- Arrest van 21 februari 2014

21/02/2014 - C.13.0277.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Het middel dat opkomt tegen een reden van de rechter tot staving van zijn beslissing is, in beginsel, niet nieuw (1). (1) Cass. 4 nov. 2011, AR C.09.0130.F, AC 2011, nr. 595.

Arrest - Integrale tekst

Nr. C.13.0277.F

1. AU FIL DES JOURS bvba,

2. D. F. D. L.,

3. B. B.,

Mr. Paul Alain Foriers, advocaat bij het Hof van Cassatie,

tegen

1. AXA BELGIUM nv,

2. INSTITUT DE LA PROVIDENCE vzw,

Mr. Michèle Grégoire, advocaat bij het Hof van Cassatie,

ten aanzien van

1. F. D.,

2. F. D.,

3. AXA BELGIUM nv,

4. KBC VERZEKERINGEN nv,

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel van 17 december 2013.

Raadsheer Marie-Claire Ernotte heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Thierry Werquin heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDELEN

De eisers voeren twee middelen aan.

Eerste middel

Geschonden wettelijke bepalingen

- de artikelen 34, § 2, eerste lid, 35, § 4, en 86 van de wet van 25 juni 1992 op de landverzekeringsovereenkomst;

- de artikelen 1319, 1320 en 1322 van het Burgerlijk Wetboek.

Aangevochten beslissingen

Het arrest stelt vast dat de schadegevallen zich hebben voorgedaan op 21 mei en 30 juni 1999, wijst erop dat er in het kader van het eigen recht van de benadeelde per-soon tegen de verzekeraar van de aansprakelijke geen verjaringsstuitende handeling voorhanden is en zegt bijgevolg dat de bij dagvaarding van 19 juli 2004 ingestelde vordering van de eisers tegen de eerste verweerster, in haar hoedanigheid van B.A.-verzekeraar van de tweede verweerster, verjaard is.

Het arrest steunt zijn beslissing op alle onder het opschrift "Vordering tot tussenkomst bij de verzekeraar" vermelde redenen, die geacht worden hieronder integraal te zijn weergegeven, en inzonderheid op de volgende redenen:

"De [eisers] bevestigen dat hun verzoek aan de verzekeringsmaatschappijen om tussenkomst te verlenen tot gevolg heeft dat de verjaring krachtens artikel 35, § 4, van de wet van 25 juni 1992 op de landverzekeringsovereenkomst wordt gestuit.

Dat artikel luidt als volgt: ‘De verjaring van de vordering bedoeld in artikel 34, § 2, wordt gestuit zodra de verzekeraar kennis krijgt van de wil van de benadeelde om een vergoeding te bekomen voor de door hem geleden schade. De stuiting eindigt op het ogenblik dat de verzekeraar aan de benadeelde schriftelijk kennis geeft van zijn beslissing om te vergoeden of van zijn weigering'. Voornoemd artikel 34, § 2, betreft de vijfjarige verjaring van de rechtsvordering die voortvloeit uit het eigen recht dat de benadeelde tegen de verzekeraar van de aansprakelijke heeft.

De [eisers] tonen niet aan dat zij de verzekeraar van de aansprakelijke derden rechtstreeks hebben aangesproken om voor hun schade vergoed te worden, terwijl de benadeelde zijn voornemen om vergoed te worden moet uiten teneinde de verjaring van de rechtsvordering onmiddellijk te doen stuiten; hoewel geen enkel vormvereiste is voorgeschreven, zal de getroffene toch erop moeten letten een bewijsmiddel achter de hand te houden [...]. De brieven die [de eiser] rechtstreeks aan het Institut de la Providence heeft gezonden op 21 mei, 12 juni en 1 juli 1999 zijn niet verjaringsstuitend in de zin van artikel 35, § 4, van de wet van 25 juni 1992.

