- Arrest van 26 februari 2014

26/02/2014 - P.13.1696.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Noch artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, noch de artikelen 189ter van het Wetboek van Strafvordering en 19, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek, verbieden de correctionele kamer van het hof van beroep om de kamer van inbeschuldigingstelling met het onderzoek te belasten van de regelmatigheid van de bijzondere opsporingsmethode infiltratie, zonder eerst uitspraak te hebben gedaan over de ontvankelijkheid van het hoger beroep waarmee de zaak bij dat hof aanhangig is gemaakt.

Arrest - Integrale tekst

Nr. P.13.1696.F

I. A. B.,

Mr. Christophe Marchand, advocaat bij de balie te Brussel,

II. H. B.,

Mr. Mélanie Bosmans, advocaat bij de balie te Brussel,

III. H. B.,

IV. A. E. M.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

De cassatieberoepen zijn gericht tegen drie arresten van het hof van beroep te Brussel, correctionele kamer, van 28 september 2010, 19 december 2012 en 18 september 2013, alsook tegen het arrest van de kamer van inbeschuldigingstelling van het voormelde hof van 26 november 2010.

De eerste twee eisers voeren ieder in een memorie die aan dit arrest is gehecht, respectievelijk zes en drie middelen aan.

Afdelingsvoorzitter ridder Jean de Codt heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Damien Vandermeersch heeft geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

A. Cassatieberoep van A. B.

1. In zoverre het cassatieberoep gericht is tegen het arrest van het hof van beroep van 28 september 2010

Eerste middel

Eerste onderdeel

Het arrest wordt verweten dat het geen uitspraak doet over de ontvankelijkheid van het hoger beroep van de procureur des Konings alvorens het dossier aan de procureur-generaal over te zenden met het oog op de controle van de regelmatig-heid van de infiltratie.

Het middel voert de schending aan van artikel 6 EVRM, van artikel 189ter Wet-boek van Strafvordering en van artikel 19, tweede lid, Gerechtelijk Wetboek.

Geen van de drie aangevoerde bepalingen verbiedt het hof van beroep de boven-vermelde controle te bevelen zonder eerst uitspraak te hebben gedaan over de ont-vankelijkheid van het hoger beroep waarmee de zaak er aanhangig is gemaakt.

Het middel faalt naar recht.

Tweede onderdeel

De eiser voert aan dat het arrest de wetsbepalingen en de verdragsbepaling schendt die in het eerste onderdeel zijn bedoeld, daar het hof van beroep het dos-sier heeft overgezonden "aan het openbaar ministerie, bestaande uit een magi-straat die eerder in dezelfde zaak zitting had gehouden in het onderzoeksgerecht in hoger beroep".

Het middel vermeldt overigens dat "de zetel van het hof van beroep bestond uit een magistraat die zitting had gehouden in de kamer van inbeschuldigingstelling".

Wat de eerste grief betreft, verbieden de volgens het middel geschonden bepa-lingen niet dat een magistraat van het openbaar ministerie voor het vonnisgerecht kennisneemt van een zaak die reeds in zijn aanwezigheid voor het onderzoeksge-recht werd opgeroepen.

Wat de tweede grief betreft, vermeldt de eiser niet welk arrest de kamer van inbe-schuldigingstelling heeft gewezen waarbij één van de magistraten waaruit ze was samengesteld, op 28 september 2010 zitting had gehouden in de veertiende cor-rectionele kamer.

Het bestaan van een dergelijk arrest kan niet tot nietigheid leiden van de beslissing die artikel 189ter, vierde lid, Wetboek van Strafvordering toepast en dus niet vooruitloopt op de grond van de zaak.

Het middel kan niet worden aangenomen.

Ambtshalve onderzoek van de beslissing

De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen.

2. In zoverre het cassatieberoep gericht is tegen het arrest van het hof van beroep van 19 december 2012

Tweede middel

In correctionele en politiezaken is het opstellen van een proces-verbaal van de rechtszitting niet voorgeschreven op straffe van nietigheid.

