- Arrest van 21 februari 2014

21/02/2014 - C.13.0246.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
De personen, die partij zijn bij een akkoord van onderling overleg, die de vereiste verklaringen moeten afleggen wanneer het percentage stemrechten waarop het bereikte akkoord slaat, de bepaalde drempelwaarden bereikt, over- of onderschrijdt, moeten één gemeenschappelijke kennisgeving doen, en geen individuele kennisgevingen.

Arrest - Integrale tekst

Nr. C.13.0246.F

1. ASCOTT INVESTISSEMENTS nv,

2. SOTER nv,

Mr. Michèle Grégoire, advocaat bij het Hof van Cassatie,

tegen

1. BIOS, vennootschap naar Luxemburgs recht in vereffening,

(...)

Mr. John Kirkpatrick en mr. Simone Nudelholc, advocaten bij het Hof van Cassa-tie.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Luik van 6 december 2012.

Raadsheer Marie-Claire Ernotte heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Thierry Werquin heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDELEN

In het cassatieverzoekschrift waarvan een eensluidend verklaard afschrift bij dit arrest is gevoegd, voeren de eiseressen twee middelen aan.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste middel

Eerste onderdeel

Het onderdeel preciseert niet hoe het arrest artikel 17 Gerechtelijk Wetboek schendt.

Het onderdeel is, zoals de verweerders betogen, niet-ontvankelijk in zoverre het die bepaling aanvoert.

Voor het overige moeten, krachtens artikel 514, eerste lid, Wetboek van Vennoot-schappen, dat van toepassing is op het geschil, personen die overgaan tot de ver-werving of overdracht van stemrechtverlenende effecten die al dan niet het kapi-taal vertegenwoordigen in naamloze vennootschappen waarvan alle of een deel van de aandelen of certificaten die deze aandelen vertegenwoordigen zijn toegela-ten tot de verhandeling op een markt als bedoeld in artikel 4 van de wet van 2 mei 2007 op de openbaarmaking van belangrijke deelnemingen in emittenten waarvan aandelen zijn toegelaten tot de verhandeling op een gereglementeerde markt en houdende diverse bepalingen, van die verwerving of overdracht kennisgeven in de gevallen en volgens de modaliteiten omschreven door de voornoemde wet van 2 mei 2007.

Artikel 11 van het koninklijk besluit van 14 februari 2008 op de openbaarmaking van belangrijke deelnemingen bepaalt dat, voor zover de totale deelneming waar-op het akkoord van onderling overleg slaat een van de in artikel 6 van die wet be-doelde, of in voorkomend geval in overeenstemming met artikel 18 van die wet bepaalde statutaire, drempelwaarden bereikt, over- of onderschrijdt, de kennisge-vingsplicht gezamenlijk rust op alle personen die bij het akkoord betrokken zijn, ongeacht de omvang van hun individuele deelneming.

Artikel 12, § 1, tweede lid, van het koninklijk besluit bepaalt dat in onderling overleg handelende personen één gemeenschappelijke kennisgeving doen.

Krachtens artikel 516, § 1, 1°, Wetboek van Vennootschappen kan de voorzitter van de rechtbank van koophandel van het rechtsgebied waarbinnen de vennoot-schap haar zetel heeft, recht doende als in kort geding, indien de vereiste kennis-gevingen niet werden verricht volgens de modaliteiten en binnen de termijnen zo-als voorgeschreven, de uitoefening van alle of een deel van de aan de betrokken effecten verbonden rechten voor een periode van ten hoogste één jaar opschorten.

Artikel 516, § 2, tweede lid, van dat wetboek preciseert dat, wanneer het voor-werp van de vraag de voornoemde opschorting betreft van alle of een deel van de rechten verbonden aan de betrokken effecten, zij, indien een kennisgeving is ver-richt, op straffe van onontvankelijkheid, uiterlijk vijftien dagen na de betekening van de kennisgeving moet worden ingediend.

