- Arrest van 4 maart 2014

04/03/2014 - P.14.0335.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Artikel 16, §5, Voorlopige Hechteniswet, dat bepaalt dat het bevel tot aanhouding de opgave bevat van het feit waarvoor het wordt verleend, de wetsbepaling vermeldt die bepaalt dat het feit een misdaad of een wanbedrijf is en het bestaan vaststelt van ernstige aanwijzingen van schuld en voorschrijft dat de rechter in het bevel tot aanhouding de feitelijke omstandigheden van de zaak vermeldt alsook die welke eigen zijn aan de persoonlijkheid van de verdachte, die de voorlopige hechtenis wettigen gezien de criteria bepaald in artikel 16, §1, Voorlopige Hechteniswet, heeft geen betrekking op de vermelding van de identiteitsgegevens van de verdachte.

Arrest - Integrale tekst

Nr. P.14.0335.N

S J,

inverdenkinggestelde, aangehouden,

eiseres,

met als raadsman mr. Lobke Pottie, advocaat bij de balie te Kortrijk.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, ka-mer van inbeschuldigingstelling, van 18 februari 2014.

De eiseres voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan.

Afdelingsvoorzitter Luc Van hoogenbemt heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Marc Timperman heeft geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Middel

1. Het middel voert schending aan van artikel 16, § 5, Voorlopige Hechtenis-wet: het arrest oordeelt dat het onderzoeksgerecht bij de handhaving van de voor-lopige hechtenis de gegevens van het bevel tot aanhouding kan aanvullen; het stelt vervolgens dat uit het attest van dr. V blijkt dat er geen twijfel bestond over het feit dat de eiseres meerderjarig is; het bevel tot aanhouding van 2 februari 2014 dat door de vermelding "10.05.1996" als geboortedatum van de eiseres uitdrukke-lijk vaststelt dat zij minderjarig is, is bij gebrek aan redengeving waarom de on-derzoeksrechter desondanks wel bevoegd zou zijn om kennis te nemen van het dossier, niet gemotiveerd op het vlak van de omstandigheden eigen aan de per-soonlijkheid van de eiseres; de niet-vermelding in het bevel tot aanhouding van enig element waaruit de meerderjarigheid van de eiseres zou blijken, maakt een onherstelbaar gebrek uit; uit de attesten van dr. V van 1 februari 2014 kan niet met zekerheid worden afgeleid dat de eiseres meerderjarig is; het onderzoeksgerecht vermocht het bevel tot aanhouding niet aan te vullen op basis van elementen die aan het licht zijn gekomen na het verlenen van het bevel tot aanhouding; aldus dient de eiseres in vrijheid te worden gesteld.

1. Artikel 16, § 5, Voorlopige Hechteniswet bepaalt dat het bevel tot aanhou-ding de opgave bevat van het feit waarvoor het wordt verleend, de wetsbepaling vermeldt die bepaalt dat het feit een misdaad of een wanbedrijf is en het bestaan vaststelt van ernstige aanwijzingen van schuld. De rechter vermeldt in het bevel tot aanhouding de feitelijke omstandigheden van de zaak en die welke eigen zijn aan de persoonlijkheid van de verdachte, die de voorlopige hechtenis wettigen ge-zien de criteria bepaald in artikel 16, § 1, Voorlopige Hechteniswet.

Deze bepaling heeft geen betrekking op de vermelding van de identiteitgegevens van de verdachte.

In zoverre het middel schending aanvoert van artikel 16, § 5, Voorlopige Hechte-niswet, faalt het naar recht.

2. Artikel 16, § 6, tweede lid, Voorlopige Hechteniswet bepaalt dat de ver-dachte in het bevel tot aanhouding met name wordt genoemd of zo duidelijk mo-gelijk wordt aangewezen. Geen enkele wettelijke bepaling voorziet in de invrij-heidstelling van de verdachte wanneer diens identiteit onjuist of onvolledig werd weergegeven.

In zoverre faalt het middel eveneens naar recht.

3. Het onderzoeksgerecht dat bij de eerste controle van de voorlopige hechte-nis de wettigheid van het bevel tot aanhouding dient te verifiëren, gaat in geval van betwisting onder meer na of de identiteit van de verdachte correct is weerge-geven. Het vermag bij die gelegenheid de onjuiste identiteitgegevens te verbete-ren of deze gegevens aan te vullen.

4. Met overname van de redenen van de schriftelijke vordering van het open-baar ministerie, stelt het arrest vast dat:

- uit de lezing van het strafdossier blijkt dat de eiseres op het ogenblik van de feiten meerderjarig was;

- de botscan, verricht door dr. V, er geen twijfel over laat bestaan dat de eiseres een geschatte botleeftijd heeft van meer dan achttien jaar.

Met die redenen oordeelt het arrest dat de identiteit van de eiseres, zoals vermeld in het bevel tot aanhouding, dient verbeterd en aangevuld te worden als volgt: "naar eigen zeggen geboren te Poncevo (Servië) op 10 mei 1996, doch volgens botscan verricht door dokter V een geschatte botleeftijd van meer dan 18 jaar te hebben", zodat de onderzoeksrechter "ratione personae" bevoegd was een bevel tot aanhouding lastens de eiseres te verlenen. Aldus is de beslissing naar recht verantwoord.

In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.

5. In zoverre het middel opkomt tegen dit onaantastbaar oordeel van de appel-rechters of het Hof verplicht tot een onderzoek van feiten waarvoor het niet be-voegd is, is het niet ontvankelijk.

Ambtshalve onderzoek van de beslissing

6. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiseres tot de kosten.

Bepaalt de kosten op 71,01 euro.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samen-gesteld uit afdelingsvoorzitter Paul Maffei, als voorzitter, afdelingsvoorzitter Luc Van hoogenbemt, de raadsheren Filip Van Volsem, Antoine Lievens en Erwin Francis, en op de openbare rechtszitting van 4 maart 2014 uitgesproken door afde-lingsvoorzitter Paul Maffei, in aanwezigheid van plaatsvervangend advocaat-generaal Marc De Swaef, met bijstand van griffier Frank Adriaensen.

F. Adriaensen

E. Francis A. Lievens

F. Van Volsem L. Van hoogenbemt P. Maffei

Vrije woorden

  • Verplichte vermeldingen

  • Verdachte

  • Identiteitsgegevens