- Arrest van 25 februari 2014

25/02/2014 - P.13.1409.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Artikel 14.7 IVBPR en artikel 4.1 Zevende aanvullende Protocol EVRM, noch het algemene rechtsbeginsel “non bis in idem” dat dezelfde draagwijdte heeft, beletten een strafvervolging en een veroordeling na een tuchtprocedure waarin een einduitspraak is gewezen, wanneer die tuchtprocedure niet de kenmerken van een strafvervolging vertoont; de omstandigheid dat de opgelegde tuchtstraf, in voorkomend geval, als een straf moet worden beschouwd in de zin van artikel 6 EVRM, doet hieraan geen afbreuk (1). (1) Zie Cass. 24 nov. 2009, AR P.09.0965.N, AC 2009, nr. 692.

Arrest - Integrale tekst

Nr. P.13.1409.N

P R E D,

beklaagde,

eiser,

met als raadsman mr. Mounir Souidi, advocaat bij de balie te Antwerpen,

tegen

1. I B,

burgerlijke partij,

2. STAD ANTWERPEN, met kantoor te 2000 Antwerpen, Grote Markt 1,

burgerlijke partij,

verweerders.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwer-pen, correctionele kamer, van 27 juni 2013.

De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan.

Afdelingsvoorzitter Luc Van hoogenbemt heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Luc Decreus heeft geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Middel in zijn geheel

1. Het middel voert schending aan van artikel 14.7 IVBPR en artikel 4.1 Ze-vende Aanvullend Protocol EVRM, evenals miskenning van het algemeen rechts-beginsel houdende "non bis in idem": het arrest oordeelt dat de eiser die om tucht-rechtelijke redenen eerst geschorst werd met gedeeltelijk salarisverlies en uitein-delijk ontslagen werd, alsnog strafrechtelijk kan worden veroordeeld voor dezelf-de feiten; de sanctie van ontslag kan evenwel onmogelijk anders worden gekwali-ficeerd dan als een strafsanctie; de bestanddelen van de ten laste gelegde inbreu-ken zijn ook volstrekt identiek in de tuchtrechtelijke en de strafrechtelijke proce-dure; het arrest dat de eiser aldus voor dezelfde feiten opnieuw tot straf veroor-deelt, miskent het voormelde algemeen rechtsbeginsel (eerste onderdeel); de be-slissing tot ontslag, die stoelt op een norm met een algemeen karakter en ertoe strekt te straffen met de zwaarst mogelijke sanctie om herhaling van gelijkaardige handelingen te voorkomen, kan onmogelijk anders worden gekwalificeerd dan als een strafsanctie; de motivering van het arrest kan niet volstaan om uit te sluiten dat ter zake voordien reeds een sanctie met strafrechtelijk karakter opgelegd werd (tweede onderdeel).

1. Artikel 14.7 IVBPR bepaalt: "Niemand mag voor een tweede keer worden berecht of gestraft voor een strafbaar feit waarvoor hij reeds overeenkomstig de wet en het procesrecht van elk land bij einduitspraak is veroordeeld of waarvan hij is vrijgesproken."

Artikel 4.1 Zevende Aanvullend Protocol EVRM bepaalt: "Niemand wordt op-nieuw berecht of gestraft in een strafrechtelijke procedure binnen de rechtsmacht van dezelfde Staat voor een strafbaar feit waarvoor hij reeds onherroepelijk is vrijgesproken of veroordeeld overeenkomstig de wet en het strafprocesrecht van die Staat."

Het algemene rechtsbeginsel "non bis in idem" heeft dezelfde draagwijdte.

Dit algemene rechtsbeginsel, noch de voormelde bepalingen beletten een strafver-volging en een veroordeling na een tuchtprocedure waarin een einduitspraak is gewezen, wanneer die tuchtprocedure niet de kenmerken van een strafvervolging vertoont. De omstandigheid dat de opgelegde tuchtstraf, in voorkomend geval, als een straf moet worden beschouwd in de zin van artikel 6 EVRM, doet hieraan geen afbreuk.

2. Er is sprake van een strafvervolging zoals bedoeld in artikel 6.1 EVRM wanneer deze vervolging beantwoordt aan een strafrechtelijke kwalificatie volgens het interne recht, de inbreuk volgens haar aard geldt voor alle burgers of de sanctie op de inbreuk volgens haar aard en haar ernst een repressief of preventief oogmerk heeft.

3. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt dat de eiser een tuchtprocedure onderging wegens inbreuk op artikel 282 Nieuwe Gemeentewet, namelijk het in het gedrang brengen van de waardigheid van zijn ambt. Als tuchtmaatregel werd hem uiteindelijk de sanctie van ontslag opgelegd.

4. Het arrest oordeelt dat:

- de inbreuk op artikel 282 Nieuwe Gemeentewet geen betrekking heeft op alle burgers, maar zich slechts richt tot een beperkte categorie van personen, met name de leden van het gemeentepersoneel;

- de uiteindelijk opgelegde tuchtrechtelijke sanctie van ontslag noch een hoge geldboete inhoudt, noch een vrijheidsberoving of een specifiek beroepsverbod voor een lange periode.

5. Met die redenen oordeelt het arrest dat de inbreuk op artikel 282 Nieuwe Gemeentewet niet beantwoordt aan een strafrechtelijke kwalificatie, maar duide-lijk van tuchtrechtelijke aard is. Het oordeelt aldus verder dat de sanctie van ont-slag niet strafrechtelijk van aard is, maar tuchtrechtelijk. Aldus verantwoordt het arrest zijn beslissing naar recht dat de tuchtrechtelijke vervolging waarvan de eiser het voorwerp heeft uitgemaakt, geen strafvervolging was als bedoeld in artikel 6.1 EVRM zodat de eiser wegens feiten van zware slagen aan een agent die drager is van het openbaar gezag of van de openbare macht, weerspannigheid en smaad, strafrechtelijk kan worden vervolgd en tot straf kan worden veroordeeld.

Het middel kan niet aangenomen worden.

Ambtshalve onderzoek van de beslissing op de strafvordering

6. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiser tot de kosten.

Bepaalt de kosten op 100,71 euro.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samen-gesteld uit afdelingsvoorzitter Paul Maffei, als voorzitter, afdelingsvoorzitter Luc Van hoogenbemt, de raadsheren Filip Van Volsem, Alain Bloch en Antoine Lie-vens, en op de openbare rechtszitting van 25 februari 2014 uitgesproken door af-delingsvoorzitter Paul Maffei, in aanwezigheid van advocaat-generaal Luc De-creus, met bijstand van afgevaardigd griffier Véronique Kosynsky.

V. Kosynsky

A. Lievens A. Bloch

F. Van Volsem L. Van hoogenbemt P. Maffei

Vrije woorden

  • "Non bis in idem"

  • Tuchtstraf

  • Strafrechtelijke veroordeling voor dezelfde feiten

  • Toepasselijkheid