- Arrest van 4 maart 2014

04/03/2014 - P.14.0256.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
De enkele omstandigheid dat de strafuitvoeringsrechtbank zelf het initiatief neemt om informatie in te winnen over de medische toestand van een gedetineerde waarover betwisting bestaat, heeft niet voor gevolg dat de rechters van die rechtbank daardoor niet meer onpartijdig kunnen oordelen.

Arrest - Integrale tekst

Nr. P.14.0256.N

A V,

terbeschikkinggestelde van de strafuitvoeringsrechtbank, gedetineerd,

eiser,

met als raadsman mr. Jürgen Millen, advocaat bij de balie te Tongeren.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis van de strafuitvoeringsrechtbank te Brussel van 24 januari 2014.

De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, vier middelen aan.

Afdelingsvoorzitter Luc Van hoogenbemt heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Marc Timperman heeft geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste middel

1. Het middel voert schending aan van artikel 95/5 Wet Strafuitvoering: de ei-ser bereikte op 9 januari 2013 het einde van zijn hoofdstraf; de rechtszitting van de strafuitvoeringsrechtbank van Brussel betreffende zijn invrijheidstelling onder toezicht dan wel zijn vrijheidsbeneming diende plaats te vinden uiterlijk op 9 no-vember 2012; zij had evenwel pas op 15 november 2012 plaats, dit is niet uiterlijk twee maanden vóór het verstrijken van eisers effectieve hoofdstraf; de eiser is bij-gevolg in strijd met artikel 95/5 Wet Strafuitvoering ter beschikking gesteld van de strafuitvoeringsrechtbank van Brussel.

1. Het middel dat uitsluitend het vonnis van de strafuitvoeringsrechtbank van 28 november 2012, waarbij de vrijheidsbeneming van de eiser voor wat zijn ter-beschikkingstellingen aangaat werd bevolen, bekritiseert, is niet gericht tegen de thans bestreden beslissing.

Het middel is niet ontvankelijk.

Tweede middel

2. Het middel voert schending aan van artikel 6 EVRM en artikel 14.1 IVBPR, alsmede miskenning van het recht op een onafhankelijke en onpartijdige rechter: de strafuitvoeringsrechtbank nam rechtstreeks contact op met de medische dienst van de gevangenis van Hasselt teneinde een medisch attest te verkrijgen betref-fende eisers gezondheidstoestand; die medische toestand maakte het voorwerp van discussie uit, vermits de eiser vroeg omwille van zijn medische toestand te mogen worden vertegenwoordigd door zijn raadsman, alsook dat zijn dossier zou worden overgezonden naar de strafuitvoeringsrechtbank van Antwerpen die zetelt in de gevangenis van Hasselt alwaar de eiser gedetineerd is; noch de eiser, noch het openbaar ministerie kon een dergelijk attest voorleggen; de strafuitvoerings-rechtbank vermocht niet zelf zulk attest op te vragen vermits zij alzo partij en rechter werd; bovendien vormde het verkregen attest geenszins het bewijs van ei-sers gezondheidstoestand op de dag van de rechtszitting.

3. De enkele omstandigheid dat de strafuitvoeringsrechtbank zelf het initiatief neemt om informatie in te winnen over de medische toestand van een gedetineer-de waarover betwisting bestaat, heeft niet voor gevolg dat de rechters van die rechtbank daardoor niet meer onpartijdig kunnen oordelen.

In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.

4. Voor het overige komt het middel op tegen het onaantastbaar oordeel van de strafuitvoeringsrechtbank over het feit of eisers medische toestand hem toeliet aanwezig te zijn op de rechtszitting of verplicht het tot een onderzoek van feiten waarvoor het Hof niet bevoegd is.

In zoverre is het middel niet ontvankelijk.

Derde middel

5. Het middel voert schending aan van artikel 6 EVRM, alsmede miskenning van het recht op vertegenwoordiging door zijn raadsman: de strafuitvoerings-rechtbank liet niet toe dat de raadsman van de eiser zijn standpunt uiteenzette om-trent eisers medische problematiek, de voorgestelde prejudiciële vragen en de be-voegdheid van de strafuitvoeringsrechtbank om kennis te nemen van de zaak; de aanwezigheid van de eiser was niet vereist voor die punten die geen betrekking hebben op de grond van de zaak; bovendien moest de eiser zich ook kunnen laten vertegenwoordigen door zijn advocaat over de grond van de zaak, net zoals dit mogelijk is bij een verzoek tot invrijheidstelling onder voorwaarden door de on-derzoeksgerechten.

6. Artikel 95/6, eerste lid, Wet Strafuitvoering bepaalt:

"De strafuitvoeringsrechtbank hoort de veroordeelde en zijn raadsman, het open-baar ministerie en, indien de veroordeelde gedetineerd is, de directeur."