Geen enkel stuk dat de partijen aan het hof [van beroep] hebben voorgelegd bewijst dat de verzekeraar van de tegenpartij door de benadeelde werd aangesproken om vergoeding voor zijn schade te krijgen.

De verzekeringsmaatschappij Winterthur heeft de zaakvoerster van de vennootschap ‘Au Fil des jours' weliswaar op 11 augustus 1999 aangeschreven, maar zij werd door laatstgenoemde niet op de hoogte gebracht van haar wil om vergoed te worden, maar blijkbaar door haar verzekerde zelf, [de tweede verweerster] op de hoogte werd gebracht van de situatie, na het faxbericht van 9 augustus 1999 van deskundige Ransbotyn.

De mededeling door laatstgenoemde, de vermeende aansprakelijke, aan haar verzekeraar van de inhoud van dat faxbericht kan niet worden aangemerkt als de wilsuiting van de benadeelde om vergoeding voor zijn schade te verkrijgen, in de zin van artikel 35, § 4, van de wet van 25 juni 1992.

Geen enkele verjaringsstuitende handeling kan dus in aanmerking worden genomen tegen de verzekeraar van de vermeende aansprakelijke."

Grieven

Eerste onderdeel

1. Krachtens artikel 34, § 2, eerste lid, van de wet van 25 juni 1992 op de landverzekeringsovereenkomst verjaart de vordering die voortvloeit uit het eigen recht dat de benadeelde tegen de verzekeraar heeft krachtens artikel 86 door verloop van vijf jaar, te rekenen vanaf het schadeverwekkend feit of, indien er misdrijf is, vanaf de dag waarop dit is gepleegd.

Krachtens artikel 35, § 4, van die wet wordt de verjaring van de vordering die voortvloeit uit het eigen recht dat de benadeelde tegen de verzekeraar van de aansprakelijke heeft gestuit zodra de verzekeraar kennis krijgt van de wil van de benadeelde om een vergoeding te verkrijgen voor de door hem geleden schade. De stuiting eindigt op het ogenblik dat de verzekeraar aan de benadeelde schriftelijk kennis geeft van zijn beslissing om te vergoeden of van zijn weigering.

Die bepaling legt geen enkel vormvereiste op voor de wijze waarop de verzekeraar kennis moet krijgen van de wil van de benadeelde om vergoed te worden.

Zij vereist uitsluitend dat de verzekeraar kennis moet krijgen van de wil van de benadeelde om vergoeding voor zijn schade te verkrijgen en impliceert niet dat die informatie van de benadeelde zelf komt. De verzekeraar kan ook worden ingelicht door de verzekerde die door de benadeelde is aangesproken.

Het is bovendien niet noodzakelijk dat de verzekeraar kennis krijgt van de wil van de benadeelde om uitgerekend de in artikel 86 van de wet bedoelde rechtsvordering in te stellen. Informatie over de rechtspleging die de benadeelde tegen de verzekerde instelt, volstaat dus.

2. Het arrest stelt vast dat de tweede verweerster haar verzekeraar, de eerste ver-weerster, heeft ingelicht over de inhoud van het faxbericht van 9 augustus 1999 van deskundige Ransbotyn en dat de eerste verweerster "de zaakvoerster van de vennootschap ‘Au Fil des jours' op 11 augustus 1999 heeft aangeschreven".

Bovendien blijkt uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan dat de eerste verweerster het hele verloop van het deskundigenonderzoek heeft bijgewoond, wat door het deskundigenverslag wordt bevestigd.

