- Arrest van 10 maart 2014

10/03/2014 - S.12.0001.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Bij een tijdelijke verergering van de blijvende arbeidsongeschiktheid na de consolidatiedatum waardoor het door een arbeidsongeval getroffen contractueel personeelslid van een gemeente zijn betrekking tijdelijk niet meer kan uitoefenen, heeft die getroffene, staande de arbeidsovereenkomst, op grond van een meer gunstige bepaling van het personeelsstatuut, gedurende de periode van tijdelijke verergering van de blijvende arbeidsongeschiktheid recht op vergoedingen voor tijdelijke arbeidsongeschiktheid, ongeacht de graad van blijvende arbeidsongeschiktheid; indien de periode van tijdelijke verergering van de blijvende arbeidsongeschiktheid voortduurt nadat de arbeidsovereenkomst een einde heeft genomen, blijft die getroffene verder recht hebben op een dagelijkse vergoeding gelijk aan 90 pct. van het gemiddeld dagbedrag, dit op voorwaarde dat hij een blijvende arbeidsongeschiktheid van ten minste 10 pct. heeft zo de tijdelijke verergeringstoestand zich heeft voorgedaan na de bij artikel 11 van het KB van 13 juli 1970 bepaalde herzieningstermijn (1). (1) Zie concl. OM.

Arrest - Integrale tekst

Nr. S.12.0001.N

STAD GENT, vertegenwoordigd door het college van burgemeester en schepe-nen, met kantoor te 9000 Gent, Botermarkt 1,

eiseres,

vertegenwoordigd door mr. Willy van Eeckhoutte, advocaat bij het Hof van Cas-satie, met kantoor te 9051 Gent, Drie Koningenstraat 3, waar de eiseres woon-plaats kiest,

tegen

A G,

verweerder.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het arbeidshof te Gent van 20 november 2009.

Advocaat-generaal Henri Vanderlinden heeft op 10 februari 2014 ter griffie een conclusie neergelegd.

Raadsheer Koen Mestdagh heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Henri Vanderlinden heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDEL

De eiseres voert in haar verzoekschrift een middel aan.

Geschonden wettelijke bepalingen

- artikel 149 gecoördineerde Grondwet van 17 februari 1994;

- de artikelen 1, eerste lid, 9°, 3bis, inzonderheid eerste lid, 6, § 2 en § 3, en 16, tweede lid, van de wet van 3 juli 1967 betreffende de preventie van of de schade-vergoeding voor arbeidsongevallen, voor ongevallen op de weg naar en van het werk en voor beroepsziekten in de overheidssector;

- de artikelen 1, eerste lid, 1°, en 11 van het koninklijk besluit van 13 juli 1970 betref¬fende de schadevergoeding ten gunste van sommige personeelsleden van provincies, gemeenten, agglomeraties en federaties van gemeenten, verenigingen van gemeenten, openbare centra voor maatschappelijk welzijn, diensten, instellingen en verenigingen voor maatschappelijk welzijn, diensten van het College van de Vlaamse Ge¬meenschapscommissie en diensten van het College van de Franse Gemeenschaps¬commissie en openbare kassen van lening, voor arbeidsongevallen en voor ongevallen op de weg naar en van het werk;

- de artikelen 22, 25, inzonderheid eerste en derde lid, en, voor zoveel als nodig, 72 van de wet van 10 april 1971 betreffende de arbeidsongevallen;

- voor zoveel als nodig, artikel 32 van het koninklijk besluit van 24 januari 1969 betreffende de schadevergoeding ten gunste van personeelsleden van de overheidssector, voor arbeidsongevallen en voor ongevallen op de weg naar en van het werk;

- voor zoveel als nodig, artikel 1068, tweede lid, Gerechtelijk Wetboek.

