- Arrest van 6 maart 2014

06/03/2014 - C.12.0184.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Uit de bepalingen van artikel 301, §3, eerste en tweede lid, Burgerlijk Wetboek volgt dat de rechter bij het vaststellen van de onderhoudsuitkering na echtscheiding niet alleen rekening kan houden met de terugval van de economische situatie van de uitkeringsgerechtigde die het gevolg is van de keuzes die de echtgenoten tijdens het samenleven hebben gemaakt, maar dat hij indien daartoe bijzondere redenen voorhanden zijn, zoals de zeer lange duur van het huwelijk of de hoge leeftijd van de uitkeringsgerechtigde, ook rekening kan houden met de aanzienlijke terugval van zijn economische situatie wegens de echtscheiding (1). (1) Cass. 12 okt. 2009, AR C.08.0524.F, AC 2009, nr. 572.

Arrest - Integrale tekst

Nr. C.12.0184.N

A.,

eiseres,

vertegenwoordigd door mr. Michel Mahieu, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1170 Watermaal-Bosvoorde, Vorstlaan 36, waar de eiseres woon-plaats kiest,

tegen

D.,

verweerder.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent van 6 mei 2010.

Raadsheer Koen Mestdagh heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal André Van Ingelgem heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDEL

De eiseres voert een middel aan.

Geschonden wetsbepalingen

- artikel 149 Grondwet, gecoördineerd op 17 februari 1994;

- het nieuwe artikel 301 Burgerlijk Wetboek.

Aangevochten beslissing en onderliggende motivering

Het bestreden arrest verklaart het hoofdberoep van de verweerder ontvankelijk en gegrond, verklaart het incidenteel beroep van de eiseres ontvankelijk, doch ongegrond en doet het bestreden vonnis teniet in de mate dat aan de eiseres een onderhoudsuitkering na echtscheiding werd toegekend.

Opnieuw rechtdoende, zegt het bestreden arrest voor recht dat de verweerder geen onderhoudsuitkering na echtscheiding aan de eiseres verschuldigd is, bevestigt het bestreden vonnis voor het overige binnen de perken van de hogere beroepen, verwijst elke partij in de eigen kosten van het hoger beroep, niet nuttig te vereffenen en slaat de rechtsplegingsvergoedingen om over de partijen.

Met betrekking tot de staat van behoefte en de aanzienlijke economische terugval oordeelde het bestreden arrest:

"2. De [eiseres] houdt voor dat zij in functie van het huwelijk een grote stap achteruit zette en, omwille van de loopbaan en de ambities van [de verweerder], koos voor een loopbaan als gerechtsdeurwaarder om het gezinsleven perfect te kunnen organiseren, maar dat haar inkomsten beperkt zijn en het zeer moeilijk is om benoemd te worden. Tevens vreest zij ook minder werk en minder inkomsten zolang zij niet benoemd wordt.

De [eiseres] toont vooreerst niet aan dat ze een dergelijke stap achteruit zette toen zij huwde in 2001. Zij was toen dertig jaar oud.

De [eiseres] bewijst niet dat haar beroepskeuze een invloed had op haar verdienvermogen, noch dat zij hiervoor een betere economische situatie heeft moeten opgeven, noch dat deze keuze noodzakelijk door het huwelijk werd veroorzaakt.

Er is tevens geen enkele aanwijzing dat de [eiseres] haar functie niet voltijds kon uitoefenen wegens noden van het gezinsleven. Integendeel vermeldt ze zelf dat ze hard moest werken en veel uren presteren.

Een aanzienlijke economische terugval door of ten tijde van het huwelijk is op basis van deze gegevens afwezig en niet bewezen.

Een eventuele moeilijkheid om benoemd te worden, is geen vaststaand gegeven dat in aanmerking te nemen is. Dit geldt evenzeer voor andere toekomstige ont-wikkelingen in de inkomsten of de vrees voor een inkomstendaling. Het hof kan zich enkel steunen op bestaande concrete gegevens en niet op mogelijke ontwikkelingen en hypotheses.

3. Verder houdt de [eiseres] voor dat zij, behalve de onbewezen stap achteruit bij het aangaan van het huwelijk, ook een aanzienlijke economische terugval kende tengevolge van de relatiebreuk.

Uit de hierboven vastgestelde ongelijkheid in inkomsten kan enkel worden weerhouden dat de [eiseres] principieel onderhoudsgerechtigd is als diegene met het laagste inkomen, zodat moet worden nagegaan of haar een uitkering tot levensonderhoud dient te worden toegekend, op grond van de wettelijke criteria om dergelijke uitkering te begroten.

Een ongelijkheid in de inkomsten is op zich niet voldoende om een onderhoudsuitkering na echtscheiding toe te kennen. Dergelijke onderhoudsuitkering is geen middel tot vereffening van een inkomstenongelijkheid zonder meer.

