- Arrest van 21 februari 2014

21/02/2014 - C.13.0325.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Wanneer de vennoten, na de oprichting van de vennootschap, overeenkomen om, afwijkend van hetgeen in de vennootschapsovereenkomst bedongen is, overeenkomen de regeling van de hoegrootheid van de aandelen over te laten aan een van hen, wordt geen bezwaar dienaangaande aangenomen indien meer dan drie maanden zijn verlopen sinds de partij die beweert benadeeld te zijn, van de regeling kennis heeft gekregen, of indien zij aan die regeling een begin van uitvoering heeft gegeven.

Arrest - Integrale tekst

Nr. C.13.0325.F

J.-L. C.,

Mr. Paul Alain Foriers, advocaat bij het Hof van Cassatie,

tegen

P. B.,

Mr. Michèle Grégoire, advocaat bij het Hof van Cassatie.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Bergen van 27 februari 2013.

Raadsheer Michel Lemal heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Thierry Werquin heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDELEN

De eiser voert twee middelen aan.

Eerste middel

Geschonden wettelijke bepalingen

- artikel 31 Wetboek van Vennootschappen;

- de artikelen 1319, 1320 en 1322 Burgerlijk Wetboek.

Aangevochten beslissingen

Het arrest verklaart het hoofdberoep en het incidenteel beroep ontvankelijk, maar enkel het hoofdberoep gegrond. Het doet het vonnis van de eerste rechter teniet en zegt in zijn nieuwe uitspraak dat de overeenkomst tussen de partijen een vennootschapsovereenkomst is en verklaart, bijgevolg, de oorspronkelijke vordering ontvankelijk maar niet gegrond, wijst eisers incidenteel beroep af, verklaart de nieuwe vordering ontvankelijk maar niet gegrond en veroordeelt de eiser in de kosten van de beide aanleggen.

Die beslissingen steunen op de volgende redenen:

Het arrest stelt eerst vast dat de eiser en de verweerder op 11 december 2008 een overeenkomst "Erkenning van storting" hebben ondertekend die het volgende bepaalt:

"(De verweerder) erkent van de (eiser) het bedrag van een miljoen vierhonderdduizend euro (1.400.000 euro) te hebben ontvangen dat in twee fases werd gestort:

- driehonderdduizend euro (300.000 euro) op 10 oktober 2008;

- een miljoen honderdduizend euro (1.100.000 euro) op 10 december 2008 op de rekening courant van (de verweerder) bij de KBC-bank tegen het nemen van een belang in de beursportefeuille die BinckBank bijhoudt op naam van de (verweerder), rekeningreferentie 507193.

De aanwezige partijen zijn het eens geworden over een respectieve participatie van 40 pct. in de portefeuille voor (de eiser) en 60 pct. in de portefeuille voor (de verweerder).

Dat percentage werd verkregen door de tegeldemaking van de beursportefeuille berekend op de gemiddelde basis 60 dagen van de koers van de aandelen op 20 november 2008, zijnde een tegeldemaking van twee miljoen honderdduizend euro (2.100.000 euro) waarbij de storting door (de eiser) van een miljoen vierhonderdduizend euro (1.400.000 euro) werd gevoegd.

Op de dagwaarde (10 december 2008) heeft de portefeuille dus een totale waarde van 1.876.944 + 1.100.000 (=) 2.976.944 euro (twee miljoen negenhonderdzesenzeventigduizend negenhonderdvierenveertig euro), zijnde voor elkeen:

- 60 pct., zijnde een miljoen zevenhonderdzesentachtigduizend honderdzesenzestig euro (1.786.166 euro) voor het deel (van de verweerder) en

- 40 pct., zijnde een miljoen honderdnegentigduizend zevenhonderdachtenzeventig euro (1.190.778 euro) voor het deel (van de eiser).

Er wordt in geen andere terugbetaling voorzien dan een jaarlijkse storting naar rata van de participaties, waarvan het bedrag in onderlinge overeenstemming voor de beide partijen zal worden bepaald.

Indien een partij echter uit de portefeuille wil treden, zal zulks enkel kunnen gebeuren door spreiding van de terugbetaling over maximum één jaar te rekenen van de aanvraag."

Het arrest beslist vervolgens dat de overeenkomst tussen de eiser en de verweerder aangemerkt moet worden als een vennootschapsovereenkomst.

Daaruit leidt het arrest het volgende af:

"3. De betrekkingen tussen vennoten worden omschreven in de artikelen 22 en volgende van het Wetboek van vennootschappen.

Uit de overeenkomst tussen de partijen volgt niet dat zij uitdrukkelijk regels hebben opgelegd voor het bestuur van de vennootschap. In dergelijk geval, bij ontstentenis van bijzondere bedingen over de wijze van bestuur, bepaalt de wet dat de vennoten geacht worden elkaar wederkerig de macht te hebben verleend om, de ene voor de andere, te beheren. Hetgeen ieder van hen verricht, geldt zelfs voor het aandeel van zijn medevennoten, zonder dat hij hun toestemming verkregen heeft, behoudens het recht van de laatstgenoemden, of van een van hen, om zich tegen de handeling te verzetten voordat zij verricht is.

