- Arrest van 27 februari 2014

27/02/2014 - C.12.0143.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
De Vlaamse regering kan overgaan tot onteigeningen ten algemenen nutte inzake gewestelijke aangelegenheden mits hierbij toepassing te maken van de regels en procedures voorgeschreven bij de inzake onteigeningen geldende wetgeving; krachtens de besluiten van de Vlaamse regering is het lid van de Vlaamse regering dat bevoegd is voor de binnenlandse aangelegenheden, behoudens in de gevallen bepaald in de wet of het decreet, bevoegd om de onteigeningsmachtiging af te leveren met instemming van het functioneel bevoegd lid van de Vlaamse Regering (1). (1) Zie concl. O.M.

Arrest - Integrale tekst

Nr. C.12.0143.N

1. C C,

2. J C,

eisers,

vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 2000 Antwerpen, Amerikalei 187, bus 302, waar de eisers woonplaats kiezen,

tegen

WEST-VLAAMSE INTERCOMMUNALE, afgekort WVI, publiekrechtelijk rechtspersoon, met zetel te 8310 Brugge, Baron Ruzettelaan 35,

verweerder,

vertegenwoordigd door mr. Bruno Maes, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Central Plaza, Loksumstraat 25, waar de verweerder woonplaats kiest.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent van 8 november 2011.

Advocaat-generaal Christian Vandewal heeft op 4 november 2013 een schriftelij-ke conclusie neergelegd.

Raadsheer Beatrijs Deconinck heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Christian Vandewal heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDELEN

De eisers voeren in hun verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste middel

Tweede onderdeel

1. Krachtens artikel 16 Grondwet kan niemand van zijn eigendom worden ont-zet dan ten algemenen nutte, in de gevallen en op de wijze bij de wet bepaald en tegen billijke en voorafgaande schadeloosstelling.

2. Krachtens artikel 79, § 1, Bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervor-ming der instellingen kunnen de regeringen overgaan tot onteigeningen ten alge-menen nutte in de gevallen en volgens de modaliteiten bepaald bij decreet, met in-achtneming van de bij de wet vastgestelde procedures en van het principe van de billijke en voorafgaande schadeloosstelling bepaald bij artikel 11, thans 16, van de Grondwet.

3. Krachtens artikel 2 van het decreet van de Vlaamse Raad van 13 april 1988 tot bepaling van de gevallen en de modaliteiten waarbij de Vlaamse Executieve kan overgaan tot onteigeningen ten algemenen nutte inzake de gewestelijke aan-gelegenheden, wordt de Executieve gemachtigd over te gaan tot onteigeningen ten algemenen nutte van de onroerende goederen in de gevallen waarin zij oordeelt dat de verkrijging ervan noodzakelijk is voor de uitbouw van de infra-structuur of voor het beleid inzake de gewestelijke aangelegenheden, zoals bepaald in de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen.

4. Krachtens artikel 3 van voormeld decreet kan de Executieve andere rechts-personen, die bevoegd zijn om onroerende goederen ten algemenen nutte te ontei-genen, machtigen tot onteigening in de gevallen waarin zij oordeelt dat de verkrij-ging ervan noodzakelijk is voor de uitbouw van de infrastructuur of voor het be-leid inzake de gewestelijke aangelegenheden, zoals bepaald in de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen.

Krachtens artikel 4 van dit decreet zullen de in de artikelen 2 en 3 voorziene ont-eigeningsmachtigingen verleend worden met overeenkomstige toepassing van de regels en procedures voorgeschreven bij de inzake onteigeningen geldende wetge-ving.

5. Krachtens artikel 1 van het besluit van de Vlaamse Executieve van 19 de-cember 1991 inzake onteigeningen ten algemenen nutte ten behoeve van de ge-meenten, de provincies, de intercommunale verenigingen en de gewestelijke ont-wikkelingsmaatschappijen, is de Gemeenschapsminister, bevoegd voor Binnen-landse Aangelegenheden, behoudens in de gevallen bepaald in de wet, bevoegd om de gemeenten, provincies, intercommunale verenigingen en de gewestelijke ontwikkelingsmaatschappijen te machtigen over te gaan tot onteigeningen ten al-gemenen nutte, met instemming van de functioneel bevoegde Gemeenschapsmi-nister.