Het arrest overweegt evenwel:

- dat de [eisers] niet aantonen dat zij de verzekeraar van de aansprakelijke derden rechtstreeks hebben aangesproken om voor hun schade vergoed te worden; dat geen enkel stuk dat de partijen aan het hof [van beroep] hebben voorgelegd bewijst dat de verzekeraar van de tegenpartij door de benadeelde werd aangesproken om vergoeding voor zijn schade te krijgen;

- dat de brieven die [de eiser] rechtstreeks aan de tweede verweerster heeft gezonden op 21 mei, 12 juni en 1 juli 1999 niet verjaringsstuitend zijn;

- dat de eerste verweerster de zaakvoerster van de vennootschap ‘Au Fil des jours' weliswaar op 11 augustus 1999 heeft aangeschreven, maar zij door laatstgenoemde niet op de hoogte werd gebracht van haar wil om vergoed te worden, maar blijkbaar door haar verzekerde zelf, [de tweede verweerster] op de hoogte werd gebracht van de situatie, na het faxbericht van 9 augustus 1999 van deskundige Ransbotyn; d at de mededeling door laatstgenoemde, de vermeende aansprakelijke, aan haar verzekeraar van de inhoud van dat faxbericht niet kan worden aangemerkt als de wilsuiting van de benadeelde om vergoeding voor zijn schade te verkrijgen, in de zin van artikel 35, § 4, van de wet van 25 juni 1992.

3. Aldus oordeelt het arrest dat de verjaring van de rechtsvordering die voortvloeit uit het eigen recht van de benadeelde tegen de verzekeraar van de aansprakelijke krachtens artikel 86 van de wet op de landverzekeringsovereenkomst, niet wordt gestuit door het loutere feit dat de verzekeraar kennis heeft gekregen van de wil van de benadeelde om voor zijn schade vergoed te worden, indien die informatie niet komt van de benadeelde zelf maar van de verzekerde die door de benadeelde is aangesproken.

De appelrechters die op die grond oordelen dat de verjaring van de rechtsvordering van de eisers die voortvloeit uit het eigen recht van de benadeelde tegen de verzekeraar van de aansprakelijke krachtens artikel 86 van de wet op de landverzekeringsovereenkomst niet wordt gestuit, terwijl het, om die verjaring te stuiten, voldoende was dat de verzekeraar kennis kreeg van de wil van de eisers om de vergoeding voor hun schade te verkrijgen, verantwoorden hun beslissing niet naar recht (schending van de artikelen 34, § 2, eerste lid, 35, § 4, en 86 van de wet van 25 juni 1992 op de landverzekeringsovereenkomst).

Tweede onderdeel

1. De artikelen 1319, 1320 en 1322 van het Burgerlijk Wetboek verbieden de rechter de bewijskracht te miskennen van de akten waarop hij zijn beslissing grondt.

De rechter miskent de bewijskracht van een akte wanner hij die akte uitlegt op een wijze die niet verenigbaar is met de bewoordingen en de draagwijdte ervan. Dat is het geval wanneer de rechter beslist dat die akte een bevestiging bevat die er niet in voorkomt of wanneer hij een bevestiging die er wel in voorkomt negeert.

2. De raadsman van de eisers heeft in een brief van 20 september 1999 aan deskundige Hermoye, met een afschrift o.a. voor de raadsman van de eerste verweerster, "bij de tegenpartijen en hun verzekeraars heel nadrukkelijk [erop aangedrongen] dat zij onverwijld betalen wat zij ontegenzeglijk verschuldigd zijn".

Uit die brief, die aan het hof van beroep werd voorgelegd, volgt dat de eisers de eerste verweerster aangesproken hebben om voor hun schade vergoed te worden.

Het arrest vermeldt echter dat "de [eisers] evenwel niet aantonen dat zij de verzeke-raar van de aansprakelijke derden rechtstreeks hebben aangesproken om voor hun schade vergoed te worden, terwijl de benadeelde zijn voornemen om vergoed te worden moet uiten teneinde de verjaring van de rechtsvordering onmiddellijk te doen stuiten [...]; geen enkel stuk dat de partijen aan het hof [van beroep] hebben voorgelegd bewijst dat de verzekeraar van de tegenpartij door de benadeelde werd aangesproken om vergoeding voor zijn schade te krijgen".

Het arrest grondt zijn beslissing op alle door de partijen aan het hof van beroep voorgelegde stukken, met inbegrip dus van de brief van 20 september 1999 van de raadsman van de eisers.

