- Arrest van 27 februari 2014

27/02/2014 - C.13.0090.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
De kosten van de verplaatsing van nutsleidingen kunnen in de regel slechts aan de nutsbedrijven ten laste worden gelegd, wanneer deze verplaatsing werd gelast of bekrachtigd door de overheid in wiens domein de nutsleidingen gelegen zijn en tevens werd voldaan aan één van de opgesomde voorwaarden die de noodzaak van de werken in het openbaar belang uitdrukken (1). (1) Zie Cass. 26 sept. 2013, AR C.12.0363.N, AC 2013, nr. 484.

Arrest - Integrale tekst

Nr. C.13.0090.N

NMBS - HOLDING nv, publiekrechtelijke vennootschap, met zetel te 1060 Sint-Gillis, Frankrijkstraat 85,

eiseres,

vertegenwoordigd door mr. Martin Lebbe, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1050 Brussel, Louizalaan 106, waar de eiseres woonplaats kiest,

tegen

INTERCOMMUNALE VERENIGING VOOR DE ENERGIEDISTRIBU-TIE IN DE KEMPEN EN HET ANTWERPSE, afgekort IVEKA, opdracht-houdende vereniging, met zetel te 2300 Turnhout, Koningin Elisabethlei 38,

verweerster,

vertegenwoordigd door mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Quatre Brasstraat 6, waar de verweerster woonplaats kiest.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen van 23 mei 2012.

Raadsheer Koen Mestdagh heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Christian Vandewal heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDEL

De eiseres voert in haar verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

1. Uit artikel 13, derde lid, van de wet van 10 maart 1925, het laatste lid van het enig artikel van de wet van 17 januari 1938, artikel 9, tweede en derde lid, van de wet van 12 april 1965 betreffende het vervoer van gasachtige producten en an-dere door middel van leidingen en artikel 110, § 1, laatste lid, van het gecoördi-neerd decreet van 25 januari 1995 betreffende de radio-omroep en de televisie volgt dat de kosten van de verplaatsing van leidingen, op grond van die bepa-lingen, in de regel slechts aan de nutsbedrijven ten laste kunnen worden gelegd, wanneer deze verplaatsing werd gelast of bekrachtigd door de overheid in wiens domein de nutsleidingen gelegen zijn en tevens werd voldaan aan één van de op-gesomde voorwaarden die de noodzaak van de werken in het openbaar belang uit-drukken.

2. Krachtens artikel 7, eerste lid, van de wet van 9 augustus 1948 houdende wijziging van de wetgeving inzake wegen mag de Koning de grote wegen in ge-nummerde trajecten indelen en er vakken van provincie- en gemeentewegen bij inlijven.

Krachtens het tweede lid van hetzelfde artikel mag de Koning van ambtswege de inlijving zonder vergoeding voorschrijven bij de grote wegen van de Staat, van wegen of vakken van wegen, die niet tot de grote wegen behoren, maar in ge-nummerde trajecten begrepen zijn.

3. Krachtens artikel 1 van de wet van 25 juli 1891 houdende herziening der wet van 15 april 1843 op de politie der spoorwegen zijn de spoorwegen ingedeeld bij de grote wegenis.

4. Uit de samenhang tussen deze bepalingen volgt dat een rijksweg, een ge-westweg, een provincieweg of een gemeenteweg op de plaats waar die door een spoorweg wordt gekruist, door het feit zelf van zijn nieuwe bestemming, op de kruising zijn oorspronkelijke aard verliest en integrerend deel uitmaakt van de spoorweg, zijnde de grote weg.

Het enkele feit van een bovengrondse kruising van de spoorweg met een daaron-der gelegen rijksweg, gewestweg, provincieweg of gemeenteweg heeft op de plaats van de kruising echter niet de inlijving tot gevolg van de lager gelegen weg, ook al steunt de bovengrondse kruising op een bouwwerk dat rust op de lager ge-legen weg.

5. Uit wat voorafgaat volgt dat de kosten van de verplaatsing van leidingen die gelegen zijn in wegenis behorend tot het domein van het Rijk, de gewesten, de provinciën of de gemeenten, door de eiseres slechts eigenmachtig aan de nutsbe-drijven kunnen ten laste worden gelegd op grond van de hiervoor in r.o. 1 vermel-de bepalingen, ingeval van een kruising van de spoorweg met een rijks-, gewest-, provincie- of gemeenteweg die de inlijving van die weg in de zin van artikel 7 van de voormelde wet van 9 augustus 1948 tot gevolg heeft.

6. Het middel dat ervan uitgaat dat de eiseres die bevoegdheid ook heeft inge-val van een bovengrondse kruising die niet de inlijving van de lager gelegen weg tot gevolg heeft, berust op een onjuiste rechtsopvatting.

Het middel faalt naar recht.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiseres tot de kosten.

Bepaalt de kosten voor de eiseres op 765,18 euro en voor de verweerster op 320,97 euro.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samen-gesteld uit afdelingsvoorzitter Eric Dirix, als voorzitter, en de raadsheren Beatrijs Deconinck, Alain Smetryns, Koen Mestdagh en Geert Jocqué, en in openbare rechtszitting van 27 februari 2014 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Eric Di-rix, in aanwezigheid van advocaat-generaal Christian Vandewal, met bijstand van griffier Frank Adriaensen.

F. Adriaensen G. Jocqué K. Mestdagh

A. Smetryns B. Deconinck E. Dirix

Vrije woorden

  • Nutsleidingen

  • Verplaatsing

  • Kosten

  • Ten laste van de nutsbedrijven