- Arrest van 3 maart 2014

03/03/2014 - S.12.0110.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
De bescherming van de werknemer vangt aan op het tijdstip waarop de werkgever op de hoogte wordt gesteld van de indiening van de met redenen omklede klacht bij de preventieadviseur (1) (2). (1) Zie concl. OM in Pas. 2013 nr. ... (2) Art. 32tredecies van de Wet Welzijn Werknemers, in de versie ingevoerd bij de wet van 11 juni 2002 betreffende de bescherming tegen geweld, pesterijen en ongewenst seksueel gedrag op het werk en vóór de wijziging ervan bij de wet van 10 januari 2007; de artikelen 12 tot 14 van het koninklijk besluit betreffende de bescherming tegen geweld, pesterijen en ongewenst seksueel gedrag op het werk, vóór de opheffing ervan bij het KB van 17 mei 2007.

Arrest - Integrale tekst

Nr. S.12.0110.F

M. M.,

Mr. Jacqueline Oosterbosch, advocaat bij het Hof van Cassatie,

tegen

ALLART MOTOR bvba,

Mr. François T'Kint, advocaat bij het Hof van Cassatie.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van 28 maart 2012 van het arbeids-hof te Luik, afdeling Neufchâteau.

Advocaat-generaal Jean Marie Genicot heeft op 16 januari 2014 ter griffie een conclusie neergelegd.

Voorzitter Christian Storck heeft verslag uitgebracht en advocaat-generaal Jean Marie Genicot werd in zijn conclusie gehoord.

II. CASSATIEMIDDEL

De eiseres voert een middel aan dat luidt als volgt:

Eerste middel:

Geschonden wettelijke bepalingen

- de artikelen 32nonies en 32tredecies van de wet van 4 augustus 1996 betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk, in de versie ingevoerd bij de wet van 11 juni 2002 betreffende de bescherming tegen geweld, pesterijen en ongewenst seksueel gedrag op het werk en vóór de vervanging ervan bij de wet van 10 januari 2007 tot wijziging van verschillende bepalingen betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk waaronder deze betreffende de bescherming tegen geweld, pesterijen en ongewenst seksueel gedrag op het werk;

- de artikelen 12 tot 14 van het koninklijk besluit van 11 juli 2002 betreffende de bescherming tegen geweld, pesterijen en ongewenst seksueel gedrag op het werk vóór de afschaffing ervan bij koninklijk besluit van 17 mei 2007 betreffende de voorkoming van psychosociale belasting veroorzaakt door het werk, waaronder geweld, pesterijen en ongewenst seksueel gedrag op het werk;

- artikel 766, eerste lid, 767, § 3, tweede lid, en 774, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek;

- artikel 149 van de Grondwet

- algemeen rechtsbeginsel van het recht van verdediging.

Aangevochten beslissingen

Het arrest hervormt het beroepen vonnis in zoverre het de verweerster veroordeelt tot betaling van een beschermingsvergoeding op grond van artikel 32tredecies, Wet Welzijn Werknemers en zegt voor recht dat de eiser niet genoot van de in die bepaling bedoelde bescherming op de dag van zijn ontslag, op 27 maart 2007, met alle redenen die worden verondersteld hier volledig te zijn weergegeven en inzonderheid op grond dat:

"Die wet van openbare orde is en ze, gelet op het van het gemeenrecht afwijkende karakter van de bescherming ingesteld bij artikel 32tredecies, Wet Welzijn Werknemers, geïnterpreteerd moet worden met nauwgezette toepassing van de vormvereisten.

Uit paragraaf 1 van artikel 32tredecies - vóór de wijziging ervan bij de wetgeving van 2007 - volgt dat men drie verschillende omstandigheden moet duiden om het juiste tijdstip te bepalen waarop de bescherming aanvangt, te weten:

- in het raam van een interne procedure moet de preventieadviseur, krachtens artikel 32tredecies, § 6, de werkgever onmiddellijk op de hoogte stellen van het feit dat de werknemer een met redenen omklede klacht heeft ingediend. Vanaf dat ogenblik is de werknemer beschermd;

- als een klacht is ingediend bij de medische inspectie wordt de werkgever daarvan in principe niet op de hoogte gesteld aangezien de wet van 16 november 1972 betreffende de arbeidsinspectie de absolute anonimiteit van iedere klacht garandeert tenzij men daar uitdrukkelijk van afziet. De werknemer dient de werkgever daarvan op de hoogte te stellen indien hij bescherming wenst te genieten;

- als de zaak is ingeleid voor de arbeidsgerechten, vangt de bescherming aan op de dag van de kennisgeving van de akte waardoor de zaak bij het gerecht aanhangig wordt gemaakt.