Het arrest dat overweegt dat "geen enkel stuk dat de partijen aan het hof [van beroep] hebben voorgelegd bewijst dat de verzekeraar van de tegenpartij door de benadeelde werd aangesproken om vergoeding voor zijn schade te krijgen", terwijl uit de brief van 20 september 1999, die is voorgelegd aan het hof van beroep en waarop het hof ook steunt, blijkt dat de eisers de eerste verweerster hebben aangesproken om voor hun schade vergoed te worden, weigert in die brief een vermelding te lezen die erin voorkomt, legt die brief bijgevolg uit op een wijze die niet verenigbaar is met de bewoordingen ervan en miskent bijgevolg die bewijskracht ervan (schending van de artikelen 1319, 1320 en 1322 van het Burgerlijk Wetboek).

Tweede middel

Geschonden wettelijke bepalingen

- artikel 149 van de Grondwet;

- de artikelen 2 en 2262bis, § 1, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek;

- algemeen rechtsbeginsel dat de wetten geen terugwerkende kracht hebben, maar in de regel onmiddellijk van toepassing zijn op de toekomstige gevolgen van de vorige toestanden, voor zover die toepassing geen afbreuk doet aan reeds onherroepelijk vastgestelde rechten;

- artikel 35, § 3bis, van de wet van 25 juni 1992 op de landverzekeringsovereenkomst, ingevoegd door artikel 9 van de wet van 22 augustus 2002 en in werking getreden op 19 januari 2003;

- de artikelen 9 en 13 van de wet van 22 augustus 2002 houdende diverse bepalingen betreffende de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen.

Aangevochten beslissingen

Het arrest wijst erop dat er geen verjaringsstuitende handeling voorhanden is, noch in het kader van het eigen recht van de benadeelde tegen de verzekeraar van de aansprakelijke, noch in het kader van de aansprakelijkheidsvordering van de benadeelde tegen degene die de schade heeft veroorzaakt, verwerpt in elk geval de toepassing van artikel 35, § 3bis, van de wet van 25 juni 1992 op de landverzekeringsovereenkomst en beslist dat, gelet op de data van de schadegevallen (21 mei en 30 juni 1999), de vorderingen van de eisers tegen de verweerders verjaard waren toen zij op 19 juli 2004 werden gedagvaard.

Het arrest steunt zijn beslissing op alle onder het opschrift "Vraag tot tussenkomst bij de verzekeraar" vermelde redenen, die geacht worden hieronder integraal te zijn weergegeven, en inzonderheid op de volgende redenen:

"De [eisers] voeren ten onrechte de toepassing aan van artikel 35, § 3bis, van de wet van 25 juni 1992.

Die bepaling bepaalt dat: ‘stuiting of schorsing van de verjaring van de rechtsvordering van de benadeelde tegen een verzekerde stuiting of schorsing van de verjaring van zijn rechtsvordering tegen de verzekeraar tot gevolg heeft en vice versa.

Naast het feit dat er in deze zaak geen verjaringsstuitende handeling voorhanden is, noch in het kader van het eigen recht van de benadeelde tegen de verzekeraar van de aansprakelijke, noch in het kader van de aansprakelijkheidsvordering van de benadeelde tegen degene die de schade heeft veroorzaakt, dient erop gewezen te worden dat artikel 35, § 3bis, pas door de wet van 22 augustus 2002, in werking getreden op 19 januari 2003, werd ingevoegd in de wet van 25 juni 1992.

Die wet, die een nieuwe verjaringsstuitende grond invoert, kan aan een handeling gesteld onder vigeur van de oude wet niet, het rechtsgevolg toekennen dat de lopende verjaring wordt gestuit, rechtsgevolg dat de oude wet aan deze handeling niet toekent".