Het behoud van een gelijkwaardige levensstandaard van tijdens het samenleven is niet langer de referentiestandaard. De wetgever heeft verder de solidariteit na de echtscheiding ingeperkt en stelt de economische zelfredzaamheid voorop. De on-derhoudsuitkering heeft verder ook geen indemnitaire functie meer.

Overigens namen de partijen bij hun huwelijk het stelsel van scheiding van goe-deren aan. Dit hield in dat de inkomsten eigen waren en dat elk naar vermogen bij voorrang bijdroeg aan de lasten van het huwelijk, dag na dag met vrijstelling van iedere verrekening, ook bij ontbinding van het huwelijk.

Daar waar de [verweerder] tijdens het huwelijk naar vermogen meer zou hebben bijgedragen in de samenlevingskosten van huisvestiging, inrichting, nutsvoorzieningen, voertuig e.d., en de geïntimeerde bepaalde van deze uitgaven en kosten beroepsmatig fiscaal zou hebben ingebracht, is deze solidariteit beëindigd tengevolge van de ontbinding van het huwelijk.

Het wegvallen van de voordelen van deze meerverdienste van de [verweerder] is op zich geen voldoende reden om een onderhoudsuitkering na echtscheiding toe te kennen.

Het volstaat geenszins om een theoretisch uitgangspunt meteen als een volledig afdwingbaar recht te bestempelen en met name 1/3 van het inkomen van de meer-verdienende ex-echtgenoot op te eisen gedurende een maximale looptijd gelijk aan het huwelijk, zonder het bewijs dat de eigen behoeften niet met eigen inkomsten ten minste gedekt kunnen worden en zonder het bewijs van een aanzienlijke economische terugval.

Conclusie

Met de voorgelegde inkomstengegevens uit haar jarenlange en continue voltijdse tewerkstelling als kandidaat-gerechtsdeurwaarder toont de [eiseres] niet aan dat ze niet ten minste haar behoeften kan voldoen en verder toont ze niet aan dat haar beroepskeuze een aanzienlijke economische terugval tijdens het huwelijk heeft veroorzaakt, noch dat haar beroepskeuze door het huwelijk zou zijn bepaald of beperkt en mogelijkheden tot hogere inkomsten zou hebben belemmerd.

Uit de werkzaamheden van vereffening en verdeling blijkt dat de [eiseres] overigens aanspraak maakte om het appartement van de partijen over te nemen. Uit de debatten voor het hof is echter gebleken dat het appartement inmiddels werd verkocht.

Op basis van de vigerende wettelijke criteria en alle bovenvermelde concrete gegevens komt het hof tot het besluit dat aan de [eiseres] geen onderhoudsuitkering na echtscheiding verschuldigd is".

Grieven van de eiseres

Eerste onderdeel

Schending van artikel 149 Grondwet en van het nieuwe artikel 301 Burgerlijk Wetboek.

Krachtens het nieuwe artikel 301, § 3, eerste en tweede lid, Burgerlijk Wetboek legt de rechtbank het bedrag van de onderhoudsuitkering vast die ten minste de staat van behoefte van de uitkeringsgerechtigde moet dekken. De rechtbank houdt rekening met de inkomsten en de mogelijkheden van de echtgenoten en met de aanzienlijke terugval van de economische situatie van de uitkeringsgerechtigde. Om die terugval van de economische situatie te waarderen, baseert de rechter zich met name op de duur van het huwelijk, de leeftijd van de partijen, hun gedrag tijdens het huwelijk inzake de organisatie van hun noden en het ten laste nemen van de kinderen tijdens het samenleven of daarna.

Als uitgangspunt geldt dat de onderhoudsuitkering na echtscheiding minstens de staat van behoefte van de onderhoudsgerechtigde moet dekken. Dit is een minimumnorm. De uitkering kan op een hoger bedrag worden vastgesteld in functie van de aanzienlijke terugval van de economische situatie van de onderhoudsge-rechtigde.

Om het bedrag van de onderhoudsuitkering na echtscheiding vast te stellen, moet de rechter bijgevolg niet alleen rekening houden met de terugval van de economische situatie van de uitkeringsgerechtigde die het gevolg is van de keuzes die de echtgenoten tijdens het samenleven hebben gemaakt, maar ook met de aanzienlijke terugval van zijn economische situatie wegens de echtscheiding.

Daaruit volgt dat de mogelijkheid van toekenning van een hogere uitkering dan hetgeen nodig is om de staat van behoefte te dekken, niet uitsluitend bestaat in geval de verdiencapaciteit van de onderhoudsgerechtigde wegens het huwelijk is verminderd, maar eveneens wanneer er zonder verlies aan verdienvermogen een aanzienlijke terugval door de echtscheiding wordt veroorzaakt.

