- Arrest van 24 februari 2014

24/02/2014 - S.13.0033.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Uit de artikelen 4 en 7 Wet Ontslagregeling Personeelsafgevaardigden volgt dat de wetgever, die de brieven waarin de werkgever zijn voornemen kenbaar maakt, duidelijk heeft onderscheiden van het verzoekschrift waarbij hij de zaak bij de bevoegde rechter aanhangig maakt, heeft gewild dat de feiten die dat voornemen kunnen rechtvaardigen op straffe van nietigheid in die brieven zelf zouden worden vermeld en dat het toezicht op de naleving van het verbod om zich op andere feiten te beroepen zou geschieden aan de hand van die brieven; uit die bepalingen volgt tevens dat het in artikel 4, § 2, bedoelde verzoekschrift niet de feiten moet vermelden die naar het oordeel van de werkgever elke professionele samenwerking definitief onmogelijk maken.

Arrest - Integrale tekst

Nr. S.13.0033.N

EUROBROKERS nv, met zetel te 1731 Zellik, Brusselsesteenweg 464,

eiseres,

vertegenwoordigd door mr. Paul Lefèbvre, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1050 Brussel, Louizalaan 480, bus 9, waar de eiseres woonplaats kiest,

tegen

1. G.,

2. ALGEMEEN CHRISTELIJK VAKVERBOND, met zetel te 1030 Schaarbeek, Haachtsesteenweg 579,

3. ACV-TRANSCOM , met zetel te 1000 Brussel, Agoragalerij 105, bus 40,

verweerders.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het arbeidshof te Brussel van 23 november 2012.

Raadsheer Antoine Lievens heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Henri Vanderlinden heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDEL

De eiseres voert in haar verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

1. Artikel 4, § 1, Wet Ontslagregeling Personeelsafgevaardigden bepaalt dat de werkgever die het voornemen heeft een personeelsafgevaardigde of een kandidaat personeelsafgevaardigde om een dringende reden te ontslaan, hem en de organisa-tie die hem heeft voorgedragen hierover moet inlichten bij een ter post aangete-kende brief, die verstuurd wordt binnen drie werkdagen volgend op de dag gedu-rende welke hij kennis heeft gekregen van het feit dat het ontslag zou rechtvaardi-gen. De werkgever moet eveneens, binnen dezelfde termijn, bij verzoekschrift zijn zaak aanhangig maken bij de voorzitter van de arbeidsrechtbank.

Artikel 4, § 2, Wet Ontslagregeling Personeelsafgevaardigden bepaalt: "Het ver-zoekschrift wordt gericht aan de griffie bij een ter post aangetekende brief en vermeldt:

1° de aanduiding van de dag, maand en jaar;

2° de naam, voornaam, beroep, woonplaats van de verzoeker evenals, in voorko-mend geval, zijn hoedanigheden en inschrijving in het handelsregister of in het ambachtsregister of, indien het een rechtspersoon betreft, de aanduiding van zijn benaming, van zijn juridische aard en van zijn maatschappelijke zetel;

3° de naam, voornaam, woonplaats en hoedanigheid van de op te roepen perso-nen;

4° de handtekening van de verzoeker of van zijn advocaat.

De werkgever voegt bij zijn verzoek een afschrift van de brieven bedoeld in § 1."

Krachtens artikel 4, § 3, Wet Ontslagregeling Personeelsafgevaardigden moet de werkgever in de bij paragraaf 1 bedoelde brieven alle feiten vermelden die naar zijn oordeel elke professionele samenwerking definitief onmogelijk maken vanaf het ogenblik waarop zij door de arbeidsgerechten als juist en voldoende zwaar-wichtig zouden beoordeeld worden. In geen geval mogen deze feiten verband houden met de uitoefening van het mandaat van personeelsafgevaardigde.

Overeenkomstig artikel 4, § 4, Wet Ontslagregeling Personeelsafgevaardigden zijn de modaliteiten, de termijnen van kennisgeving en de vermeldingen die dit artikel oplegt, op straffe van nietigheid voorgeschreven.

Artikel 7 Wet Ontslagregeling Personeelsafgevaardigden bepaalt: "De dagvaar-ding vermeldt de dringende reden die het verzoek rechtvaardigt. De ingeroepen feiten mogen niet verschillen van die welke met toepassing van artikel 4, paragraaf 1, ter kennis werden gebracht. Tijdens de procedure mag geen enkele andere reden aan het arbeidsgerecht worden voorgelegd. Een afschrift van de brief, die, zoals geregeld in artikel 4, paragraaf 1, moet worden verstuurd naar de werknemer en de organisatie die hem heeft voorgedragen, moet bij het dossier worden neergelegd."

2. Uit die bepalingen volgt dat de wetgever, die de brieven waarin de werkge-ver zijn voornemen kenbaar maakt, duidelijk heeft onderscheiden van het ver-zoekschrift waarbij hij de zaak bij de bevoegde rechter aanhangig maakt, heeft gewild dat de feiten die dat voornemen kunnen rechtvaardigen op straffe van nie-tigheid in die brieven zelf zouden worden vermeld en dat het toezicht op de nale-ving van het verbod om zich op andere feiten te beroepen zou geschieden aan de hand van die brieven.

Uit die bepalingen volgt tevens dat het in artikel 4, § 2, bedoelde verzoekschrift niet de feiten moet vermelden die naar het oordeel van de werkgever elke profes-sionele samenwerking definitief onmogelijk maken.

In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.

3. Het oordeel dat uit de omstandigheid dat in bijlage aan het verzoekschrift enkel een afschrift van de brieven was gehecht en niet de bijlagen ervan, afleidt dat de eiseres eveneens te kennen gaf dat de bijlagen geen integrerend deel uit-maakten van de brieven, is een overtollige reden die de beslissing niet schraagt.

In zoverre kan het middel, al was het gegrond, niet tot cassatie leiden en is het bij-gevolg niet ontvankelijk.

4. Met de reden dat "de door [de eiseres] verdedigde stelling (...) ertoe kan leiden dat er allerlei discussies ontstaan, bvb. wanneer er in tegenstelling tot wat wordt beweerd geen bijlage bij de brief werd gevoegd", oordeelt het arrest niet dat te dezen erover onzekerheid bestaat dat de bijlage bij de brieven werd gevoegd, maar geeft het een verklaring voor de regel dat de redenen voor het voorgenomen ontslag in de aangetekende brieven zelf moeten worden vermeld.

In zoverre het middel de miskenning van het beschikkingsbeginsel aanvoert, be-rust het op een onjuiste lezing van het arrest en mist het mitsdien feitelijke grond-slag.

5. De overige grieven zijn afgeleid uit de onder r.o. 2 verworpen rechtsopvat-ting en zijn niet ontvankelijk.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiseres tot de kosten.

Bepaalt de kosten voor de eiseres op 560,50 euro.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, derde kamer, samen-gesteld uit afdelingsvoorzitter Eric Dirix, als voorzitter, en de raadsheren Beatrijs Deconinck, Koen Mestdagh, Geert Jocqué en Antoine Lievens, en in openbare rechtszitting van 24 februari 2014 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Eric Dirix, in aanwezigheid van advocaat-generaal Henri Vanderlinden, met bijstand van griffier Johan Pafenols.

J. Pafenols A. Lievens G. Jocqué

K. Mestdagh B. Deconinck E. Dirix

Vrije woorden

  • Arbeidsovereenkomst

  • Einde

  • Dringende reden

  • Feiten

  • Vermelding

  • Werknemer

  • Organisatie

  • Aangetekende brieven