In werkelijkheid wordt niet betwist dat het wel degelijk (de verweerder) is die de opties en posities nam, zonder dat (de eiser) aantoont dat hij zich op enigerlei wijze ervan zou hebben gedistantieerd: in de loop van de relatie tussen de partijen heeft de (eiser) nooit enig verzet geuit.

4. Zo heeft laatstgenoemde evenmin enig verzet of enige kritiek geuit bij de regeling van de rekeningen.

Een dergelijke verrichting is toegestaan in het vennootschapsrecht. Artikel 31 Wetboek van Vennootschappen staat vennoten van een gemeenrechtelijke vennootschap toe dat een van hen de respectieve aandelen in winst en verlies bepaalt: ‘Indien de vennoten zijn overeengekomen de regeling van de hoegrootheid van de aandelen over te laten aan een van hen of aan een derde, kan tegen die regeling slechts worden opgekomen, indien zij blijkbaar strijdig is met de billijkheid. Geen bezwaar dienaangaande wordt aangenomen, indien meer dan drie maanden zijn verlopen sinds de partij die beweert benadeeld te zijn, van de regeling kennis heeft gekregen, of indien zij aan die regeling een begin van uitvoering heeft gegeven'.

Die verrichting van uittreding uit de portefeuille en van regeling van de rekeningen heeft echter ten minste zeven maanden geduurd, aangezien (de eiser) zijn brief overhandigt op 15 februari 2010 en de regeling goedkeurt op 24 september 2010.

Als ervaren en bedachtzaam zakenman schrijft hij immers op 25 september 2010: ‘Ik ondergetekende (naam van de eiser) erken na controle van de portefeuille de cheque van een bedrag van 1.508.483 euro te hebben ontvangen, dat overeenstemt met de vereffening van mijn aandeel van de portefeuille die ik gezamenlijk met (de verweerder) aanhield' [...]. Hij tekent ook de bijgevoegde afrekening.

Hij heeft op dat ogenblik geen enkel bezwaar ingediend, binnen de wettelijke termijn van drie maanden.

5. Wanneer (de verweerder) de rekeningen overneemt - namelijk precies na afloop van de in de overeenkomst van 11 december 2008 bedoelde eenjarige termijn in geval van uittreding van een partij -, maken (de eiser) noch zijn advocaat evenmin enig bezwaar bij de door de (verweerder) voorgestelde definitieve afrekening.

(De eiser) kon, als ervaren en over dat punt geïnformeerde man, niet onkundig zijn van de draagwijdte van zijn goedkeuring van de berekeningswijze op 6 maart 2011, welke goedkeuring zonder enig voorbehoud werd gegeven. Hij heeft trouwens nooit meer gereageerd, noch na dat mailbericht, noch bij de betaling van de bedragen op 14 maart 2011.

In die context is het indienen van bezwaren bij dagvaarding van 9 september 2011, zijnde meer dan zes maanden na de definitieve regeling van de rekening, laattijdig en had (de eiser) geen recht op de voor de eerste rechter gevorderde stukken. Ten overvloede: het hof [van beroep] wijst erop dat hij de gevorderde stukken wel gekregen heeft maar dat hij geen enkele kritiek uit over de posities die (de verweerder) voor de gemeenschappelijke portefeuille nam.

Het beroepen vonnis moet worden hervormd en het incidenteel beroep is niet gegrond."

Grieven

Eerste onderdeel

1. Artikel 31 Wetboek van Vennootschappen luidt als volgt:

"Indien de vennoten zijn overeengekomen de regeling van de hoegrootheid van de aandelen over te laten aan een van hen of aan een derde, kan tegen die regeling slechts worden opgekomen, indien zij blijkbaar strijdig is met de billijkheid.

Geen bezwaar dienaangaande wordt aangenomen, indien meer dan drie maanden zijn verlopen sinds de partij die beweert benadeeld te zijn, van de regeling kennis heeft gekregen, of indien zij aan die regeling een begin van uitvoering heeft gegeven."

2. De in die bepaling vastgelegde termijn van drie maanden geldt slechts ten aanzien van de bezwaren die gemaakt worden tegen de beslissing van de partij of van de derde aan wie de vennoten, bij overeenkomst, de regeling van de aandelen overlaten, dat wil zeggen voor de vaststelling van het aandeel van elke aandeelhouder in het verlies of de winst van de vennootschap.

Die verjaringstermijn geldt dus niet voor de bezwaren tegen de regeling van de rekening bij de ontbinding van de vennootschap wanneer het aandeel van elke vennoot rechtstreeks voortvloeit uit de vennootschapsovereenkomst.

