- Arrest van 3 maart 2014

03/03/2014 - S.13.0096.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Wanneer het arrest uitspraak doet over een betwisting die onder het toepassingsveld valt van de artikelen 792, tweede lid, en 704, § 2, van het Gerechtelijk Wetboek, met inbegrip van de betwistingen bedoeld bij artikel 580, 2°, van hetzelfde wetboek, dan heeft de omstandigheid dat het uitspraak doet over andere betwistingen die geen verband houden met de in artikel 704 van het Gerechtelijk Wetboek bedoelde materies, geen invloed op de uitwerking van de kennisgeving op het begin van de beroepstermijn.

Arrest - Integrale tekst

Nr. S.13.0096.F

D. H.,

Mr. Grégoire, advocaat bij het Hof van Cassatie,

tegen

1. FONDS TOT VERGOEDING VAN DE IN GEVAL VAN SLUITING VAN ONDERNEMINGEN ONTSLAGEN WERKNEMERS, openbare instelling,

2. P. S.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van 3 april 2013 van het arbeidshof te Brussel.

Voorzitter Christian Storck heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Jean Marie Genicot heeft geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Betreffende het door de eerste verweerder tegen het cassatieberoep aange-voerde middel van niet-ontvankelijkheid: het cassatieberoep is te laat inge-steld.

Krachtens artikel 1073, eerste lid, Gerechtelijk Wetboek is de termijn om zich in cassatie te voorzien drie maanden te rekenen van de dag waarop de bestreden be-slissing is betekend of van de dag van de kennisgeving ervan overeenkomstig ar-tikel 792, tweede en derde lid.

Het genoemde artikel 792 bepaalt in het tweede lid dat de griffier, voor de zaken opgesomd in artikel 704, § 2, van hetzelfde wetboek binnen acht dagen bij ge-rechtsbrief de beslissing ter kennis van de partijen stelt.

Die materies omvatten de geschillen bedoeld bij artikel 580, 2°, van het voor-noemde wetboek.

Het arrest doet uitspraak over een geschil betreffende het bedrag van de schuld-vordering die de eiser, in de hoedanigheid van werknemer, kan tegenwerpen aan de eerste verweerder als gevolg van de sluiting van de onderneming waar hij was tewerkgesteld.

Een dergelijk geschil valt onder de toepassing van voornoemd artikel 580, 2°.

De omstandigheid dat het arrest uitspraak doet over andere geschillen die vreemd zijn aan de in artikel 704 Gerechtelijk Wetboek bedoelde materies, heeft geen weerslag op de kennisgeving van de aanvang van de beroepstermijn.

Aangezien de eiser de kennisgeving van het arrest op 5 april 2013 ontvangen heeft en het verzoekschrift waarbij het cassatieberoep werd ingesteld, pas op 10 sep-tember 2013 werd neergelegd op de griffie van het Hof, is dit beroep laattijdig.

Het middel van niet-ontvankelijkheid is gegrond.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt, gelet op artikel 1017, tweede lid, Gerechtelijk Wetboek, de eerste verweerder tot de kosten.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, derde kamer, te Brussel, door voor-zitter Christian Storck, de raadsheren Didier Batselé, Martine Regout, Mireille Delange en Michel Lemal, en in openbare terechtzitting van 3 maart 2014 uitge-sproken door voorzitter Christian Storck, in aanwezigheid van advocaat-generaal Jean Marie Genicot, met bijstand van griffier Patricia De Wadripont.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van afdelingsvoorzitter Eric Dirix en overgeschreven met assistentie van griffier Johan Pafenols.

De griffier, De afdelingsvoorzitter,

Vrije woorden

  • Termijn cassatieberoep

  • Begin

  • Arrest dat uitspraak doet over bij artikel 704 Ger.W. bedoelde materies en over andere materies die daarmee geen verband houden

  • Kennisgeving van de beslissing

  • Gerechtsbrief