Grieven

1. Overeenkomstig artikel 2262bis, § 1, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek, ingevoegd door de wet van 10 juni 1998, verjaren alle rechtsvorderingen tot vergoeding van schade op grond van buitencontractuele aansprakelijkheid door verloop van vijf jaar vanaf de dag volgend op die waarop de benadeelde kennis heeft gekregen van de schade of van de verzwaring ervan en van de identiteit van de daarvoor aansprakelijke persoon.

Krachtens 35, § 3bis, van de wet van 25 juni 1992, ingevoegd bij de wet van 22 augustus 2002 en in werking getreden op 19 januari 2003, heeft stuiting of schorsing van de verjaring van de rechtsvordering van de benadeelde tegen een verzekerde stuiting of schorsing van de verjaring van zijn rechtsvordering tegen de verzekeraar tot gevolg.

2. Krachtens het in het middel vermelde algemeen rechtsbeginsel, dat is neergelegd in artikel 2 van het Burgerlijk Wetboek, volgens hetwelk de wetten geen terugwerkende kracht hebben, is een nieuwe wet in de regel van toepassing op toestanden die na haar inwerkingtreding ontstaan en op de toekomstige gevolgen van de onder de vroegere wet ontstane toestanden die zich voordoen of die voortduren onder vigeur van de nieuwe wet, voor zover die toepassing geen afbreuk doet aan reeds onherroepelijk vastgestelde rechten.

Overeenkomstig dat beginsel is de wet van 22 augustus 2002, die voorziet in een grond van stuiting of schorsing van de verjaring van de rechtsvordering van de benadeelde ten aanzien van de verzekerde, en die niet voorkomt in de wet die van toepassing is op het ogenblik dat de rechtsvordering is ontstaan, van toepassing op die verjaring met ingang van de inwerkingtreding ervan op 19 januari 2003, voor zover die rechtsvordering op dat tijdstip nog niet verjaard is krachtens de oude wet.

3. Daaruit volgt dat het arrest, dat de toepassing van artikel 35, § 3bis, van de wet van 25 juni 1992 afwijst, louter op grond dat het pas door de wet van 22 augustus 2002, in werking getreden op 19 januari 2003, werd ingevoegd in de wet van 25 juni 1992, en dat die wet, die een nieuwe verjaringsstuitende grond invoert, aan een handeling die onder vigeur van de oude wet is gesteld, het rechtsgevolg dat de lopende verjaring wordt gestuit niet kan toekennen, aangezien de oude wet dat gevolg niet bepaalt, zonder vast te stellen dat de rechtsvordering van de benadeelde partij tegen de verzekerde reeds op de datum van inwerkingtreding van de wet van 22 augustus 2002 (op 19 januari 2003), verjaard was overeenkomstig artikel 2262bis, § 1, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek, zijn beslissing niet naar recht verantwoordt (miskenning van het in het middel vermelde algemeen rechtsbeginsel en schending van de artikelen 2, 2262bis, § 1, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek, 35, § 3bis, van de wet van 25 juni 1992 op de landverzekeringsover-eenkomst, 9 en 13 van de wet van 22 augustus 2002 houdende diverse bepalingen betreffende de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen).

Het arrest dat in zijn redenen de gegevens niet vermeldt op grond waarvan kan worden beoordeeld of de rechtsvordering van de benadeelde partij tegen de [tweede] verweerster reeds verjaard was overeenkomstig artikel 2262bis, § 1, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek, stelt het Hof op zijn minst niet in staat zijn wettigheidstoetsing uit te oefenen en is bijgevolg niet regelmatig met redenen omkleed (schending van artikel 149 van de Grondwet).

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste middel

Eerste onderdeel

Betreffende de door de verweersters tegen het onderdeel opgeworpen grond van niet-ontvankelijkheid: het onderdeel is nieuw

Het onderdeel bekritiseert de redenen van het arrest dat, om te beslissen dat er geen enkele verjaringsstuitende handeling in aanmerking kan worden genomen ten aanzien van de eerste verweerster, verzekeraar van de tweede verweerster, overweegt dat eerstgenoemde geen kennis heeft gekregen van de wil van de bena-deelde om voor zijn schade vergoed te worden.