Het ontbreken van het proces-verbaal leidt slechts tot nietigheid van de beslissing als deze niet zélf de vereiste vermeldingen bevat tot staving van de regelmatigheid van de rechtspleging.

Het arrest van 28 september 2010 heeft onder meer betrekking op het hoger be-roep van de procureur des Konings, geeft het voorwerp aan van de schriftelijke vordering van het openbaar ministerie van 2 september 2010, vermeldt dat de acht beklaagden en hun raadslieden zijn gehoord en vermeldt artikel 190 Wetboek van Strafvordering als een van de wettelijke bepalingen die in de zaak zijn toegepast.

Daaruit volgt dat het Hof kan nagaan of de rechtspleging op tegenspraak is ge-voerd, of de zaak in het openbaar werd behandeld en of de appelrechters op 28 september 2010 uitspraak hebben gedaan over de vordering van het openbaar mi-nisterie.

In strijd met wat het middel aanvoert, diende het hof van beroep op 19 december 2012 de beslissing van 28 september 2010 niet nietig te verklaren.

Het middel kan niet worden aangenomen.

Derde middel

Het arrest stelt niet vast dat de politie-infiltrant, op 15 juli 2008, druk zou hebben uitgeoefend op R. B. om hem ertoe aan te zetten een misdrijf te plegen dat hij an-ders niet zou hebben gepleegd.

Het hof van beroep diende bijgevolg de poging van de undercoveragent om con-tact te leggen met de entourage van zijn target, niet gelijk te stellen met een pro-vocatie vanwege de politie.

Het middel kan niet worden aangenomen.

Ambtshalve onderzoek van de beslissing

De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen.

3. In zoverre het cassatieberoep gericht is tegen het arrest van het hof van beroep van 18 september 2013

Vierde middel

Er wordt kritiek uitgeoefend op het arrest, in zoverre het weigert een nieuwe con-trole van de regelmatigheid van de tijdens het onderzoek aangewende observatie- en infiltratiemethode uit te oefenen.

Bij arresten van 10 juli 2009 en 26 november 2010 heeft de kamer van inbeschul-digingstelling het gebruik van die methoden geldig verklaard.

De voormelde beslissingen, die op grond van de artikelen 189ter en 235ter Wet-boek van Strafvordering zijn gewezen, houden in dat de naleving van de algemene en bijzondere voorwaarden voor observatie en infiltratie is getoetst.

Daaruit volgt onder meer dat, volgens het onderzoeksgerecht, tot de bijzondere methoden werd gemachtigd overeenkomstig de bepalingen van de artikelen 47sexies, § 2, eerste lid, en 47octies, § 2, eerste lid, Wetboek van Strafvordering, met andere woorden, dat het onderzoek zulks vereiste en de klassieke middelen van onderzoek niet leken te volstaan om de waarheid aan de dag te brengen.

De eiser voert aan dat hij de eerbiediging van de proportionaliteits- en subsidiari-teitsvoorwaarde andermaal kon betwisten voor het vonnisgerecht, aangezien de kamer van inbeschuldigingstelling haar controle tot het vertrouwelijk dossier heeft beperkt.

Die voorwaarden moeten niet na afloop van het voorbereidend onderzoek zijn vervuld, maar op het ogenblik dat de bijzondere opsporingsmethode wordt bevo-len en toegepast.

Wanneer de vereisten van het onderzoek en het niet-voorhanden zijn van een al-ternatieve oplossing, het gebruik van observatie of infiltratie hebben verantwoord op het ogenblik waarop de beslissing daartoe werd genomen, kunnen de latere ontwikkelingen van het gerechtelijk onderzoek die keuze niet ongeldig maken, aangezien de wettigheid ervan wordt onderzocht op grond van de elementen waarover de magistraat beschikte op het ogenblik van zijn keuze. Op dezelfde wijze kan een opsporingsmethode die onwettig was op het ogenblik dat het ge-bruik ervan werd bevolen door de vooruitgang van het onderzoek niet wettig wor-den.