Als het om een interne procedure gaat, ligt de informatieplicht wettelijk bij de preventieadviseur. Daaruit volgt dat de informatie die door een andere persoon verstrekt wordt dan door de persoon die de wetgever uitdrukkelijk daartoe heeft aangewezen een initiatief is dat niet in de plaats van de wettelijke vereisten mag worden gesteld.

Die interpretatie van de aanvang van de bescherming wordt bevestigd door:

- de parlementaire voorbereiding : 'Ten slotte wordt bepaald vanaf welk tijdstip de bescherming van de werknemer aanvangt. Als het gaat om een klachtprocedure binnen de onderneming, moet de preventieadviseur die het onderzoek leidt de werkgever onmiddellijk op de hoogte brengen van het feit dat de werknemer een specifieke bescherming geniet. Dat geldt zowel voor de persoon die een klacht indient als voor de getuigen. Wanneer het gaat om een klacht bij de inspectie, mag de werkgever daarvan niet op de hoogte worden gesteld: dat zou strijdig zijn met de wet van 16 november 1972 betreffende de arbeidsinspectie. Die wet garandeert immers de absolute anonimiteit van elke klacht, een principe waarvan niet mag worden afgeweken. In voorkomend geval moet de werknemer eventueel zelf de werkgever verwittigen. Wanneer de zaak voor de rechtbank is ingeleid, zal de bescherming uiteraard aanvangen op de dag van de kennisgeving van de akte waardoor de zaak bij het bevoegde rechtscollege aanhangig wordt gemaakt. De be-scherming eindigt zodra de procedures volledig beëindigd zijn' (vertaling);

- de doctrine: zo betogen S. van Wassenhove en P. Brasseur: ' Wanneer een procedure op grond van een met redenen omklede klacht wordt aangevat op het niveau van de onderneming of van de instelling, moet de preventieadviseur de werkgever onmiddellijk op de hoogte stellen van het feit dat de werknemer bescherming geniet. Slechts vanaf dat ogenblik vangt de bescherming aan' (vertaling);

- J.-P. Cordier bevestigt: 'In geval van een interne procedure is de preventieadviseur, krachtens artikel 32tredecies, § 6, verplicht de werkgever onmiddellijk op de hoogte te stellen van het feit dat een met redenen omklede klacht werd ingediend. De werknemer is dus vanaf dat ogenblik beschermd ' (vertaling);

- De rechtspraak van het arbeidshof te Luik, dat in een zeer recent arrest gewezen heeft op alle voornoemde beginselen en inzake de aanvang van de bescherming zeer pertinent het verschil heeft beklemtoond tussen het wettelijk bij de wet van 4 augustus 1996 ingevoerd stelsel en datgene dat werd toegepast na de wetgevende hervorming van 2007: 'Het is niet onbelangrijk de bescherming te onderwerpen aan een informatieplicht, dus aan het uitvoeren en verwezenlijken van het nagestreefde doel. Het criterium dat gehanteerd wordt in paragraaf 6 van artikel 32tredecies, vóór de wijziging ervan bij artikel 13 van de wet van 10 januari 2007, is de informatie van de werkgever op initiatief van de preventieadviseur. Het criterium is dus het informeren van de werkgever; maar dat criterium gaat niet samen met een proactief optreden: ofwel is de werkgever op de hoogte, ofwel kon hij niet op de hoogte zijn. Hij kan dat niet zijn zolang hij de informatie niet krijgt. Die strikte toepassing van paragraaf 6 van artikel 32tredecies steunt op geen enkele uitleg-ging; ze biedt het voordeel een coherent en toetsbaar stelsel in te voeren, dat verenigbaar is met de aanvang van de beschermingsperiode in de volgende twee gevallen: - ofwel wordt de klacht bij de medische inspectie ingediend: de bescherming vangt niet aan zolang de werkgever niet op de hoogte is van het feit dat een klacht werd ingediend; - ofwel is de zaak voor de rechtbank ingeleid, aangezien de bescherming in dat geval "uiteraard" aanvangt op de datum van kennisgeving van de akte waarbij de zaak voor het bevoegde rechtscollege aanhangig is gemaakt, hetgeen moet begrepen worden als het tijdstip van de betekening van de dagvaarding aan de werkgever. De cohesie van die regel die de aanvang van de bescherming koppelt aan de informatie die de werkgever heeft ontvangen, die dus op de hoogte is of kan zijn van de klacht, biedt het voordeel dat andere beschermingsstelsels worden gehanteerd naargelang de wijze van bescherming die de werknemer heeft gekozen, iets waarop de werkgever geen enkele impact heeft. Sinds 10 januari 2007, laat artikel 32tredecies van de wet de bescherming ook afhangen van een enkel criterium, namelijk het indienen van de klacht, dus één enkel mechanisme met een onduidelijke beschermingsperiode tot gevolg'.