Door die regel te stellen heeft de wetgever gewild dat de veroordeelde, wat de eventuele toekenning van een invrijheidstelling onder toezicht betreft, persoonlijk moet verschijnen, zonder dat hij zich door zijn advocaat kan laten vertegenwoor-digen. Uit de voorbereidende werkzaamheden van de wet blijkt immers dat de aanwezigheid van de veroordeelde in persoon borg staat voor zijn bewust aan-vaarden van de opgelegde voorwaarden en verplichtingen.

De niet-naleving van de opgelegde bijzondere voorwaarden kan krachtens artikel 95/27, § 1, Wet Strafuitvoering tot de schorsing of herroeping van de invrijheid-stelling onder toezicht leiden.

Uit artikel 95/6, eerste lid, Wet Strafuitvoering kan evenwel niet worden afgeleid dat hij persoonlijk moet verschijnen op de rechtszitting waarop de strafuitvoe-ringsrechtbank over een verzoek tot uitstel of vertegenwoordiging om medische redenen uitspraak doet.

7. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt dat:

- de eiser van bij de eerste rechtszitting liet weten dat hij niet wou verschijnen en hij dat ook nooit gedaan heeft;

- de eiser stelde dat hij fysiek, noch psychisch zulks aankon en hij geen financi-ele middelen had om dat telkens door een arts te laten vaststellen;

- de raadsman van de eiser op de rechtszitting van 31 oktober 2013 om uitstel verzocht om hem toe te laten nieuwe medische documenten over te maken, verzoek dat werd ingewilligd;

- op de volgende rechtszitting de eiser andermaal afwezig bleef en zijn raads-man in gebreke bleef een doktersattest voor te leggen waaruit bleek dat de ei-ser om medische redenen niet in de mogelijkheid verkeerde aanwezig te zijn;

- de verdediging opperde dat de artsen van de gevangenis van Hasselt onwillig zouden zijn om dergelijk attest op vraag van de eiser voor de strafuitvoerings-rechtbank op te maken;

- de strafuitvoeringsrechtbank de behandeling van de zaak andermaal uitstelde en het openbaar ministerie verzocht de vraag te stellen of de behandelende arts bereid was een attest op te maken;

- op de volgende rechtszitting nog steeds geen attest aanwezig was zodat de voorzitter van de strafuitvoeringsrechtbank zelf contact opnam met de gevan-genis en zodoende een attest verkreeg, waarvan de raadsman van de eiser in-zage kreeg;

- het verzoek van de raadsman van de afwezige eiser om hem te mogen verte-genwoordigen werd afgewezen omdat uit het verkregen attest bleek dat er geen medisch beletsel was voor de eiser om zelf ter rechtszitting aanwezig te zijn;

- het verzoek van eisers raadsman om uitstel teneinde een attest van dokter Fa-voreel alsnog voor te leggen werd afgewezen omdat de inhoud en de strekking ervan voldoende bekend was uit een afschrift van een eerder vonnis;

- de strafuitvoeringsrechtbank alsnog de conclusie van de raadsman van de eiser in ontvangst nam en vervolgens de zaak ten gronde bij verstek behandelde.

Hieruit blijkt dat de raadsman van de eiser bij herhaling gehoord werd omtrent verzoeken tot uitstel van behandeling van de zaak of vertegenwoordiging van de eiser en een conclusie dienaangaande heeft neergelegd, maar dat hem niet toege-staan werd de eiser ten gronde te vertegenwoordigen omdat deze laatste niet me-disch in de onmogelijkheid verkeerde aanwezig te zijn. Met die redenen verant-woordt de strafuitvoeringsrechtbank zijn beslissing naar recht zonder eisers recht op vertegenwoordiging door een raadsman te miskennen.

In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.

Vierde middel

8. Het middel voert schending aan van artikel 3 EVRM: de strafuitvoerings-rechtbank beantwoordt niet eisers verweer dat de beslissing tot terbeschikking-stelling die minder dan twee maanden vóór het einde van zijn hoofdstraf werd ge-nomen en een miskenning inhoudt van het proportionaliteitsbeginsel, een schen-ding van artikel 3 EVRM inhoudt.

9. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt niet dat de eiser of diens raadsman het in het middel vermelde verweer heeft gevoerd.

Het middel is nieuw, mitsdien niet ontvankelijk.

Ambtshalve onderzoek van de beslissing

10. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiser tot de kosten.

Bepaalt de kosten op 6,11 euro.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samen-gesteld uit afdelingsvoorzitter Paul Maffei, als voorzitter, afdelingsvoorzitter Luc Van hoogenbemt, de raadsheren Filip Van Volsem, Antoine Lievens en Erwin Francis, en op de openbare rechtszitting van 4 maart 2014 uitgesproken door afde-lingsvoorzitter Paul Maffei, in aanwezigheid van plaatsvervangend advocaat-generaal Marc De Swaef, met bijstand van griffier Frank Adriaensen.

F. Adriaensen

E. Francis A. Lievens

F. Van Volsem L. Van hoogenbemt P. Maffei

Vrije woorden

  • Strafuitvoeringsrechtbank

  • Betwisting over de medische toestand van een terbeschikkinggestelde veroordeelde

  • Informatiewinning door de strafuitvoeringsrechtbank zelf