- Arrest van 7 maart 2014

07/03/2014 - C.11.0601.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Wanneer een van de vennoten van een vereniging zonder rechtspersoonlijkheid een vordering instelt, moet die rechtsvordering enkel wat hem betreft worden aangenomen (1). (1) Zie Cass. 14 feb. 2008, AR F.07.0058.N, AC 2008, nr. 113.

Arrest - Integrale tekst

Nr. C.11.0601.F

1. ALDES AÉRAULIQUE, vennootschap naar Frans recht,

2. EURO REGISTER, naamloze vennootschap,

Mr. François T'Kint, advocaat bij het Hof van Cassatie,

tegen

1. G. L., advocaat bij de balie te Nijvel,

2. DELTA THERMIC nv,

3. DEVIS ENERGIEËN nv,

4. ÉTABLISSEMENTS DRUART nv,

Mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel van 20 januari 2011.

Raadsheer Didier Batselé heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Thierry Werquin heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDELEN

De eiseressen voeren de volgende zes middelen aan.

Eerste middel

Geschonden wettelijke bepalingen

- artikel 577, inzonderheid § 1, 5 en 6, van het Burgerlijk Wetboek;

- artikel 1051 van het Gerechtelijk Wetboek ;

- de artikelen 2 en 47 van het Wetboek van Vennootschappen;

- artikel 149 van de grondwet.

Aangevochten beslissingen

Het hof van beroep heeft, op het hoger beroep tegen het beroepen vonnis, kennisgenomen van de vordering van de verweersters tot de veroordeling, in solidum, van de eiseressen tot de betaling van een bedrag van 238.228,02 euro, in hoofdsom, of van het subsidiaire bedrag van 56.301 euro, plus de verwijlinterest, als schadevergoeding die de eiseressen zogenaamd verschuldigd zouden zijn voor de - niet met de bestelbon overeenstemmende - levering van door de verweersters bestelde stuurmodules, die geplaatst moesten worden in de ventilatie- en klimaatregelingsdoorvoeren van het Berlaymont-gebouw te Brussel, waarbij de verweersters belast waren met de plaatsing van de verwarming, de luchtverversing en de klimaatregeling in dat gebouw.

Het arrest verklaart, met gedeeltelijke wijziging van het beroepen vonnis, het hoger beroep van de vierde verweerster niet-ontvankelijk en verklaart de vordering van de eerste, de tweede en de derde verweerster in beginsel ontvankelijk en gegrond.

Die beslissing wordt verantwoord door alle redenen van het arrest, die hier als volledig weergegeven worden beschouwd.

Het arrest beslist inzonderheid dat de eiseressen ten onrechte de niet-ontvankelijkheid van het hoger beroep van de vierde verweerster aan de andere drie verweersters willen tegenwerpen, op grond dat de niet-ontvankelijkheid ten aanzien van eerstgenoemde het hoger beroep in zijn geheel zou aantasten.

Het arrest verantwoordt die beslissing inzonderheid met de volgende redenen:

"De (eiseressen) betwisten terecht de ontvankelijkheid van het hoger beroep van de (vierde verweerster).

De tijdelijke vereniging 4D heeft immers geen rechtspersoonlijkheid en er bestaat geen enkele actieve hoofdelijkheid tussen de leden van die vereniging.

Bijgevolg moet elke verbonden vennootschap zelf in rechte optreden en kunnen de door haar vennoten verrichte proceshandelingen haar niet ten goede komen.

Elke (verweerster) kan zich met andere woorden niet doen vertegenwoordigen door haar medevennoten, tenzij zij hen daarmee uitdrukkelijk belast, wat te dezen niet wordt aangevoerd.

Hieruit kan worden afgeleid dat elke (verweerster) slechts zichzelf vertegenwoordigt en enkel optreedt om haar eigen belangen te verdedigen, tot beloop van de rechten die ze binnen de tijdelijke vereniging heeft.

Hoewel de (eerste drie verweersters) hoger beroep hebben ingesteld binnen de wettelijke termijn, gelet op de data waarop het vonnis jegens hen werd betekend, geldt dat niet voor de (vierde verweerster), wiens hoger beroep niet ontvankelijk is.