Bij de beoordeling van de aanzienlijke economische terugval wegens de echtschei-ding is de referentiestandaard de levensstandaard van tijdens de huwelijkse samenleving.

Het begrip "terugval" vraagt om een vergelijking van twee toestanden.

Voor de aanzienlijke economische terugval wegens de echtscheiding moet de ver-gelijking worden gemaakt tussen de daadwerkelijke economische situatie van de uitkeringsgerechtigde na de echtscheiding met zijn of haar gemiddelde economische situatie gedurende het huwelijk met de onderhoudsplichtige. Bepalend voor de toekenning van een uitkering boven de minimumnorm is dus dat de uitkeringsgerechtigde in een financiële situatie is terecht gekomen die aanzienlijk slechter is dan die van tijdens het huwelijk.

In haar beroepsbesluiten had de eiseres uitdrukkelijk ingeroepen: "Het gezin (...) beschikte tijdens het huwelijk over een netto maandwedde van 7.907 EUR van de man. (...) verdiende bij als zelfstandige gerechtsdeurwaarder, maar in een twijfelachtig en onzeker statuut. (...) was afhankelijk van de maandwedde van (...). Dat gold zowel haar gezin als haarzelf. Haar maandwedde was maximaal 2.400 EUR zodat de echtscheiding een aanzienlijke economische terugval meebracht."

De eiseres liet aldus verstaan dat haar staat van behoefte moest worden bepaald in verhouding tot de levensstandaard van tijdens de huwelijkse samenleving die in concreto op basis van een analyse van het geheel aan gezinsinkomsten op jaarbasis kon worden bepaald.

1.4. Het bestreden arrest beoordeelt de aanzienlijke economische terugval wegens de echtscheiding en beslist, samengevat, dat:

- een ongelijkheid in de inkomsten op zich niet voldoende is om een onderhoudsuitkering na echtscheiding toe te kennen;

- het behoud van een gelijkwaardige levensstandaard van tijdens het samenleven niet langer de referentiestandaard is;

- daar waar de verweerder tijdens het huwelijk naar vermogen meer zou hebben bijgedragen in de samenlevingskosten van huisvesting, inrichting, nutsvoorzieningen, voertuig e.d., en eiseres bepaalde van deze uitgaven en kosten beroepsmatig fiscaal zou hebben ingebracht, is deze solidariteit beëindigd ten gevolge van de ontbinding van het huwelijk;

- het wegvallen van de voordelen van deze meerverdienste van verweerder op zich geen voldoende reden is om een onderhoudsuitkering na echtscheiding toe te kennen;

- het geenszins volstaat om een theoretisch uitgangspunt meteen als een volledig af-dwingbaar recht te bestempelen en met name 1/3 van het inkomen van de meerverdienende ex-echtgenoot op te eisen gedurende een maximale looptijd gelijk aan het huwelijk, zonder het bewijs dat de eigen behoeften niet met eigen inkomsten ten minste gedekt kunnen worden en zonder bewijs van een aanzienlijke economische terugval.

Door zich aldus te beperken tot algemene bevindingen, zonder de staat van be-hoefte van de eiseres in verhouding tot de levensstandaard van tijdens de huwelijkse samenleving te bepalen, heeft het arrest niet geantwoord op bovenvermeld middel uit de beroepsbesluiten van de eiseres waarin zij haar staat van behoefte in verhouding tot het geheel aan gezinsinkomsten op jaarbasis tijdens het huwelijk met de verweerder aantoonde.

Bij gebrek aan antwoord op dit middel uit de beroepsbesluiten van de eiseres is het arrest niet regelmatig gemotiveerd en schendt het artikel 149 Grondwet dat de rechter verplicht te antwoorden op de door de partijen regelmatig voorgebrachte middelen.

Bovendien vertrekt het bestreden arrest van verkeerde premissen wanneer het in het kader van de beoordeling van de aanzienlijke economische terugval wegens de echtscheiding beslist dat het behoud van een gelijkwaardige levensstandaard van tijdens het samenleven niet langer de referentiestandaard zou zijn en dat de solidariteit in de zin zoals hiervoor vermeld ten gevolge van de ontbinding van het huwelijk zou zijn beëindigd.

Zoals hiervoor vermeld, is de referentiestandaard ten aanzien waarvan de aanzienlijke economische terugval wegens de echtscheiding moet worden beoordeeld, precies de levensstandaard van tijdens de huwelijkse samenleving.

Ook ex-echtgenoten die bij hun huwelijk het stelsel van de scheiding van goederen hebben aangegaan, hebben recht op een onderhoudsuitkering na echtscheiding in de zin van het nieuwe artikel 301 Burgerlijk Wetboek dat precies in een basissolidariteit na het huwelijk voorziet.

Aldus maakt het bestreden arrest een verkeerde toepassing van artikel 301 Burgerlijk Wetboek waardoor het die wetsbepaling schendt.