6. Krachtens artikel 15, § 5, 1°, van het besluit van de Vlaamse regering van 13 juli 1999 tot bepaling van de bevoegdheden van de leden van de Vlaamse rege-ring, wordt de machtiging om over te gaan tot onteigening ten algemenen nutte, behoudens in de gevallen bepaald in de wet of het decreet, verleend, wanneer deze verleend wordt ten behoeve van de gemeenten, de provincies, de in-tercommunale verenigingen en de gewestelijke ontwikkelingsmaatschappijen, door het lid van de Vlaamse regering dat bevoegd is voor de binnenlandse aangelegenheden, met instemming van het functioneel bevoegde lid, overeenkomstig het besluit van de Vlaamse regering van 19 december 1991.

7. Krachtens artikel 30, § 1, eerste lid, van de wet van 30 december 1970 be-treffende de economische expansie, zoals te dezen van toepassing, kunnen de Staat, de provincies, de gemeenten en de openbare rechtspersonen aangeduid door de Koning over het gehele grondgebied overgaan tot de onteigening en verwer-ving voor algemeen nut van de onroerende goederen noodzakelijk voor de aanleg van gronden voor de industrie, het ambachtswezen of diensten, voor de aanleg van hun toegangswegen of voor bijkomende infrastructuurwerken. Tot het onteigeningsbesluit en de aanwijzing van de gronden wordt, op voorstel van de minister die Openbare Werken onder zijn bevoegdheid heeft, door de Koning be-sloten.

8. Uit het geheel van deze bepalingen volgt dat de Vlaamse regering kan over-gaan tot onteigeningen ten algemenen nutte inzake gewestelijke aangelegenheden mits hierbij toepassing te maken van de regels en procedures voorgeschreven bij de inzake onteigeningen geldende wetgeving en dat krachtens de besluiten van de Vlaamse regering het lid van de Vlaamse regering dat bevoegd is voor de bin-nenlandse aangelegenheden, behoudens in de gevallen bepaald in de wet of het decreet, bevoegd is om de onteigeningsmachtiging te verlenen met instemming van het functioneel bevoegde lid van de Vlaamse regering.

9. Artikel 30, § 1, van de wet van 30 december 1970 betreffende de economi-sche expansie, voorziet in een bijzondere procedureregeling waardoor, bij ontei-gening krachtens deze wet, de onteigeningsmachtiging dient te worden verleend door het lid van de Vlaamse regering dat openbare werken onder zijn be-voegdheid heeft.

10. De appelrechters die te dezen de bevoegdheid aannemen van het lid van de Vlaamse regering dat bevoegd is voor binnenlandse aangelegenheden om de machtiging tot onteigening op grond van de wet van 30 december 1970 te verle-nen, verantwoorden hun beslissing niet naar recht.

Het onderdeel is gegrond.

Dictum

Het Hof,

Vernietigt het bestreden arrest.

Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het vernie-tigde arrest.

Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over.

Verwijst de zaak naar het hof van beroep te Brussel.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samen-gesteld uit afdelingsvoorzitter Eric Dirix, als voorzitter, en de raadsheren Beatrijs Deconinck, Alain Smetryns, Koen Mestdagh en Geert Jocqué, en op de openbare rechtszitting van 27 februari 2014 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Eric Di-rix, in aanwezigheid van advocaat-generaal Christian Vandewal, met bijstand van griffier Frank Adriaensen.

F. Adriaensen G. Jocqué K. Mestdagh

A. Smetryns B. Deconinck E. Dirix

Vrije woorden

  • Gewestelijke aangelegenheden

  • Onteigeningsmachtiging

  • Vlaamse Regering

  • Voorwaarde

  • Bevoegde minister