- Arrest van 6 maart 2014

06/03/2014 - C.13.0362.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Het bestaan van een oorzaak in de zin van de artikelen 1108 en 1131 Burgerlijk Wetboek moet in beginsel worden beoordeeld op het ogenblik van de totstandkoming van de rechtshandeling waarvan zij een vereiste is; de latere verdwijning ervan heeft in de regel geen gevolgen voor de geldigheid van de rechtshandeling; een tontineovereenkomst die strekking heeft voort te bouwen op een tussen de partijen bestaande feitelijke en juridische verhouding, houdt op te bestaan, wanneer deze onderliggende verhouding een einde neemt derwijze dat hierdoor aan de verdere uitwerking van de overeenkomst iedere zin wordt ontnomen (1). (1) Zie andersluidende concl. OM.

Arrest - Integrale tekst

Nr. C.13.0362. N

M.,

eiseres,

vertegenwoordigd door mr. Martin Lebbe, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1050 Brussel, Louizalaan 106, waar de eiseres woonplaats kiest,

tegen

D.,

verweerder.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen van 11 maart 2013.

Afdelingsvoorzitter Eric Dirix heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal André Van Ingelgem heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDEL

De eiseres voert in haar verzoekschrift een middel aan.

Geschonden wettelijke bepalingen

- artikel 149 van de Grondwet;

- de artikelen 815, 1102, 1104, 1106, 1108, 1131, 1134, 3168, 1175, 1181, 183, 1234, 1382, 1383 en 1964 Burgerlijk Wetboek;

- het algemeen rechtsbeginsel van verbod van rechtsmisbruik.

Bestreden beslissing

Het bestreden arrest bevestigt het vonnis a quo, dat het verzoek van verweerder tot vereffening en verdeling van het onroerend goed te (...), gegrond verklaart, met volgende overwegingen :

"(De eiseres) laat, zoals in eerste aanleg, met betrekking tot de daarbij door (verweerder) in hoofdorde gestelde vordering wederom gelden dat, nu de akte van 18 april 1991 van notaris D. met kantoor te R. middels dewelke partijen het onroerend goed, gelegen te (...), hebben aangekocht, een tontineclausule bevat, er geen sprake is van een mede-eigendom of onverdeeldheid en dienvolgens de door geïntimeerde gevorderde uit onverdeeldheidtreding op grond van artikel 815 Burgerlijk Wetboek niet mogelijk is.

Waar (de eiseres) aldus doet gelden dat er bij een tontine beding geen medeëigendom of onverdeeldheid bestaat, wordt vooreerst vastgesteld dat dit wel het geval is, nu de omstandigheid op zich dat op het moment van overlijden van één der deelgenoten deze moet worden geacht nooit eigenaar te zijn geweest en de andere (langstlevende) deelgenoot moet worden geacht steeds eigenaar te zijn geweest niet wegneemt dat er voorafgaand aan het overlijden van een deelgenoot een periode is geweest, waarbinnen de deelgenoten juridisch hebben samengeleefd en, met andere woorden, medeëigenaars en dus in onverdeeldheid waren.

Door het tontinebeding wordt een doelvermogen gecreëerd/tot stand gebracht, hetgeen inhoudt dat het vermogen als dusdanig wordt losgeweekt van het persoonsbegrip enerzijds en het begrip subjectief recht anderzijds en dit dus een zelfstandige inhoud krijgt, die het voor de deelgenoten onmogelijk maakt om er eenzijdig afstand van te doen pendente conditione en aldus de uit onverdeeldheidtreding onder gelding van het tontinebeding te vorderen.

Vrijwillige onverdeeldheid, wat een tontineovereenkomst nu precies is, kan slechts worden beëindigd, wanneer het nagestreefde doel is bereikt, datzelfde doel niet meer mogelijk of realiseerbaar is of met wederzijds akkoord.

De oorzaak van de tontineovereenkomst is gelegen in de affectieve relatie van de deelgenoten en heeft als doel het goed samen te kunnen beheren en elkaar rechten te garanderen na het overlijden van één van hen.

Wanneer de oorzaak-beweegreden dan, ingevolge beëindiging van de affectieve relatie, wegvalt en de overeenkomst dus geen reden van bestaan meer heeft, vervalt deze, zodat de partij, die in deze omstandigheden aandringt op de uitvoering van deze overeenkomst, niet handelt overeenkomstig artikel 1134, alinea 3, Burgerlijk Wetboek, welke voorziet dat alle overeenkomsten die wettig zijn aangegaan te goeder trouw moeten worden uitgevoerd.