De (eiseressen) willen ten onrechte die niet-ontvankelijkheid tegenwerpen aan de eerste (drie verweersters), op grond dat de niet-ontvankelijkheid ten aanzien van de (vierde verweerster) het hoger beroep in zijn geheel gebrekkig zou maken.

Dat middel kan niet worden aangenomen, aangezien de tijdelijke vereniging geen rechtspersoonlijkheid heeft en elke vennoot derhalve zijn eigen subjectief recht behoudt om alleen te handelen teneinde zijn persoonlijke belangen te vrijwaren, die beperkt zijn tot zijn aandeel in de tijdelijke vereniging.

In dit geval wordt aangevoerd, en niet betwist, dat elke vennoot een even groot aandeel heeft en dat de drie vennootschappen waarvan het hoger beroep ontvankelijk is, de verdeling dus slechts kunnen vorderen tot beloop van drie vierde van de gehele schade van de tijdelijke vereniging, wat neerkomt op een vierde per vennoot".

Het arrest wijst daarenboven op het volgende:

"Gelet op de niet-ontvankelijkheid van het hoger beroep van de (vierde verweerster), kan enkel de schade van de andere drie (verweersters), die, a priori, elk een vierde van de gehele schade blijken te kunnen vorderen, vergoed worden.

Het hof [van beroep] verzoekt hen echter dat feit te bevestigen of tegen te spreken aan de hand van de verenigingsakkoorden die ze gesloten hebben".

Grieven

Eerste onderdeel

Artikel 1051 van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat de termijn om hoger beroep aan te tekenen één maand is, te rekenen vanaf de betekening van het vonnis.

De artikelen 2, § 1, en 47 van het Wetboek van Vennootschappen bepalen dat de tijdelijke vennootschap geen rechtspersoonlijkheid heeft.

Uit het feit dat de tijdelijke vennootschap geen rechtspersoonlijkheid heeft, volgt dat het vorderingsrecht van een dergelijke vennootschap in onverdeeldheid toekomt aan de vennoten en dat de tijdelijke vennootschap slechts in rechte kan optreden indien zij handelt in naam van alle vennoten en over de vereiste vertegenwoordigingsbevoegdheid beschikt. De individuele vennoten kunnen dus niet over onverdeelde rechten beschikken, zelfs niet voor hun eigen aandeel: alle vennoten moeten gezamenlijk optreden.

Te dezen kan niet worden betwist dat de conclusie die is neergelegd in naam van de tijdelijke vennootschap, betrekking heeft op de vergoeding van de schade "zoals ze is geleden door 4D" en niet op de eigen schade van elke vennoot. Bij het ramen van de schade wordt daarenboven overwogen dat "4D haar schade raamt als volgt...". De tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing, ten slotte, wordt gevorderd door de tijdelijke vennootschap zelf en die beslissing is op haar verzoek betekend op 14 juni 2011.

Het arrest stelt overigens vast dat de vierde verweerster geen beroep heeft ingesteld binnen de wettelijke termijn van een maand, gelet op de data waarop het vonnis in eerste aanleg is betekend.

Aangezien, in rechte, de leden van de tijdelijke vennootschap de vergoeding van de schade van die vennootschap vorderen, moeten alle leden gezamenlijk en regelmatig in rechte optreden, met name wanneer zij proceshandelingen verrichten. Inzonderheid inzake het hoger beroep moet elk lid van de tijdelijke vennootschap hoger beroep instellen binnen de in artikel 1051 van het Gerechtelijk Wetboek bepaalde termijn, zo niet wordt het hoger beroep onontvankelijk, omdat het hoger beroep in onverdeeldheid, door alle vennoten, moet worden ingesteld.

Aangezien het vorderingsrecht van een tijdelijke vennootschap in onverdeeldheid aan alle vennoten toebehoort, zijn laatstgenoemden niet bevoegd om individueel over die onverdeelde rechten te beschikken of ze in hun voordeel uit te oefenen. Integendeel, alle vennoten van een tijdelijke vennootschap moeten gezamenlijk in rechte optreden, zodat het arrest, dat beslist dat de niet-ontvankelijkheid van het hoger beroep van de vierde verweerster niet kan leiden tot de niet-ontvankelijkheid van het hoger beroep van de andere drie verweersters, op grond dat "elke vennoot zijn eigen subjectief recht behoudt om alleen te handelen teneinde zijn persoonlijke belangen te vrijwaren, die beperkt zijn tot zijn aandeel in de tijdelijke vereniging", niet naar recht is verantwoord.