Nergens blijkt uit de vaststellingen van het bestreden arrest dat de staat van behoefte van de eiseres en meer in het bijzonder de aanzienlijke economische terugval wegens de echtscheiding op grond van de levensstandaard van tijdens huwelijkse samenleving werd bepaald.

Het arrest heeft niet nagegaan of er een verschil bestaat tussen de economische situatie van de eiseres na de echtscheiding en die tijdens het huwelijk, noch of dit verschil al dan niet een aanzienlijke economische terugslag teweegbracht in die mate dat het voor compensatie door toekenning van een onderhoudsuitkering na echtscheiding in aanmerking kwam.

Daaruit volgt dat het bestreden arrest niet wettig kon beslissen dat het bewijs van een aanzienlijke economische terugval niet is geleverd, zonder de staat van behoefte van de eiseres t.a.v. de levensstandaard van tijdens het huwelijkse samenleven te bepalen en aldus tot voormelde vergelijking over te gaan en na te gaan of ze al dan niet in een financiële situatie is terecht gekomen die aanzienlijk slechter is dan die van tijdens het huwelijk (schending van artikel 301 Burgerlijk Wetboek).

Tweede onderdeel

(...).

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste onderdeel

1. Het arrest oordeelt vooreerst dat de beoordeling van de aanzienlijke econo-mische terugval een vergelijking inhoudt van de daadwerkelijke economische si-tuatie van de onderhoudsgerechtigde op het ogenblik van de echtscheiding, ener-zijds, en de economische situatie waarin de onderhoudsgerechtigde zou hebben verkeerd indien hij tijdens of ingevolge het huwelijk met de onderhoudsplichtige niet de keuzes had gemaakt die een invloed hebben gehad op zijn verdienver-mogen, anderzijds.

Het oordeelt verder dat zulk een aanzienlijke economische terugval door of tijdens het huwelijk op basis van de bestaande concrete gegevens afwezig en niet bewe-zen is.

Met die redenen en de redenen die het onderdeel weergeeft onder randnummer 1.4, verwerpt en beantwoordt het arrest het bedoelde verweer.

In zoverre het onderdeel een motiveringsgebrek aanvoert, mist het feitelijke grondslag.

2. Krachtens artikel 301, § 3, eerste en tweede lid, Burgerlijk Wetboek legt de rechtbank het bedrag van de onderhoudsuitkering vast die ten minste de staat van behoefte van de uitkeringsgerechtigde moet dekken. De rechtbank houdt rekening met de inkomsten en mogelijkheden van de echtgenoten en met de aanzienlijke terugval van de economische situatie van de uitkeringsgerechtigde. Om die terugval te waarderen baseert de rechter zich met name op de duur van het huwelijk, de leeftijd van partijen, hun gedrag tijdens het huwelijk inzake de organisatie van hun noden en het ten laste nemen van de kinderen tijdens het samenleven of daarna.

Uit die bepalingen volgt dat de rechter bij het vaststellen van de onderhoudsuitke-ring na echtscheiding niet alleen rekening kan houden met de terugval van de eco-nomische situatie van de uitkeringsgerechtigde die het gevolg is van de keuzes die de echtgenoten tijdens het samenleven hebben gemaakt, maar dat hij, indien daar-toe bijzondere redenen voorhanden zijn, zoals de zeer lange duur van het huwelijk of de hoge leeftijd van de uitkeringsgerechtigde, ook rekening kan houden met de aanzienlijke terugval van zijn economische situatie wegens de echtscheiding.

3. Het onderdeel dat voor het overige geheel ervan uitgaat dat de rechter bij het vaststellen van de onderhoudsuitkering na echtscheiding verplicht is rekening te houden met de aanzienlijke terugval van de economische situatie die het gevolg is van de echtscheiding, zodat de staat van behoefte van de onderhoudsgerechtigde moet worden bepaald op grond van de levensstandaard van tijdens het huwelijkse samenleven, berust op een onjuiste rechtsopvatting.

In zoverre faalt het onderdeel naar recht.

Tweede onderdeel

(...)

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiseres tot de kosten.

Bepaalt de kosten voor de eiseres op 596,83 euro en voor de verweerder op nul euro.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samen-gesteld uit afdelingsvoorzitter Eric Dirix, als voorzitter, en de raadsheren Alain Smetryns, Koen Mestdagh, Geert Jocqué en Bart Wylleman, en op de openbare rechtszitting van 6 maart 2014 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Eric Dirix, in aanwezigheid van advocaat-generaal André Van Ingelgem, met bijstand van grif-fier Johan Pafenols.

J. Pafenols B. Wylleman G. Jocqué

K. Mestdagh A. Smetryns E. Dirix

Vrije woorden

  • Onderhoudsuitkering

  • Vaststelling

  • Beoordeling door de rechter