- Arrest van 25 februari 2014

25/02/2014 - P.12.1739.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Het Hof vermag een verschrijving omtrent de vermelding van de datum waarop het bestreden arrest is uitgesproken recht te zetten indien de datum van de uitspraak blijkt uit het proces-verbaal van de rechtszitting (1). (1) Zie Cass. 1 feb. 2001, AR C.99.0255.F, AC 2001, nr. 63; Cass. 13 juni 2002, AR D.01.0016.N, AC 2002, nr. 358; Cass. 10 juni 2011, AR F.10.0030.N, AC 2011, nr. 398, met conclusie van advocaat-generaal D. Thijs.

Arrest - Integrale tekst

Nr. P.12.1739.N

B A,

beklaagde,

eiser,

met als raadsman mr. Erwin Goffin, advocaat bij de balie te Leuven.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel, correctionele kamer, van 25 september 2012.

De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan.

Raadsheer Alain Bloch heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Luc Decreus heeft geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste middel

1. Het middel voert schending aan van artikel 780, 5°, Gerechtelijk Wetboek: het arrest vermeldt 25 september 2011 als datum van de uitspraak, terwijl het ze-ker niet op die datum werd uitgesproken; het arrest moet op straffe van nietigheid de juiste datum van de uitspraak vermelden.

2. Uit het proces-verbaal van de rechtszitting van 25 september 2012 blijkt dat de vermelding van 25 september 2011 als datum waarop het arrest is uitgesproken een verschrijving is en dat dit arrest is uitgesproken op 25 september 2012. Het Hof vermag die verschrijving recht te zetten.

Het middel kan niet worden aangenomen.

Tweede middel

3. Het middel voert schending aan van artikel 15 IVBPR en artikel 2, tweede lid, Strafwetboek: het arrest verklaart de eiser schuldig en spreekt een verbeurd-verklaring uit op basis van artikel 77bis, § 5, Vreemdelingenwet, terwijl op het ogenblik van de feiten dit artikel zonder overgangsmaatregelen was opgeheven en niet meer bestond; het Grondwettelijk Hof besliste dat artikel 433decies en vol-gende Strafwetboek niet retroactief mogen worden toegepast; het nieuwe artikel 77bis Vreemdelingenwet dat handelt over mensensmokkel voorziet niet in een bijzondere verbeurdverklaring; de opheffing van de strafwet heeft het verval van de strafvordering voor gevolg.

4. Artikel 77bis, § 1bis, § 2, § 4 en § 5, Vreemdelingenwet, vóór de vervanging door artikel 29 van de wet van 10 augustus 2005 tot wijziging van diverse bepalingen met het oog op de versterking van de strijd tegen mensenhandel en mensensmokkel en tegen praktijken van huisjesmelkers, met ingang van 12 sep-tember 2005, bepaalde:

"§ 1bis Met gevangenisstraf van een jaar tot vijf jaar en met een geldboete van vijfhonderd euro tot vijfentwintigduizend euro wordt gestraft hij die rechtstreeks of via een tussenpersoon misbruik maakt van de bijzonder kwetsbare positie van een vreemdeling ten gevolge van zijn onwettige of precaire administratieve toestand door de verkoop, verhuur of ter beschikking stelling van enig onroerend goed of kamers of enige andere ruimte met de bedoeling een abnormaal profijt te realiseren.

§ 2. De in de §§ 1 en § 1bis bedoelde misdrijven worden gestraft met opsluiting van vijf jaar tot tien jaar en met geldboete van vijfhonderd euro tot vijfentwintigduizend euro, wanneer van de betrokken activiteit een gewoonte wordt gemaakt.

§ 4. De schuldigen aan de misdrijven bedoeld in de §§ 2 en 3 worden bovendien veroordeeld tot ontzetting van de rechten omschreven in het 1°, 3°, 4° en 5° van artikel 31 van het Strafwetboek.