Uit het onderling verband tussen die bepalingen volgt dat de personen, die partij zijn bij een akkoord van onderling overleg, die de vereiste verklaringen moeten afleggen wanneer het percentage stemrechten waarop het bereikte akkoord slaat, de bepaalde drempelwaarden bereikt, over- of onderschrijdt, één gemeenschappe-lijke kennisgeving moeten doen, en geen individuele kennisgevingen; dat de rech-ter rechtdoende als in kort geding de uitoefening van het aan de betrokken effec-ten verbonden stemrecht kan opschorten, wanneer de vereiste verklaringen niet volgens de voorgeschreven modaliteiten en binnen de voorgeschreven termijnen zijn afgelegd en dat de kennisgeving van de verklaring van een partij bij het aan-gevoerde akkoord van onderling overleg, die individueel is gedaan of zonder alle partijen bij dat akkoord te betrekken, de termijn van vijftien dagen doet ingaan waarbinnen de vordering tot opschorting tegen alle partijen bij dat akkoord op straffe van nietigheid moet worden ingesteld.

Blijkens de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, is Neufcour een geno-teerde vennootschap in de zin van artikel 4 van de wet van 2 mei 2007.

Het arrest overweegt, zonder dienaangaande te worden bekritiseerd, enerzijds, dat "Gosson-Kessales en Bios in [een] verklaring [van 23 oktober 2008] gemeld hebben gezamenlijk te handelen" dat "[die] verklaring [...] werd bekendgemaakt op de website van [de vennootschap] Neufcour op 6 november 2008", dat "de vordering [van de eiseressen] laattijdig is [daar] zij werd ingesteld bij dagvaarding van 16 december 2008" en dat "zij dus niet-ontvankelijk moet worden verklaard", anderzijds dat "hetzelfde geldt voor te vordering tegen N., L. en J. D.; dat N.D., de onverdeeldheid R.D. en de burgerlijke vennootschap des Sarts immers op 28 oktober 2008 verklaard hebben samen 11,47 pct. van de stemrechten te bezitten; dat die verklaring werd bekendgemaakt op de website van Neufcour op 6 november 2008 en dat de vraag van de [eiseressen] pas werd ingeleid bij op 16 december 2008 betekende dagvaarding".

Het stelt vast, zonder dienaangaande evenmin te worden bekritiseerd, dat de eiseressen betogen dat "de groep D. en G. (alsook M.D.) samen 46,82 pct. van de deelbewijzen van Neufcour bezitten [en] dat zij in onderling overleg handelen door gelijklopend te handelen voor het beleid van die vennootschap [...] in het exclu-sieve belang van hun groep".

Het arrest, dat op grond van die vermeldingen erop wijst dat "J.G., P.G. en Mine-ta geen transparantieverklaring hebben afgelegd" terwijl "M.D. een verklaring heeft afgelegd na de gedinginleidende dagvaarding", beslist naar recht dat "de niet-ontvankelijkheid van de vordering ten aanzien van Gosson-Kessales, van Bios, van N., L. en J.D. ook geldt voor J.G., P.G., Mineta en M.D. die, volgens de [eiseressen], met de partijen een akkoord van onderling overleg hebben gesloten".

Het onderdeel kan niet worden aangenomen.

(...)

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiseressen tot de kosten.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel, door Chris-tian Storck, de raadsheren Didier Batselé, Mireille Delange, Michel Lemal en Marie-Claire Ernotte, en in openbare terechtzitting van 21 februari 2014 uitge-sproken door voorzitter Christian Storck, in aanwezigheid van advocaat-generaal Thierry Werquin, met bijstand van griffier Patricia De Wadripont.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van raadsheer Bart Wylleman en overge-schreven met assistentie van griffier Johan Pafenols.

De griffier, De raadsheer,

Vrije woorden

  • Genoteerde vennootschappen

  • Akkoord van onderling overleg

  • Verplichting tot kennisgeving