Het arbeidshof is het helemaal eens met dit standpunt dat de interpretatie van de eiser, namelijk dat de oude wettekst (stelsel 1996) duidelijk is en bepaalt dat het aanvangspunt het indienen van de klacht is, volledig uitsluit.

De volgende data zijn bepalend voor het vastleggen van het ingaan van de bescherming:

- 23 maart 2007: brief van Meester Hiernaux gericht aan CESI; de verweerster beklemtoont terecht dat CESI die brief beschouwt als een contactopneming met CESI en niet als een klacht. De ontvangstmelding van CESI aan de eiser van 23 maart 2007 vermeldt woordelijk: "CESI heeft de brief van uw raadsman, van 20 maart 2007 in goede orde ontvangen. Die brief beschrijft een zorgwekkende beroepssituatie en geeft me uw wens te kennen om dringend een formele klacht in te dienen wegens pesterijen. U vindt als bijlage het document waarmee u klacht kan indienen in het kader van de wet van 11 juni 2002';

- 26 maart 2007: ontslag van de eiser;

- 27 maart 2007: indiening van de door de eiser met redenen omklede klacht overeenkomstig de door CESI toegepaste regels. Er dient te worden opgemerkt dat de eiser zijn klacht op 26 maart 2007 gedagtekend heeft hetgeen strijdig is met het verslag van CESI dat de correcte datum draagt die de preventieadviseur heeft vermeld en die door hem werd ondertekend. Ze verwijst ook naar het verslag van CESI dat bepaalt: 'het betreft een formele klacht wegens pesterijen die op 27 maart 2007 werd ingediend bij CESI'.

Uit die omstandigheden volgt dat de eiser niet geniet van de wettelijke bescherming op grond dat het ontslag beslist werd door de verweerster voordat zij op de hoogte was gebracht van het feit dat de preventieadviseur een klacht had ingediend, overeenkomstig paragraaf 6 van artikel 32tredecies van de wet van 4 augustus 1996.

Het beroepen vonnis wordt dus gewijzigd in zoverre het de werkgever veroordeeld heeft tot betaling van een vergoeding van zes maanden loon, hetzij 20.083,50 euro".

Grieven

Eerste onderdeel

Krachtens artikel 32nonies, Wet Welzijn Werknemers, in de versie die in het middel bedoeld is, kan de werknemer die meent het slachtoffer te zijn van feiten van geweld, pesterijen of ongewenst seksueel gedrag op het werk zich richten tot de preventieadviseur en bij die persoon een met redenen omklede klacht indienen volgens de voorwaarden en de nadere regels vastgesteld met toepassing van artikel 32quater, § 2. Artikel 32tredecies, § 1, van dezelfde wet verbiedt de werkgever de arbeidsverhouding te beëindigen behalve om redenen die vreemd zijn aan de klacht, zodra een met redenen omklede klacht is ingediend op het vlak van de onderneming of van de instelling overeenkomstig de vigerende procedures.

Krachtens paragraaf 2 van die laatste bepaling, berust de bewijslast van de redenen die vreemd zijn aan die klacht bij de werkgever op het ogenblik dat zij werd ingediend en binnen twaalf maanden volgend op het indienen van de klacht.

Uit die bepalingen volgt dat de overgang van de informele procedure naar de formele procedure en bijgevolg, van de aanvang van de bescherming tegen het ontslag geschiedt door het indienen bij de preventieadviseur van een met redenen omklede klacht, te weten een klacht die de wil van de werknemer te kennen geeft om een formele procedure aan te vatten en die een voldoende nauwkeurige beschrijving geeft van de feiten, de identiteit van de betrokken persoon en de tijdstippen en plaatsen waarop de feiten zich hebben voorgedaan; die vereiste is ge-motiveerd door het feit dat die klacht de bewijslast van de redenen van het ontslag omkeert.