§ 5. De bijzondere verbeurdverklaring zoals bedoeld in artikel 42, 1°, van het Strafwetboek kan worden toegepast zelfs wanneer de zaken waarop zij betrekking hebben, niet het eigendom van de veroordeelde zijn. Zij kan onder dezelfde voor-waarden ook worden toegepast op het in § 1bis bedoelde onroerend goed, kamers of enige andere ruimte."

Artikel 433decies Strafwetboek bepaalt: "Met gevangenisstraf van zes maanden tot drie jaar en met geldboete van vijfhonderd euro tot vijfentwintigduizend euro wordt gestraft hij die rechtstreeks of onrechtstreeks of via een tussenpersoon mis-bruik maakt van de kwetsbare toestand waarin een persoon verkeert ten gevolge van zijn onwettige of precaire administratieve toestand, zijn precaire sociale toe-stand, zijn leeftijd, zwangerschap, een ziekte dan wel een lichamelijk of een gees-telijk gebrek of onvolwaardigheid door, met de bedoeling een abnormaal profijt te realiseren, een roerend goed, een deel ervan, een onroerend goed, een kamer of een andere in artikel 479 bedoelde ruimte, te verkopen, te verhuren of ter be-schikking te stellen in omstandigheden die in strijd zijn met de menselijke waar-digheid, zodanig dat de betrokken persoon in feite geen andere echte en aan-vaardbare keuze heeft dan zich te laten misbruiken. De boete wordt zo veel keer toegepast als er slachtoffers zijn."

Artikel 433undecies, eerste lid, 1°, en tweede lid, Strafwetboek bepaalt:

"Het in artikel 433decies bedoelde misdrijf wordt gestraft met gevangenisstraf van een jaar tot vijf jaar en met geldboete van duizend euro tot honderdduizend euro in de volgende gevallen: 1° in geval van de betrokken activiteit een gewoonte wordt gemaakt; (...)

De boete wordt zo veel keer toegepast als er slachtoffers zijn."

Artikel 433terdecies Strafwetboek bepaalt:

"In de gevallen bedoeld in de artikelen 433undecies en 433duodecies worden de schuldigen bovendien veroordeeld tot ontzetting van de rechten bedoeld in artikel 31, eerste lid.

De bijzondere verbeurdverklaring zoals bedoeld in artikel 42, 1°, wordt toegepast op de schuldigen aan het misdrijf bedoeld in artikel 433decies, zelfs ingeval de zaken waarop zij betrekking heeft niet het eigendom van de veroordeelde zijn, zonder dat deze verbeurdverklaring evenwel afbreuk kan doen aan de rechten van derden op de goederen die verbeurd zullen kunnen worden verklaard. Zij moeten in dezelfde omstandigheden ook worden toegepast op het roerend goed, het deel ervan, het onroerend goed, de kamer of enige andere ruimte bedoeld in dat artikel.

Ze kan ook worden toegepast op de tegenwaarde van deze roerende of onroerende goederen die werden vervreemd tussen het tijdstip waarop het misdrijf werd ge-pleegd en de definitieve rechterlijke beslissing."

5. Met het arrest nr. 27/2010 van 17 maart 2010 oordeelt het Grondwettelijk Hof als volgt: "In zoverre zij tot gevolg hebben dat de misdrijven gepleegd vóór 12 september 2005 met zwaardere boeten worden bestraft dan diegene die zijn bedoeld in het vroegere artikel 77bis, §§ 1bis, 2 en 3, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, schenden de artikelen 433decies en 433undecies van het Strafwetboek, ingevoegd bij de wet van 10 augustus 2005 tot wijziging van diverse bepalingen met het oog op de versterking van de strijd tegen mensenhandel en mensensmokkel en tegen praktijken van huisjesmelkers, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet."

Aldus oordeelt het Grondwettelijk Hof enkel dat op vóór 12 september 2005 ge-pleegde feiten niet de door artikel 433decies en undecies Strafwetboek bepaalde geldboeten kunnen worden toegepast. Het spreekt zich niet uit over de bijzondere verbeurdverklaring.