Gezien partijen geen levenspartners meer zijn en hun affectieve relatie midden 2008 werd beëindigd, dient te worden vastgesteld dat de oorzaak-beweegreden is weggevallen en dus ook het tontinebeding is vervallen en dat er dienvolgens tussen partijen een gewone onverdeeldheid is ontstaan, waarin artikel 815 Gerechtelijk Wetboek kan worden gebruikt om de verdeling te vorderen.

De eerste rechter heeft de vordering van (de verweerder) tot vereffening en verdeling van het door partijen, middels de notariële akte van 18 april 1991, aangekochte onroerend goed aldus terecht en om oordeelkundige redenen gegrond werd verklaard en tevens de openbare verkoop bevolen van de goederen die niet gevoeglijk kunnen worden verdeeld."

De redenen van de eerste rechter zijn de volgende :

"(De eiseres) is van oordeel dat er van enige onverdeeldheid geen sprake kan zijn, nu de deelgenoten slechts voorwaardelijke rechten hebben op de goederen die het voorwerp uitmaken van het tontinebeding, en er bovendien geen onverdeeldheid kan bestaan tussen een eigenaar onder opschortende voorwaarde en een eigenaar onder ontbindende voorwaarde.

De tontine zou slechts kunnen worden beëindigd in gemeen akkoord, waartoe (eiseres) niet wenst over te gaan.

De oorzaak van het opnemen van het tontinebeding in de aankoopakte, met name de onderliggende burgerlijke en fiscaalrechtelijke verzorgingsgedachte van de ene ten aanzien van de andere samenlevende partner bij overlijden van één van partijen is met het beëindigen van de samenleving weggevallen.

Wanneer de oorzaak-beweegredenen komt te verdwijnen heeft die omstandigheid het verval van de rechtshandeling tot gevolg, voor zover het gaat om een rechtshandeling onder kosteloze titel. Bij tontinebedingen geldt de regel niet, nu zodanige overeenkomst aangegaan werd onder bezwarende titel.

Het nastreven van de uitvoering door de medecontractant van een wederkerige overeenkomst die wegens gewijzigde omstandigheden zijn bestaansredenen en derhalve zijn oorzaak heeft verloren, moet worden beschouwd als rechtsmisbruik in de zin van artikel 1134, laatste lid, Burgerlijk Wetboek (miskenning uitvoering ter goede trouw van een overeenkomst).

Deze toestand doet zich voor wanneer de overeenkomst of een van haar bedingen ten gevolge van gewijzigde omstandigheden, en niet enkel op basis van bedoelingen van de contractant op het tijdstip van de contractsluiting, geen reden van bestaan meer heeft of wanneer de feitelijke toestand verdwijnt voor zover de partij voor wie deze feitelijke toestand determinerend was niet gecontracteerd zou hebben wanneer die zou geweten hebben van de feitelijke toestand.

Huidige situatie, relatiebreuk, beantwoordt aan deze toestand.

Gezien het verdwijnen van de bestaansreden en oorzaak van de tontineovereenkomst, dient deze als vervallen te worden beschouwd.

Overeenkomstig artikel 815 Burgerlijk Wetboek is het verzoek tot vereffening en verdeling van voormeld onroerend goed gegrond."

Grieven

(...)

Tweede onderdeel

1. Het tontinebeding, zoals hierboven geformuleerd, is, zoals trouwens ook blijkt uit zijn bewoording, een kanscontract. De rechters ten gronde spreken dit niet tegen.

Ten aanzien van een dergelijk contract heeft het verdwijnen van de oorzaak, na het tot stand komen van het contract, niet het tenietgaan van het contract tot gevolg (de artikelen 1102, 1104, 1106, 1108, 1131, 1134, tweede lid, 1234 Burgerlijk Wetboek).

2. Het bestreden arrest beslist het volgende : "Wanneer de oorzaakbeweegreden dan, ingevolge beëindiging van de affectieve relatie, wegvalt en de overeenkomst dus geen reden van bestaan meer heeft, vervalt deze (...)" en "Gezien partijen geen levenspartners meer zijn en hun affectieve relatie midden 2008 werd beëindigd, dient te worden vastgesteld dat de oorzaak-beweegreden is weggevallen en dus ook het tontinebeding is vervallen". Het steunt zich op dit verval om aan de eiseres rechtsmisbruik te verwijten, dat erin bestaat aan te dringen op de uitvoering van de overeenkomst die vervallen is. Het is dus, volgens het bestreden arrest, niet het rechtsmisbruik dat het verval van de tontineovereenkomst meebrengt, maar de verdwijning van de oorzaak van die overeenkomst.

