- Arrest van 5 maart 2014

05/03/2014 - P.13.1793.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Noch artikel 149 van de Grondwet, noch artikel 195 van het Wetboek van Strafvordering, noch enige andere bepaling verplichten de strafrechter de wetsbepalingen te vermelden die betrekking hebben op de rechtspleging (1). (1) Zie Cass. 16 juni 2004, AR P.04.0671.F, AC 2004, nr. 332.

Arrest - Integrale tekst

Nr. P.13.1793.F

Ph. D.,

Mr. Pierre-Bernard Lejeune, advocaat bij de balie te Luik.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis in hoger beroep van de correctionele rechtbank te Hoei van 4 oktober 2013.

De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, vier middelen aan.

Raadsheer Gustave Steffens heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Raymond Loop heeft geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste middel

Het middel verwijt zowel het bestreden vonnis, dat op verzet is gewezen, als het verstekvonnis, dat ze de wetsbepalingen niet vermelden betreffende de daarin toe-gepaste rechtspleging.

In zoverre de grief gericht is tegen het verstekvonnis, houdt zij geen verband met de bestreden beslissing en is zij niet ontvankelijk.

Voor het overige verplichten noch artikel 149 Grondwet, noch artikel 195 Wet-boek van Strafvordering, noch enige andere bepaling, dat de strafrechter de wets-bepalingen vermeldt die betrekking hebben op de rechtspleging.

Het middel faalt naar recht.

Tweede middel

De eiser verwijt het vonnis dat het zijn verzet niet gegrond verklaart hoewel de vergissing die door het verstekvonnis werd verbeterd geen loutere verschrijving was in de zin van artikel 794 Gerechtelijk Wetboek.

Het verstekvonnis van 7 juni 2013 heeft echter geen uitspraak gedaan over een vordering tot verbetering die door het openbaar ministerie met toepassing van de artikelen 793 en volgende Gerechtelijk Wetboek werd ingediend. Aangezien het een beklaagde betreft die op 7 december 2012 is veroordeeld onder een identiteit die niet de zijne was, heeft het openbaar ministerie bij de rechtbank een vonnis van toepasselijkheid gevorderd, welke rechtspleging gegrond is op artikel 518 Wetboek van Strafvordering.

Uit het feit dat de rechtbank het vonnis waartegen verzet is aangetekend, een "verbeterend" vonnis heeft genoemd, volgt niet dat de zaak bij haar aanhangig is gemaakt op grond van de door het middel aangevoerde wetsbepaling. Door het verzet van de eiser af te wijzen hebben de appelrechters die bepaling dus niet kunnen schenden.

Het middel kan niet worden aangenomen.

Derde middel

De rechtbank heeft het verzet niet gegrond verklaard op grond dat de veroorde-ling tegen de eiser en niet tegen zijn zoon is gericht. Het vonnis leidt die identificatie af uit de hoedanigheid van appellant van eerstgenoemde en uit het feit dat de veroordeling aan hem werd betekend.

Het middel dat gericht is tegen de reden die stelt dat de eiser blijk geeft van een vorm van deloyale procesvoering, komt slechts op tegen een overtollige overwe-ging van de appelrechters en is dus bij gebrek aan belang niet ontvankelijk.

Vierde middel

Wanneer, zoals te dezen, een vordering tot het wijzen van een vonnis van toepas-selijkheid betrekking heeft op een veroordeling die in kracht van gewijsde is ge-treden, is de rechter niet meer belast met het onderzoek van de strafvordering, waarover definitief uitspraak is gedaan.

Aangezien bij de correctionele rechtbank het verzet aanhangig werd gemaakt te-gen een vonnis dat de identiteit van de veroordeelde verbetert, faalt het middel dat die rechtbank verwijt niet te hebben nagegaan of de strafvordering was verjaard, naar recht.

Het vonnis oordeelt dat de eiser de beperkte devolutieve werking van het verzet tegen een vonnis van toepasselijkheid had kunnen vermijden door zijn rechtsmid-del niet alleen tegen dat vonnis in te stellen maar ook tegen de beslissing waarin de identiteitsvergissing is gebeurd, zodat hij zijn veroordeling zélf had kunnen be-twisten.

Die overweging miskent het algemeen beginsel van de eerbiediging van het recht van verdediging niet.

Het middel kan in zoverre niet worden aangenomen.

Ambtshalve onderzoek van de beslissing

De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiser tot de kosten.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, tweede kamer, te Brussel, door afdelingsvoorzitter ridder Jean de Codt, afdelingsvoorzitter Frédéric Close, de raadsheren Benoît Dejemeppe, Pierre Cornelis en Gustave Steffens, en in openbare terechtzitting van 5 maart 2014 uitgesproken door afdelingsvoorzitter ridder Jean de Codt, in aanwezigheid van advocaat-generaal Raymond Loop, met bijstand van griffier Tatiana Fenaux.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van raadsheer Erwin Francis en overge-schreven met assistentie van afgevaardigd griffier Véronique Kosynsky.

De afgevaardigd griffier, De raadsheer,

Vrije woorden

  • Vermelding van toegepaste wetsbepalingen

  • Wetsbepalingen met betrekking tot de rechtspleging