grond-wettelijk legaliteitsbeginsel neergelegd in artikel 170 en 172 Grondwet, noch schen-ding van de artikelen 10 en 11 Grondwet inhoudt.

Het middel dat uitgaat van het tegendeel, faalt naar recht.

2. Gelet op het arrest van het Grondwettelijk Hof nr. 131/2007 van 17 oktober 2007 bestaat er geen aanleiding tot het stellen van een prejudiciële vraag met een identiek onderwerp.

Tweede middel

3. Het middel verwerpt het beroep van de eiseres op het beginsel non bis in idem onder meer met de reden dat de eiseres niet onherroepelijk hetzij veroordeeld hetzij vrijgesproken werd.

Die reden, die door het middel niet wordt bekritiseerd, schraagt de beslissing.

Het middel, al was het gegrond, kan niet tot cassatie leiden en is bijgevolg niet ont-vankelijk.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiseres tot de kosten.

Bepaalt de kosten voor de eiseres op 231,18 euro en voor de verweerder op 286,25 euro.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samenge-steld uit afdelingsvoorzitter Eric Dirix, als voorzitter, en de raadsheren Geert Jocqué, Filip Van Volsem, Bart Wylleman en Koenraad Moens, en in openbare rechtszitting van 20 februari 2014 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Eric Dirix, in aanwezig-heid van advocaat-generaal Dirk Thijs, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bos-sche.

K. Vanden Bossche K. Moens B. Wylleman

F. Van Volsem G. Jocqué E. Dirix

Vrije woorden

  • Forfaitaire aanslagregeling

  • Bevoegdheidsdelegatie aan de Koning

  • Grondwettelijkheid