- Arrest van 20 februari 2014

20/02/2014 - F.12.0181.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Opdat de in artikel 354, eerste lid, WIB92 gestelde aanslagtermijn van drie jaar kan worden toegepast, moet ten minste aan één van de volgende voorwaarden voldaan zijn: (1) niet-aangifte; (2) laattijdige overlegging van aangifte; (3) de verschuldigde belasting is hoger dan de belasting met betrekking tot de belastbare inkomsten en de andere gegevens vermeld in de daartoe bestemde rubrieken van een geldige aangifte (1). (1) Zie concl. O.M.

Arrest - Integrale tekst

Nr. F.12.0181.N

BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Financiën, met kabinet te 1000 Brussel, Wetstraat 12, voor wie optreedt de gewestelijk directeur, directie Leuven, met kantoor te 3001 Leuven, Philipssite 3A, bus 1,

eiser,

tegen

1. M W,

2. N R,

3. A R,

verweersters.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel van 28 juni 2012.

Advocaat-generaal Dirk Thijs heeft op 16 oktober 2013 een schriftelijke conclusie neergelegd.

Raadsheer Geert Jocqué heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Dirk Thijs heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDELEN

De eiser voert in zijn verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Tweede middel

1. Krachtens artikel 354, lid 1, WIB92, zoals toepasselijk voor het aanslagjaar 2003, mag bij niet-aangifte, bij laattijdige overlegging van aangifte, of wanneer de verschuldigde belasting hoger is dan de belasting met betrekking tot de belastbare inkomsten en de andere gegevens vermeld in de daartoe bestemde rubrieken van een aangifteformulier dat voldoet aan de vorm- en termijnvereisten, gesteld bij de artikelen 307 tot 311, de belasting of de aanvullende belasting, in afwijking van artikel 359, worden gevestigd gedurende drie jaar vanaf 1 januari van het jaar waarnaar het aanslagjaar wordt genoemd waar voor de belasting is verschuldigd.

2. Opdat deze aanslagtermijn van drie jaar kan worden toegepast, moet ten minste aan één van de volgende voorwaarden voldaan zijn:

- niet-aangifte;

- laattijdige overlegging van aangifte;

- de verschuldigde belasting is hoger dan de belasting met betrekking tot de be-lastbare inkomsten en de andere gegevens vermeld in de daartoe bestemde ru-brieken van een geldige aangifte.

3. Wat deze laatste voorwaarde betreft, is niet vereist dat de hogere belasting voortvloeit uit een handeling of nalatigheid van de belastingplichtige bij het invul-len van het aangifteformulier. Het volstaat dat de wettelijk verschuldigde belas-ting hoger is dan de belasting met betrekking tot de belastbare inkomsten en ande-re gegevens die vermeld werden in een regelmatige aangifte, zonder dat de fiscale administratie dient aan te tonen dat de aangifte onjuist is.1

4. De appelrechters oordelen dat "in de thans voorliggende situatie (...) de om-standigheid bedoeld in artikel 354, lid 1, WIB92, te weten het bestaan van een verschuldigde belasting hoger dan aangegeven, die de toepassing van artikel 354, lid 1, WIB92 mogelijk maakt, samen moet gelezen worden met artikel 339 WIB92, zodat het bestaan van een "hogere" belasting dan aangegeven (die de verlengde aanslagtermijn bedoeld in artikel 354, lid 1, WIB92 opent), in deze ook vereist dat is aangetoond dat die hogere belasting voortvloeit uit een onjuiste aangifte."

5. Door aldus te oordelen voegen de appelrechters een voorwaarde toe aan ar-tikel 354, eerste lid, WIB92 die er niet in besloten ligt, en verantwoorden zij hun beslissing niet naar recht.

Het middel is gegrond.

Dictum

Het Hof,

Vernietigt het bestreden arrest.

Beveelt dat van dit arrest melding wordt gemaakt op de kant van het arrest.

Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over.

Verwijst de zaak naar het hof van beroep te Gent.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samen-gesteld uit afdelingsvoorzitter Eric Dirix, als voorzitter, en de raadsheren Geert Jocqué, Filip Van Volsem, Bart Wylleman en Koenraad Moens, en in openbare rechtszitting van 20 februari 2014 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Eric Di-rix, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Thijs, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche.

K. Vanden Bossche K. Moens B. Wylleman

F. Van Volsem G. Jocqué E. Dirix

Vrije woorden

  • Termijn van drie jaar

  • Toepassingsvoorwaarden