3. Met de in de aanhef van het middel weergegeven redenen stelt het arrest niet vast dat de partijen, in hun overeenkomst van 11 december 2008 die het als vennootschap aanmerkt, het eens zijn geworden de hoegrootheid van de aandelen over te laten aan een van hen of aan een derde. In tegendeel, het arrest stelt vast dat, volgens de bewoordingen van die overeenkomst, "de aanwezige partijen [...] het eens [zijn] geworden over een respectieve participatie van 40 pct. in de portefeuille voor (de eiser) en 60 pct. in de portefeuille voor (de verweerder)", en aldus rechtstreeks het aandeel van elke vennoot hebben vastgesteld.

Artikel 31 Wetboek van Vennootschappen is dus niet van toepassing in een dergelijk geval.

4. Met de in de aanhef van het middel weergegeven redenen verklaart het arrest het bezwaar laattijdig dat de eiser heeft ingediend meer dan zeven maanden nadat hij te kennen had gegeven zich uit de gemeenschappelijke portefeuille terug te trekken, en meer dan zes maanden na de definitieve regeling van de rekeningen, en wijst het bijgevolg eisers vorderingen af.

Het arrest dat de verjaringstermijn van artikel 31 Wetboek van Vennootschappen op die vorderingen toepast, terwijl hij in deze zaak niet toepasselijk was, schendt die bepaling.

(...)

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste middel

Eerste onderdeel

Krachtens artikel 31 Wetboek van Vennootschappen kan, indien de vennoten zijn overeengekomen de regeling van de hoegrootheid van de aandelen over te laten aan een van hen of aan een derde, tegen die regeling slechts worden opgekomen, indien zij blijkbaar strijdig is met de billijkheid en wordt geen bezwaar dienaan-gaande aangenomen, indien meer dan drie maanden zijn verlopen sinds de partij die beweert benadeeld te zijn, van de regeling kennis heeft gekregen, of indien zij aan die regeling een begin van uitvoering heeft gegeven.

Wanneer de vennoten, na de oprichting van de vennootschap overeenkomen om, afwijkend van hetgeen in de vennootschapsovereenkomst bedongen is, de regeling van de hoegrootheid van de aandelen over te laten aan een van hen, zijn de beper-kingen van voornoemd artikel 31 van toepassing op bezwaren tegen die regeling.

Het arrest overweegt dat de overeenkomst tussen de partijen een vennootschaps-overeenkomst is en dat die vennootschap werd ontbonden nadat de eiser in zijn brief van 15 februari 2010 te kennen had gegeven dat hij zich uit de vennootschap wilde terugtrekken.

Uit de in het onderdeel vermelde overwegingen van het arrest blijkt dat het van oordeel is dat er tussen de partijen een akkoord bestond om de regeling van de hoegrootheid van de aandelen over te laten aan de verweerder en het leidt dat ak-koord af uit de omstandigheid dat, na de ontbinding van de vennootschap, de eer-ste regeling van de rekeningen die de verweerder heeft uitgevoerd, uitdrukkelijk werd goedgekeurd door de eiser op 24 september 2010 en dat de definitieve afre-kening die de verweerder heeft opgemaakt na afloop van de in de overeenkomst van 11 december 2008 vastgestelde eenjarige termijn, stilzwijgend werd verlengd door de eiser, die geen enkel voorbehoud heeft gemaakt, noch bij de voorstelling van die afrekening, noch bij de betaling van de bijkomende bedragen die hem toe-kwamen.

Het arrest dat overweegt dat binnen de termijn van drie maanden, als bedoeld in artikel 31 Wetboek van Vennootschappen, geen enkel bezwaar tegen de eerste af-rekening werd ingediend en dat de bezwaren werden ingediend per "dagvaarding die werd betekend op 9 september 2011, dus meer dan zes maanden na de defini-tieve regeling van de rekening", verantwoordt naar recht zijn beslissing dat die bezwaren laattijdig zijn en dat eisers vordering tot overlegging van stukken niet gegrond is.

Het onderdeel kan niet worden aangenomen.

(...)

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiser in de kosten.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel, door voor-zitter Christian Storck, de raadsheren Didier Batselé, Mireille Delange, Michel Lemal en Marie-Claire Ernotte, en in openbare terechtzitting van 21 februari 2014 uitgesproken door voorzitter Christian Storck, in aanwezigheid van advocaat-generaal Thierry Werquin, met bijstand van griffier Patricia De Wadripont.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van raadsheer Antoine Lievens en over-geschreven met assistentie van griffier Johan Pafenols.

De griffier, De raadsheer,

Vrije woorden

  • Vennootschapsovereenkomst

  • Ontbinding

  • Akkoord van de vennoten om de regeling van de hoegrootheid van de aandelen aan een van hen over te laten

  • Bezwaar