Het middel dat opkomt tegen een reden die de rechter geeft tot staving van zijn beslissing is, in beginsel, niet nieuw.

De grond van niet-ontvankelijkheid kan niet worden aangenomen.

Het onderdeel zelf

Krachtens artikel 34, § 2, eerste lid, van de wet van 25 juni 1992 op de landverze-keringsovereenkomst verjaart de vordering die voortvloeit uit het eigen recht dat de benadeelde tegen de verzekeraar heeft krachtens artikel 86 door verloop van vijf jaar, te rekenen vanaf het schadeverwekkende feit of, indien er misdrijf is, vanaf de dag waarop dit is gepleegd.

Artikel 35, § 4, van die wet bepaalt dat de verjaring van die vordering wordt ge-stuit zodra de verzekeraar kennis krijgt van de wil van de benadeelde om een ver-goed te worden voor de door hem geleden schade en dat die stuiting eindigt op het ogenblik dat de verzekeraar aan de benadeelde schriftelijk kennis geeft van zijn beslissing om te vergoeden of van zijn weigering.

Die bepaling beperkt de verjaringsstuitende werking die het bevat niet tot inlich-tingen die de getroffene zelf aan de verzekeraar meedeelt.

Het arrest stelt vast dat "[de eerste verweerster] niet door [de eerste eiseres] op de hoogte werd gebracht van haar wil om vergoed te worden, maar blijkbaar door haar verzekerde zelf, [de tweede verweerster] op de hoogte werd gebracht van de situatie, na het faxbericht van deskundige Ransbotyn", technisch deskundige van de eisers.

Het arrest vermeldt voorts dat "de technisch deskundige van [de eerste verweer-ster], in zijn brief van 21 september 1999 aan de gerechtsdeskundige", commen-taar geleverd [heeft] op het voornoemde faxbericht van deskundige Ransbotyn.

Het arrest dat erkent dat de eerste verweerster door haar verzekerde, bij de ont-vangst van het faxbericht van 9 augustus 1999, kennis heeft gekregen van wil van de eisers om vanaf dan vergoed te worden voor de kosten voor het reinigen van de geteisterde winkel, maar overweegt dat "geen enkele verjaringsstuitende handeling kan [...] in aanmerking worden genomen tegen de verzekeraar van de vermeende aansprakelijke" op grond dat "[de eisers] niet aantonen [...] dat zij de verzekeraar van de aansprakelijke derden hebben aangesproken voor de vergoe-ding van hun schade", schendt de voornoemde wetsbepalingen.

Het onderdeel is gegrond.

Tweede middel

Betreffende de door de verweersters tegen het middel opgeworpen grond van niet-ontvankelijkheid: het middel is nieuw

Het middel bekritiseert de redenen van het arrest dat vaststelt dat er geen hande-ling voorhanden is die de verjaring van de rechtstreekse vordering van de bena-deelde tegen de verzekeraar kan stuiten en vervolgens bovendien de toepassing van artikel 35, § 3bis, van de wet van 25 juni 1992 verwerpt, met de overweging dat die wet, die een nieuwe verjaringsstuitende grond invoert, aan een handeling gesteld onder vigeur van de oude wet niet het rechtsgevolg kan toekennen dat de lopende verjaring wordt gestuit, rechtsgevolg dat de oude wet aan deze rechtshan-deling niet toekent .

Het middel dat opkomt tegen een reden die de rechter geeft tot staving van zijn beslissing is, in beginsel, niet nieuw.

De grond van niet-ontvankelijkheid kan niet worden aangenomen.

Het middel zelf

Krachtens artikel 2262bis, § 1, tweede lid, Burgerlijk Wetboek verjaren alle rechtsvorderingen tot vergoeding van schade op grond van buitencontractuele aansprakelijkheid door verloop van vijf jaar vanaf de dag volgend op die waarop de benadeelde kennis heeft gekregen van de schade of van de verzwaring ervan en van de identiteit van de daarvoor aansprakelijke persoon.