Het arrest schendt alle in het middel bedoelde wettelijke bepalingen (met uitzondering van artikel 149 van de Grondwet), waaruit volgt dat het hoger beroep van de tijdelijke vennootschap moet worden ingesteld in naam van alle vennoten, binnen de termijn van een maand te rekenen van de betekening van het beroepen vonnis.

(...)

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste middel

Eerste onderdeel

Het middel, dat in dit onderdeel de schending aanvoert van artikel 577 Burgerlijk Wetboek, dat geen verband houdt met de in dat onderdeel aangevoerde kritiek, kan niet leiden tot vernietiging van de bestreden beslissing en is dus in zoverre niet ontvankelijk.

Wanneer, voor het overige, een van de vennoten van een vereniging zonder rechtspersoonlijkheid een vordering instelt, moet die rechtsvordering enkel wat hem betreft worden aangenomen.

Wanneer de leden van een vereniging zonder rechtspersoonlijkheid een overeen-komst aangaan met een derde, worden enkel de vennoten schuldeiser en schul-denaar van de daaruit voortvloeiende rechten en verplichtingen, die in de regel onder hen verdeeld en in hun vermogen opgenomen worden.

De eiseressen betogen niet dat het hoger beroep betrekking zou hebben op een on-splitsbaar geschil of dat de verplichting onsplitsbaar was.

Het arrest, dat beslist dat "de [eiseressen] ten onrechte de niet-ontvankelijkheid van het hoger beroep [van de vierde verweerster aan de andere drie verweersters] willen tegenwerpen, op grond dat de niet-ontvankelijkheid ten aanzien van eerst-genoemde het hoger beroep in zijn geheel zou aantasten", beslist wettig dat het "middel kan niet worden aangenomen, aangezien de tijdelijke vereniging geen rechtspersoonlijkheid heeft en elke vennoot derhalve zijn eigen subjectief recht behoudt om alleen te handelen teneinde zijn persoonlijke belangen te vrijwaren, die beperkt zijn tot zijn aandeel in de tijdelijke vereniging".

Het onderdeel kan niet worden aangenomen.

(...)

Dictum

Het Hof,

Vernietigt het bestreden arrest, in zoverre het uitspraak doet over het beginsel van de betaling van de verweerkosten in eerste aanleg.

Verwerpt het cassatieberoep voor het overige.

Verklaart het arrest van 15 september 2011 nietig, in zoverre het de eerste eiseres veroordeelt om verweerkosten te betalen tot beloop van 2.207,70 euro (18 pct. van 12.265 euro) aan de verweerder sub 1, 3.434,20 euro (28 pct. van 12.265 euro) aan de verweerster sub 2 en 4.538,05 euro (37 pct. van 12.265 euro) aan de ver-weerster sub 3, vermeerderd met de compensatoire interest, en in zoverre het uit-spraak doet over de verweerkosten in eerste aanleg en in hoger beroep.

Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeel-telijk vernietigde arrest en van het gedeeltelijk nietig verklaarde arrest.

Veroordeelt de eiseressen in drie vierde van de kosten, houdt de overige kosten aan en laat de beslissing hieromtrent over aan de feitenrechter.

Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Bergen.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel, door voor-zitter Christian Storck, raadsheer Didier Batselé, afdelingsvoorzitter Albert Fettweis, de raadsheren Martine Regout en Michel Lemal, en in openbare terecht-zitting van 7 maart 2014 uitgesproken door voorzitter Christian Storck, in aanwe-zigheid van advocaat-generaal Thierry Werquin, met bijstand van griffier Patricia De Wadripont.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van raadsheer Koenraad Moens en over-geschreven met assistentie van griffier Johan Pafenols.

De griffier, De raadsheer,

Vrije woorden

  • Tijdelijke handelsvereniging

  • Geen rechtspersoonlijkheid

  • Rechtsvordering

  • Uitoefening door een vennoot