De verplichting die paragraaf 6 van dat artikel 32tredecies aan de preventieadviseur oplegt heeft niet de draagwijdte dat ze bepaalt vanaf welk tijdstip de werknemer beschermd is tegen ontslag maar enkel dat ze aan de preventieadviseur een verplichting oplegt om de werkgever onmiddellijk op de hoogte te brengen van het feit dat de werknemer bescherming geniet.

Het arrest dat beslist dat de wettelijke bescherming slechts aanvangt op het ogenblik dat de werkgever op de hoogte wordt gebracht van het indienen van de klacht, schendt bijgevolg de artikelen 32nonies en 32tredecies (inzonderheid § 1, 2 en 6) Wet Welzijn Werknemers in de in het middel bedoelde versie. Doordat het arrest de op artikel 32tredecies, § 5, van de wet gesteunde vordering van de eiser afwijst, die aan de werknemer, die niet verzocht heeft om opnieuw te worden opgenomen op zijn functie, een beschermingsvergoeding toekent wanneer het bevoegde rechtscollege de feiten van geweld, pesterijen of ongewenst seksueel gedrag op het werk bewezen heeft geacht, zonder na te gaan of die feiten bewezen zijn, schendt het bijgevolg artikel 32tredecies, § 5.

(...)

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste onderdeel

Luidens artikel 32tredecies, § 1, Wet Welzijn Werknemers, in de op de feiten toe-pasbare versie, mag de werkgever die een werknemer tewerkstelt die, hetzij op het vlak van de onderneming of van de instelling die hem tewerkstelt, overeen-komstig de vigerende procedures, hetzij bij de met het toezicht belaste ambtena-ren, een met redenen omklede klacht heeft ingediend of voor wie deze ambtenaren zijn opgetreden, of die een rechtsvordering instelt op grond van dit hoofdstuk, de arbeidsverhouding niet beëindigen, noch de arbeidsvoorwaarden eenzijdig wijzigen, behalve om redenen die vreemd zijn aan die klacht of aan die rechtsvordering.

Krachtens artikel 32tredecies, § 6, van dezelfde wet, stelt de preventieadviseur, wanneer een procedure op grond van een met redenen omklede klacht werd aan-gevat op het niveau van de onderneming of de instelling, de werkgever onmiddel-lijk op de hoogte van het feit dat de werknemer de bescherming bedoeld bij dit ar-tikel geniet.

Luidens artikel 14 van het koninklijk besluit van 11 juli 2002 betreffende de be-scherming tegen geweld, pesterijen en ongewenst seksueel gedrag op het werk, in de op de feiten toepasbare versie, brengt de bevoegde preventieadviseur, van zo-dra een met redenen omklede klacht is ingediend, de werkgever hiervan op de hoogte door hem een afschrift van het in artikel 13 bedoelde document te bezor-gen en nodigt hij de werkgever uit om passende maatregelen te nemen.

Uit die bepalingen volgt dat de bescherming van de werknemer aanvangt op het tijdstip waarop de werkgever op de hoogte wordt gesteld van het indienen van de met redenen omklede klacht bij de preventieadviseur.

Het onderdeel dat uitgaat van het tegendeel, faalt naar recht.

(...)

Dictum

Het Hof

Verwerpt de voorziening.

Veroordeelt de eiser in de kosten.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, derde kamer, te Brussel, door voor-zitter Christian Storck, de raadsheren Didier Batselé, Martine Regout, Mireille Delange et Michel Lemal, en in openbare terechtzitting van 3 maart 2014 uitge-sproken door voorzitter Christian Storck, in aanwezigheid van advocaat-generaal Jean Marie Genicot, met bijstand van griffier Patricia De Wadripont.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van afdelingsvoorzitter Eric Dirix en overgeschreven met assistentie van griffier Johan Pafenols.

De griffier, De afdelingsvoorzitter,

Vrije woorden

  • Pesterij

  • Met redenen omklede klacht

  • Preventieadviseur

  • Werknemer

  • Bescherming tegen ontslag door de werkgever

  • Aanvang