Volgens artikel 35, § 3bis, van de wet van 24 [lees: 25] juni 1992, ingevoegd bij de wet van 22 augustus 2002 en in werking getreden op 19 januari 2003 heeft stuiting of schorsing van de verjaring van de rechtsvordering van de benadeelde tegen een verzekerde stuiting of schorsing van de verjaring van zijn rechtsvorde-ring tegen de verzekeraar tot gevolg en omgekeerd.

Krachtens het in artikel 2 Burgerlijk Wetboek neergelegde algemeen rechtsbegin-sel dat de wetten geen terugwerkende kracht hebben, is een nieuwe wet in de regel van toepassing op toestanden die na haar inwerkingtreding ontstaan en op de toekomstige gevolgen van de onder de vroegere wet ontstane toestanden die zich voordoen of die voortduren onder vigeur van de nieuwe wet, voor zover die toe-passing geen afbreuk doet aan reeds onherroepelijk vastgestelde rechten.

In overeenstemming met dat beginsel waarvan de wet van 24 juni 1992 op dat punt niet afwijkt, is artikel 35, § 3bis, van die wet, dat een nieuwe grond van stui-ting van de verjaring van de rechtsvordering van de benadeelde persoon tegen de verzekerde invoert, door de stuiting van de verjaring van zijn rechtsvordering te-gen de verzekeraar, van toepassing vanaf zijn inwerkingtreding op 19 januari 2003, op de kwestieuze verjaring, wanneer de stuiting het gevolg is van een han-deling tegen de verzekeraar gesteld onder vigeur van de vroegere wet en waarvan de gevolgen voortduren onder vigeur van de nieuwe wet, voor zover de rechtsvor-dering van de benadeelde persoon tegen de verzekeraar op dat tijdstip niet is ver-jaard.

Het arrest dat de toepassing van artikel 35, § 3bis, van de wet verwerpt louter op grond dat die bepaling "aan een handeling die onder vigeur van de oude wet is gesteld, het rechtsgevolg dat de lopende verjaring wordt gestuit niet kan toekennen, aangezien de oude wet dat gevolg niet voorziet", zonder na te gaan of de rechtsvordering tegen de verzekerde bij de inwerkingtreding van de wet reeds ver-jaard was en of de stuiting nog steeds liep, schendt die bepaling en miskent het voornoemde algemeen rechtsbeginsel.

Het middel is gegrond.

Het tweede onderdeel van het eerste middel hoeft niet nader te worden onder-zocht. Het kan immers niet tot ruimere cassatie leiden.

En de eisers hebben er belang bij dat het arrest bindend wordt verklaard voor de daartoe in de zaak voor het Hof opgeroepen partijen.

Dictum

Het Hof,

Vernietigt het bestreden arrest, behalve in zoverre dat het hoger beroep ontvankelijk verklaart;

Verklaart dit arrest bindend voor F.D., F.D, de naamloze vennootschap Axa Belgium en de naamloze vennootschap KBC Verzekeringen;

Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest;

Houdt de kosten aan en laat de uitspraak daaromtrent aan de feitenrechter over;

Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Bergen.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel, door voor-zitter Christian Storck, de raadsheren Didier Batselé, Mireille Delange, Michel Lemal en Marie-Claire Ernotte, en in openbare terechtzitting van 21 februari 2014 uitgesproken door voorzitter Christian Storck, in aanwezigheid van advocaat-generaal Thierry Werquin, met bijstand van griffier Patricia De Wadripont.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van raadsheer Bart Wylleman en overge-schreven met assistentie van griffier Johan Pafenols.

De griffier, De raadsheer,

Vrije woorden

  • Nieuw

  • Middel dat opkomt tegen een reden van de rechter tot staving van zijn beslissing