In zoverre mist het middel feitelijke grondslag.

6. Artikel 15.1 IVBPR bepaalt: "Niemand kan worden veroordeeld wegens een handelen of nalaten, dat geen strafbaar feit naar nationaal of internationaal recht uitmaakte ten tijde dat het handelen of nalaten geschiedde. Evenmin mag een zwaardere straf worden opgelegd dan die welke ten tijde van het begaan van het strafbare feit van toepassing was. Indien, na het begaan van het strafbare feit de wet mocht voorzien in de oplegging van een lichtere straf, dient de overtreder daarvan te profiteren."

Artikel 2 Strafwetboek bepaalt: "Geen misdrijf kan worden gestraft met straffen die bij de wet niet waren gesteld voordat het misdrijf werd gepleegd. Indien de straf, ten tijde van het vonnis bepaald, verschilt van die welke ten tijde van het misdrijf was bepaald, wordt de minst zware straf toegepast."

7. Uit die bepalingen volgt dat wanneer een nieuwe strafwet dezelfde aangele-genheid regelt als een wet die zij opheft, het feit gepleegd onder gelding van de opgeheven wet strafbaar blijft, voor zover dit feit ook door de nieuwe wet als misdrijf wordt aangemerkt en strafbaar gesteld is.

8. De vervanging van artikel 77bis, § 1bis, § 2, § 4 en § 5, Vreemdelingenwet en de invoering van de artikelen 433decies, undecies en terdecies Strafwetboek met ingang van 12 september 2005, hebben dan ook niet het verval van de straf-vordering tot gevolg.

In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.

Ambtshalve middel

Geschonden wettelijke bepalingen

- de artikelen 31 en 33 Strafwetboek

9. Het arrest veroordeelt de eiser voor de bewezen verklaarde feiten niet alleen tot een correctionele hoofdgevangenisstraf en geldboete, maar het ontzet hem ook uit de rechten omschreven in artikel 31, 1°, 3°, 4° en 5°, Strafwetboek, zonder daarvoor een termijn te bepalen.

10. De rechter kan krachtens artikel 33 Strafwetboek voor de tot correctionele straffen veroordeelden de ontzetting van de uitoefening van de in artikel 31 Straf-wetboek genoemde rechten uitspreken voor een termijn van vijf tot tien jaar.

11. Het arrest dat de eiser veroordeelt tot ontzetting uit de rechten vermeld in artikel 31, 1°, 3°, 4° en 5°, Strafwetboek, zonder daarvoor een termijn te bepalen, schendt de in het middel vermelde bepalingen.

Ambtshalve onderzoek van de beslissing op de strafvordering voor het overige

12. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen.

Dictum

Het Hof,

Vernietigt het arrest in zoverre het nalaat de termijn te bepalen voor de lastens de eiser uitgesproken ontzetting van de uitoefening van de rechten genoemd in artikel 31, 1°, 3°, 4° en 5°, Strafwetboek.

Verwerpt het cassatieberoep voor het overige.

Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeel-telijk vernietigde arrest.

Veroordeelt de eiser tot negen tienden van de kosten en laat de overige kosten ten laste van de Staat.

Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Antwerpen.

Bepaalt de kosten op 138,66 euro.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samen-gesteld uit afdelingsvoorzitter Paul Maffei, als voorzitter, afdelingsvoorzitter Luc Van hoogenbemt, de raadsheren Filip Van Volsem, Alain Bloch en Antoine Lie-vens, en op de openbare rechtszitting van 25 februari 2014 uitgesproken door af-delingsvoorzitter Paul Maffei, in aanwezigheid van advocaat-generaal Luc De-creus, met bijstand van afgevaardigd griffier Véronique Kosynsky.

V. Kosynsky

A. Lievens A. Bloch

F. Van Volsem L. Van hoogenbemt P. Maffei

Vrije woorden

  • Uitspraak

  • Ontstentenis van dagtekening