De appelrechters kan dus niet worden verweten dat ze de eiser het recht hebben ontzegd om voor hen de betwisting te hernemen waarover reeds op grond van de relevante gegevens van de zaak uitspraak was gedaan.

Het middel kan niet worden aangenomen.

Vijfde middel

Eerste onderdeel

Het arrest antwoordt op de conclusie van de eiser door te vermelden dat de inlich-tingen uit politiekringen geen bewijzen opleveren maar in aanmerking kunnen worden genomen om een onderzoek te openen of te oriënteren. Het arrest beslist ook dat er geen grond is om de verzoeken tot verhoor in te willigen, daar ze de onthulling inhouden van de identiteit van de politionele bronnen en deze niet in gevaar mogen worden gebracht.

De appelrechters hebben aldus artikel 6 EVRM niet geschonden.

De beslissing op de strafvordering tegen de eiser steunt in hoofdzaak op het on-derzoek van het telefoonverkeer, de contacten van betrokkene met de andere be-klaagden en de wapenleveringen aan de undercoveragent.

Het hof van beroep blijkt zich niet op andere gegevens te hebben gegrond dan die waarover alle partijen tegenspraak hebben kunnen voeren.

Het middel kan niet worden aangenomen.

Tweede onderdeel

Het middel verwijt het arrest dat het het verhoor van een andere beklaagde, die beweert dat hij de eiser in het bezit van een wapen heeft gezien, niet heeft ge-weerd.

Het arrest grondt zijn beslissing echter niet op die verklaring om de telastleggingen bewezen te verklaren.

Het middel is niet ontvankelijk bij gebrek aan belang.

Zesde middel

De eiser verwijt het arrest dat het geen uitspraak doet over het gevolg dat dient te worden gegeven aan de onderzoeksverrichtingen die rechtstreeks of onrecht-streeks voortvloeien uit het proces-verbaal van 11 augustus 2008, waarvan de ap-pelrechters de verwijdering uit het dossier hebben bevolen.

Het arrest beschrijft dat proces-verbaal als de weergave van de kennisname, door de speurders, van een ander dossier waarvan zij inzage hebben gekregen zonder dat hun daartoe de vereiste machtiging lijkt te zijn verleend.

In de conclusie die namens de eiser op de rechtszitting van het hof van beroep te Brussel van 17 juni 2013 is neergelegd, preciseert hij niet welke onderzoeksver-richtingen rechtstreeks of onrechtstreeks uit het voormelde proces-verbaal voort-vloeien. Hij heeft alleen verzocht dat "alle andere gevolgen van het gebruik van dossier 551/08" uit het geding zouden worden gehouden.

Het arrest wijst het bekritiseerde proces-verbaal af "net als alle andere stukken afkomstig van het onderzoek 551/08 van onderzoeksrechter Leroux".

De appelrechters, die het verzoek inwilligen in dezelfde bewoordingen als die waarin het verzoek was geformuleerd, schenden de artikelen 6 EVRM en 57, § 1, eerste lid, Wetboek van Strafvordering niet.

Het middel kan niet worden aangenomen.

Ambtshalve onderzoek van de beslissing

De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen.

B. Cassatieberoep van H. B., op 1 oktober 2013 ingesteld onder nummer 2323 van de minuten van de griffie van het hof van beroep

1. In zoverre het cassatieberoep gericht is tegen het arrest van het hof van beroep van 28 september 2010

De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen.

2. In zoverre het cassatieberoep gericht is tegen het arrest van het hof van beroep van 19 december 2012

Eerste middel

Het arrest wordt verweten dat het weigert de politie-infiltrant te verhoren, hoewel elke beschuldigde het recht heeft de getuigen van de beschuldiging als eigen ge-tuigen te ondervragen of te doen ondervragen.

De eiser voert aan dat het arrest op onrechtmatige wijze de bewijslast omkeert door te vermelden dat niet is aangetoond dat de infiltratieverslagen leugenachtig zouden zijn.

