- Arrest van 25 februari 2014

25/02/2014 - P.12.1799.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Het feit dat de rechter in een zelfde beslissing uitspraak doet over de schuld en de straf, levert geen schending van artikel 6 EVRM noch miskenning van het vermoeden van onschuld op; dat de rechter bij de beoordeling van de schuldvraag kennis heeft van het strafrechtelijk verleden van beklaagde, doet hieraan geen afbreuk (1). (1) Zie Cass. 17 feb. 1998, AR P.96.0312.N, AC 1998, nr. 95; Cass. 27 april 2005, AR P.05.0173.F, AC 2005, nr. 246; R. DECLERCQ, Beginselen van strafrechtspleging, Mechelen, Kluwer, 2010, 1028, nr. 2357.

Arrest - Integrale tekst

Nr. P.12.1799.N

K D G R D M,

beklaagde,

eiser,

met als raadsman mr. Paul Van Buynder, advocaat bij de balie te Dendermonde.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, cor-rectionele kamer, van 2 oktober 2012.

De eiser voert in een verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, vier middelen aan.

Raadsheer Alain Bloch heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Luc Decreus heeft geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Ontvankelijkheid van het cassatieberoep

1. Het arrest verklaart de feiten van de telastleggingen A.1, A.2 en A.3 niet bewezen in hoofde van de eiser en ontslaat hem van rechtsvervolging voor deze telastleggingen.

In zoverre tegen die beslissing gericht, is het cassatieberoep bij gebrek aan belang niet ontvankelijk.

Eerste middel

2. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: het arrest moti-veert niet waarom het geen werkstraf oplegt, terwijl dit door de eiser expliciet is gevraagd "in besluiten en ter zitting".

3. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt niet dat de eiser aan de appelrechters gevraagd heeft een werkstraf op te leggen.

Het middel mist feitelijke grondslag.

Tweede middel

4. Het middel voert schending aan van artikel 6 EVRM: het arrest houdt geen rekening met het overschrijden van de redelijke termijn waarbinnen uitspraak diende te worden gedaan over de feiten die dateren van 2005 en ervoor.

5. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt niet dat de eiser dit verweer voor de appelrechters heeft gevoerd.

Het middel is nieuw, mitsdien niet ontvankelijk.

Derde middel

6. Het middel voert schending aan van artikel 6 EVRM en miskenning van het vermoeden van onschuld: het arrest behandelt in één proceshandeling de schuld-vraag en de straftoemeting waardoor de rechter die over de schuld oordeelt kennis heeft en beïnvloed wordt door eisers strafrechtelijk verleden.

7. Het feit dat de rechter in eenzelfde beslissing uitspraak doet over de schuld en de straf, levert geen schending van artikel 6 EVRM noch miskenning van het vermoeden van onschuld op. Dat hij bij de beoordeling van de schuldvraag kennis heeft van het strafrechtelijk verleden van de beklaagde, doet hieraan geen afbreuk.

Het middel faalt naar recht.

Vierde middel

8. Het middel voert schending aan van artikel 6 EVRM, alsmede de misken-ning van het recht op een eerlijk proces en het recht van verdediging: het arrest legt een zwaardere straf op hoewel het openbaar ministerie de bevestiging had ge-vraagd van de door de eerste rechter opgelegde straf; de eiser kan zich niet verde-digen tegen een vordering die niet wordt gesteld.

9. Op het onbeperkt hoger beroep van het openbaar ministerie nemen de appel-rechters kennis van de strafvordering in haar geheel. De appelrechters kunnen vrijspreken of veroordelen, het beroepen vonnis bevestigen, de strafmaat verhogen of verlagen, zonder dat zij uitspraak moeten doen binnen de grenzen van de vordering van het openbaar ministerie.

10. De mogelijkheid voor de rechter om de strafmaat te bepalen tussen het wet-telijk minimum en maximum en dit ongeacht de vordering van het openbaar mi-nisterie, is een mogelijkheid waarmee de beklaagde rekening moet houden bij het voeren van een passend verweer. Dit levert geen miskenning op van het door arti-kel 6 EVRM gewaarborgde recht op een eerlijk proces of het recht van verdedi-ging.

Het middel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt naar recht.

Ambtshalve onderzoek van de beslissing op de strafvordering

11. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiser tot de kosten.

Bepaalt de kosten op 94,11 euro.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samen-gesteld uit afdelingsvoorzitter Paul Maffei, als voorzitter, afdelingsvoorzitter Luc Van hoogenbemt, de raadsheren Filip Van Volsem, Alain Bloch en Antoine Lie-vens, en op de openbare rechtszitting van 25 februari 2014 uitgesproken door af-delingsvoorzitter Paul Maffei, in aanwezigheid van advocaat-generaal Luc De-creus, met bijstand van afgevaardigd griffier Véronique Kosynsky.

V. Kosynsky

A. Lievens A. Bloch

F. Van Volsem L. Van hoogenbemt P. Maffei

Vrije woorden

  • Beslissing over schuld en straf

  • Toepassing