- Arrest van 24 februari 2014

24/02/2014 - S.13.0031.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
De burgerlijke rechter, die uitspraak doet over een op een misdrijf gegronde vordering en nagaat of de vordering verjaard is, moet vaststellen dat de feiten die aan die vordering ten grondslag liggen, onder de toepassing van de strafwet vallen; hij moet hierbij de bestanddelen van het misdrijf die de beoordeling van de verjaring beïnvloeden, nagaan.

Arrest - Integrale tekst

Nr. S.13.0031.N

O.,

eiser,

vertegenwoordigd door mr. Willy van Eeckhoutte, advocaat bij het Hof van Cas-satie, met kantoor te 9051 Gent, Drie Koningenstraat 3, waar de eiser woonplaats kiest,

tegen

1. Alain D'IETEREN, advocaat, met kantoor te 1170 Watermaal-Bosvoorde, Terhulpenstesteenweg 187,

2. Christian VAN BUGGENHOUT, advocaat, met kantoor te 1050 Brussel, Louizalaan 106,

3. Ilse VAN DE MIEROP, advocaat, met kantoor te 1050 Brussel, Louizalaan 106/10,

als curatoren van het faillissement van SABENA nv, met zetel te 1200 Sint-Lambrechts-Woluwe, Emmanuel Mounierlaan 2,

verweerders,

vertegenwoordigd door mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Quatre Brasstraat 6, waar de verweerders woon-plaats kiezen.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest van het arbeidshof te Brussel van 15 oktober 2012.

Raadsheer Antoine Lievens heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Henri Vanderlinden heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDEL

De eiser voert in zijn verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste onderdeel

1. Het arrest oordeelt: "In voorliggende betwisting is het arbeidshof van oor-deel dat de [verweerster] niet het bewijs levert dat de nv Sabena en bij uitbreiding de curatoren niet hebben gehandeld zoals iedere bedachtzaam en voorzichtig werkgever zou hebben gehandeld, zodat het moreel element van het misdrijf niet wordt bewezen".

Het oordeelt verder dat men uit het loutere feit of de zogenaamde ‘weekendisten' al dan niet beschouwd moeten worden als verbonden met Sabena nv door een ar-beidsovereenkomst voor onbepaalde tijd, dat pas werd aangekaart na het faillis-sement, niet kan afleiden dat Sabena nv en bij uitbreiding haar curatoren vooraf-gaand aan het ontstaan van deze discussie niet hebben gehandeld zoals ieder be-dachtzaam en voorzichtig werkgever zou hebben gehandeld.

2. Aldus oordeelt het arrest aan de hand van de regelmatig overgelegde feite-lijke gegevens dat Sabena nv en bij uitbreiding de verweerders als een normaal en zorgvuldig werkgever hebben gehandeld.

Het onderdeel mist feitelijke grondslag.

Tweede onderdeel

3. De burgerlijke rechter, die uitspraak doet over een op een misdrijf gegronde vordering en nagaat of de vordering verjaard is, moet vaststellen dat de feiten die aan die vordering ten grondslag liggen, onder de toepassing van de strafwet val-len. Hij moet hierbij de bestanddelen van het misdrijf die de beoordeling van de verjaring beïnvloeden, nagaan.

4. Het stilzwijgen van de artikelen 9 en 42 Loonbeschermingswet, artikel 56, eerste lid, 1°, CAO-wet en artikel 54, 2°, Jaarlijkse Vakantiewet met betrekking tot de schuldvorm van de in deze bepalingen strafbaar gestelde handelingen brengt mee dat de schuld aan deze misdrijven onder meer kan bestaan in onacht-zaamheid.

Het bestaan van dit morele bestanddeel kan worden afgeleid uit het louter materi-ele gepleegde feit en de vaststelling dat dit feit kan worden toegerekend aan de beklaagde, met dien verstande dat de dader vrijuit gaat wanneer overmacht, on-overwinnelijke dwaling of een andere schulduitsluitingsgrond wordt aangetoond, minstens niet ongeloofwaardig is.

5. De omstandigheid dat het moreel bestanddeel van onachtzaamheid, in be-ginsel, kan worden afgeleid uit het materieel gepleegde feit en dat de werkgever de aanwezigheid van het moreel element van het misdrijf niet uitdrukkelijk be-twist, of zelf niet het bestaan van overmacht, onoverwinnelijke dwaling of een an-dere schulduitsluitingsgrond aanvoert, belet niet dat de rechter vaststelt dat dit moreel element niet aanwezig is en de werknemer het bestaan ervan niet bewijst.

In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting faalt het naar recht.

6. Zoals volgt uit het antwoord op het eerste onderdeel, gaat het arrest na of de materieel gepleegde feiten aan Sabena nv en bij uitbreiding aan de verweerders kunnen worden toegerekend en stelt het vast dat dit niet het geval is.

Het onderdeel mist in zoverre feitelijke grondslag.

Derde onderdeel

7. Anders dan waarvan het onderdeel uitgaat, oordeelt het arrest niet dat het materiële element van de door de eiser ingeroepen misdrijven bewezen is, maar gaat het slechts na of, in de veronderstelling dat het materiële element bewezen zou zijn, ook het morele element voorhanden is.

Het onderdeel dat op een onjuiste lezing van het arrest berust, mist feitelijke grondslag.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiser tot de kosten.

Bepaalt de kosten voor de eiser op 350,09 euro en voor de verweerders op 291,41 euro.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, derde kamer, samen-gesteld uit afdelingsvoorzitter Eric Dirix, als voorzitter, en de raadsheren Beatrijs Deconinck, Koen Mestdagh, Geert Jocqué en Antoine Lievens, en in openbare rechtszitting van 24 februari 2014 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Eric Dirix, in aanwezigheid van advocaat-generaal Henri Vanderlinden, met bijstand van griffier Johan Pafenols.

J. Pafenols A. Lievens G. Jocqué

K. Mestdagh B. Deconinck E. Dirix

Vrije woorden

  • Burgerlijke rechter

  • Beslissing

  • Verjaring

  • Toetsing

  • Feiten die aan de vordering ten grondslag liggen

  • Vaststelling