Het arrest wordt ook verweten niet te antwoorden op het verweer volgens hetwelk de voormelde verslagen onoprecht en onvolledig zijn.

Artikel 6.3, d, EVRM ontzegt de feitenrechter het recht niet om het verhoor van een getuige te weigeren met de vaststelling dat zijn verschijning op de zitting de veiligheid in gevaar zou kunnen brengen, wat het arrest vaststelt op grond van een feitelijke beoordeling waarop het Hof geen toezicht vermag uit te oefenen.

Op het verweermiddel dat de kwaliteit van de infiltratieverslagen betwist, ant-woordt het arrest met de andersluidende feitelijke beoordeling van de appelrech-ters. Die steunt op de stelling dat de tweeënzestig verslagen van de politie-infiltrant heel duidelijk de talrijke pogingen aantonen van de eiser en diens broer om de politie-infiltrant warm te maken voor de mogelijkheid om hem in contact te brengen met een persoon die hem wapens en explosieven kon verkopen.

Die overwegingen keren de bewijslast niet om en antwoorden op de neergelegde conclusie.

Het middel kan niet worden aangenomen.

Tweede middel

Eerste onderdeel

Het middel verwijt het hof van beroep dat het niet heeft vermeld in hoeverre het misdrijf door de eiser zonder tussenkomst van de politie-infiltrant zou zijn ge-pleegd.

Het voert aan dat het arrest de provocatie uitsluit maar tegelijkertijd vaststelt dat de eiser geen enkel misdadig opzet had vóór de infiltratie in werking werd gesteld.

Naar luid van artikel 30 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering is er provocatie wanneer in hoofde van de dader het voornemen om een misdrijf te ple-gen rechtstreeks is ontstaan of versterkt, of is bevestigd terwijl hij dit wilde beëin-digen, door de tussenkomst van een politieambtenaar of van een derde handelend op het uitdrukkelijk verzoek van deze ambtenaar.

Uit die bepaling volgt dat wanneer de politie iemand ertoe brengt een strafbare handeling te stellen die hij niet zonder hun optreden zou hebben gepleegd, het bewijs nietig en de strafvordering onontvankelijk is.

Daarentegen moet, op gevaar de toepassing van de bijzondere opsporingstech-nieken zoals de pseudokoop of de vertrouwenskoop onmogelijk te maken, worden aangenomen dat het optreden van de politie wettig is mits ze zich ertoe beperkt de omstandigheid te creëren waarin het misdrijf vrij kan worden gepleegd, zonder afbreuk te doen aan de mogelijkheid voor de verdachte om op elk ogenblik van zijn voornemen af te zien.

Het arrest wijst in substantie erop dat de infiltrant de broer van de eiser heeft ont-moet, dat hij hem gevraagd heeft laatstgenoemde te verwittigen dat hij terug was, dat de infiltrant zelf nooit heeft gezinspeeld op een eventuele wapenkoop, dat het initiatief om daarover te praten uitging van de broer van de eiser, dat laatstge-noemde hem ermee belast had hem met dat doel te vertegenwoordigen, dat beide broers vervolgens contact met de infiltrant zijn blijven houden en het contact zijn blijven hernieuwen, in de hoop hem wapens te kunnen doen kopen waarop ze bij levering een commissieloon zouden hebben ontvangen.

Het arrest, dat vaststelt dat het misdadig voornemen van de gebroeders B. is ont-staan onmiddellijk na het eerste contact met de politie-infiltrant, schendt artikel 30 Voorafgaande Titel niet, aangezien uit de overige vaststellingen van het arrest, zo-als hierboven samengevat, blijkt dat de politie-infiltrant zelf niet heeft deelgeno-men aan het misdadig opzet van de eiser en aan de versterking ervan.

Het middel kan niet worden aangenomen.