Het bestreden arrest oordeelt aldus dat het wegvallen van de oorzaak van de bovenvermeld tontineovereenkomst het verval van die overeenkomst meebrengt.

De bovenvermelde tontineovereenkomst is evenwel een kanscontract, zijnde een wederkerig contract en een contract onder bezwarende titel (artikelen 1102, 1104, 1106, 1964 van het Burgerlijk Wetboek) en bij dergelijke contracten brengt het wegvallen van de oorzaak, die een geldigheidsvereiste van de overeenkomst is, niet het tenietgaan van de overeenkomst mee. Door anders te beslissen schendt het bestreden arrest de artikelen 1102, 1104, 1106, 1108, 1131, 1134 tweede lid, 1234 en 1964 Burgerlijk Wetboek.

(...)

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste onderdeel

(...)

1. Het onderdeel dat een juridische tegenstrijdigheid aanvoert en daartoe enkel artikel 149 Grondwet als geschonden aanwijst, is niet ontvankelijk.

Tweede onderdeel

2. Het bestaan van een oorzaak in de zin van de artikelen 1108 en 1131 Bur-gerlijk Wetboek moet in beginsel worden beoordeeld op het ogenblik van de tot-standkoming van de rechtshandeling waarvan zij een geldigheidsvereiste is. De la-tere verdwijning ervan heeft in de regel geen gevolgen voor de geldigheid van de rechtshandeling.

Een tontineovereenkomst die de strekking heeft voort te bouwen op een tussen de partijen bestaande feitelijke of juridische verhouding, houdt evenwel op te be-staan, wanneer deze onderliggende verhouding een einde neemt derwijze dat hier-door aan de verdere uitwerking van de overeenkomst iedere zin wordt ontnomen.

3. Uit de vaststellingen van het arrest en het beroepen vonnis blijkt dat:

- de partijen gedurende meer dan twintig jaar een affectieve relatie hadden;

- zij bij akte van 19 april 1991 "vanuit de onderlinge burgerlijke en fiscaalrech-telijke verzorgingsgedachte van de ene partner ten aanzien van de andere sa-menlevende partner bij het overlijden van één van de partijen" een woning kochten onder een beding van tontine krachtens welk de volledige eigendom zou toekomen aan de langstlevende partner;

- aan hun relatie een einde kwam;

- een overeenstemming tot de beëindiging van de overeenkomst niet mogelijk bleek;

- de verweerder de verdeling vordert van het onroerend goed.

4. Het arrest dat oordeelt dat aangezien de oorzaak van de overeenkomst die gelegen is "in de affectieve relatie van de deelgenoten en als doel [heeft] het goed samen te kunnen beheren en elkaar rechten te garanderen na het overlijden van één van hen", door de beëindiging van de relatie "geen bestaansreden meer heeft", zodat het tontinebeding geen uitwerking meer heeft en er tussen de partijen dienvolgens "een gewone onverdeeldheid" is ontstaan en op die gronden beslist dat de verweerder op grond van artikel 815 Burgerlijk Wetboek de verdeling kan vorderen, is naar recht verantwoord.

Het onderdeel kan niet worden aangenomen.

Derde en vijfde onderdeel

5.

(...)

Vierde onderdeel

(...)

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiseres tot de kosten.

Bepaalt de kosten voor de eiseres op 954,22 euro.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samen-gesteld uit afdelingsvoorzitter Eric Dirix, als voorzitter, en de raadsheren Alain Smetryns, Koen Mestdagh, Geert Jocqué en Bart Wylleman, en in openbare rechtszitting van 6 maart 2014 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Eric Dirix, in aanwezigheid van advocaat-generaal André Van Ingelgem, met bijstand van griffier Johan Pafenols.

J. Pafenols B. Wylleman G. Jocqué

K. Mestdagh A. Smetryns E. Dirix

Vrije woorden

  • Bestaan

  • Beoordeling

  • Tijdstip

  • Verdwijning

  • Gevolg

  • Tontineovereenkomst