Tweede onderdeel

De eiser voert aan dat het arrest artikel 47novies Wetboek van Strafvordering en artikel 30 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering schendt en de bewijs-kracht miskent van het infiltratieverslag van 15 augustus 2008. De beslissing wordt verweten te oordelen dat de benadering door de infiltrant die dag slechts een wijze was om in contact te komen met de bekende entourage van het target en geen eigenlijke daad van infiltratie. Volgens het middel volgt daaruit dat niet kan worden aangenomen dat het misdadige voornemen reeds vóór de infiltratie be-stond.

Het middel verwijt het arrest niet dat het aan het proces-verbaal van 15 augustus 2008 een verklaring toeschrijft die er niet in voorkomt, dan wel te oordelen dat dit stuk geen verklaring bevat die er wel in voorkomt. Het voert alleen aan dat het op-stellen van een proces-verbaal op die dag aantoont dat de infiltratie dezelfde dag van start is gegaan en dat het hof van beroep bijgevolg niet anders heeft kunnen beslissen.

Dergelijke grief levert geen miskenning van de bewijskracht op.

Het middel faalt dienaangaande naar recht.

Artikel 47octies, § 1, Wetboek van Strafvordering definieert infiltratie als het feit voor een politieambtenaar om onder een fictieve identiteit duurzaam contact te onderhouden met een of meerdere verdachten.

Het arrest wijst erop, op basis van het infiltratieverslag van 15 augustus 2008, dat de politie-infiltrant zich op die dag naar de woning van de eiser heeft begeven, daar vernomen heeft dat hij in de gevangenis zat en aan de broer van de gedeti-neerde het nummer van zijn mobiele telefoon heeft gegeven, met het verzoek het aan laatstgenoemde door te geven.

De aangevoerde wetsbepalingen weerhielden het hof van beroep niet om aan dit doen en laten een andere draagwijdte toe te kennen dan die van handelingen ter voorbereiding van de eigenlijke infiltratie en te beslissen dat de infiltratie slechts het bij wet vereiste duurzame karakter verkreeg vanaf het diner dat zes dagen later in een restaurant werd georganiseerd, tussen de undercoveragent en de broer van de eiser.

Het middel kan niet worden aangenomen.

Ambtshalve onderzoek van de beslissing

De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen.

3. In zoverre het cassatieberoep gericht is tegen het arrest van het hof van beroep van 18 september 2013

Derde middel

Geen enkele wettelijke bepaling verplicht het vonnisgerecht om zelf de regelma-tigheid van een bijzondere opsporingsmethode te onderzoeken, wanneer de kamer van inbeschuldigingstelling enkel op basis van het vertrouwelijk dossier de bij ar-tikel 235ter Wetboek van Strafvordering bepaalde controle heeft uitgeoefend.

Het middel, dat van een andere rechtsopvatting uitgaat, faalt naar recht.

Ambtshalve onderzoek van de beslissing

De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen.

C. Cassatieberoep van H. B., ingesteld op 1 oktober 2013 onder het nummer 2324 van de minuten van de griffie van het hof van beroep, tegen het arrest van de kamer van inbeschuldigingstelling van 26 november 2010

De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen.

D. Cassatieberoep van A. E. M.

De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissingen zijn overeenkomstig de wet gewezen.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt de cassatieberoepen.

Veroordeelt de eisers tot de kosten van hun cassatieberoep.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, tweede kamer, te Brussel, door afdelingsvoorzitter ridder Jean de Codt, afdelingsvoorzitter Frédéric Close, de raadsheren Benoît Dejemeppe, Pierre Cornelis en Gustave Steffens, en in openbare terechtzitting van 26 februari 2014 uitgesproken door afdelingsvoorzitter ridder Jean de Codt, in aanwezigheid van advocaat-generaal Damien Vandermeersch, met bijstand van griffier Fabienne Gobert.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van voorzitter Paul Maffei en overge-schreven met assistentie van afgevaardigd griffier Véronique Kosynsky.

De afgevaardigd griffier, De voorzitter,

Vrije woorden

  • Onderzoek van de regelmatigheid

  • Controle bevolen door het vonnisgerecht