Aangevochten beslissingen

In de bestreden beslissing verklaart het arbeidshof, recht sprekend over de oorspronke¬lijke vordering van de verweerder tot het verkrijgen van vergoedingen voor tijdelijke arbeidsongeschiktheid, het hoger beroep van de eiseres ongegrond. Het arbeidshof beslist dat de eiseres aan de verweerder zonder tijdsbeperking de vergoedingen dient uit te betalen voor de periode van tijdelijke arbeidsongeschiktheid na de consolidatiedatum, tenzij aangetoond wordt dat de arbeidsongeschiktheid vanaf 4 augustus 2007 geen causaal verband vertoont met het arbeidsongeval van 9 oktober 1987. Het arbeidshof bevestigt het vonnis van de eerste kamer van de arbeidsrechtbank te Gent van 1 de¬cember 2008, met inbegrip van de erin bevolen onderzoeksmaatregel, beslist dat de vraag tot het verlenen van een bijkomende opdracht aan de deskundige niet kan worden ingewilligd en ver-zendt de zaak, met toepassing van artikel 1068, tweede lid, Gerechtelijk Wetboek, naar de eerste rechter voor verdere afhandeling. Die beslissingen zijn gesteund op de volgende vaststellingen en motieven:

"3. Beoordeling.

3.1. [ ... ]

3.2. Met betrekking tot de feitelijke elementen blijkt uit de neergelegde stukken

dat [de verweerder], tewerkgesteld als contractueel arbeider (vakman-onderhoud) van de [eiseres], op 9 oktober 1987 slachtoffer is geworden van een arbeidsongeval (knieletsel), met consolidatie op 28 augustus 1990 met een blijvende arbeidsonge-schiktheid van 16%, ingevolge herziening verminderd tot 8% vanaf 5 november 1993. Op 4 augustus 2007 wordt [de verweerder] opnieuw tijdelijk volledig arbeidsonge¬schikt met operatie van de knie in september 2007.

Op 14 november 2007 beëindigde [de eiseres] de arbeidsovereenkomst met op-zeggingsvergoeding voor de periode van 14 november 2007 tot en met 5 maart 2008. Vanaf 6 maart 2008 heeft [de eiseres] de vergoedingen voor tijdelijke arbeidsonge¬schiktheid, die ze tot dan toe betaald heeft zonder betwisting van het causaal verband, stopgezet, omdat [de verweerder] niet meer bij haar in dienst is. De vergoedingen voor 8% blijvende arbeidsongeschiktheid werden verder uitbetaald.

3.3. Oorspronkelijk voorzag de wet van 3 juli 1967 betreffende arbeidsongevallen in de publieke sector enkel de vergoedingen voor de blijvende arbeidsongeschiktheid ten gevolge van een arbeidsongeval of een beroepsziekte.

Door invoering van artikel 3bis werd de vergoeding voor tijdelijke arbeidsongeschiktheid ook toegekend aan slachtoffers van arbeidsongevallen op dezelfde wijze als voorzien in de arbeidsongevallenwet van 10 april 1971 (privé-sector), dit is 90% van het gemiddeld dagloon. Artikel 3bis voorziet nochtans een voorbehoud, nl. "van de toepassing van een meer gunstige wets- of verordenings-bepaling".

Dergelijke meer gunstige regeling wordt voorzien in artikel 32 van het KB van 24 januari 1969, toepasselijk voor personeel in de federale ministeries, het onderwijs, de staatsinstellingen, de gewesten en gemeenschappen: dit is het behoud van de gewone wedde gedurende de periode van tijdelijke arbeidsongeschiktheid.

Aangezien een dergelijke bepaling ontbreekt in het KB van 13 juli 1970 wordt het aan de lokale en provinciale overheden overgelaten om dit te regelen, o.a. door een per¬soneelsreglement.

Artikel 32 KB van 24 januari 1969 is eveneens van toepassing voor contractuelen en statutair personeel, voor wie de lokale en provinciale overheden regulerend kunnen optreden.

In casu werd dergelijk personeelsreglement door de [eiseres] ingevoerd (stuk 1 en 2 dossier [van de eiseres] en stuk 14 dossier [van de verweerder]).

3.4. Artikel 69 van het personeelsreglement van de [eiseres] geldt voor de statutaire personeelsleden en bepaalt dat verlof wegens arbeidsongeschiktheid wordt toe¬gestaan zonder tijdsbeperking indien de arbeidsongeschiktheid te wijten is aan een arbeidsongeval.

Artikel 69bis maakt deze regel ook van toepassing op de contractuelen die slachtoffer zijn geworden van een arbeidsongeval en bepaalt: een contractueel personeelslid dat het slachtoffer werd van een arbeidsongeval geniet tijdens de periode van tijdelijke arbeidsongeschiktheid een vergoeding conform de wettelijke regeling van toepassing op de statutaire personeelsleden.

Stelt zich dan de vraag wat er gebeurt in geval de arbeidsrelatie wordt stopgezet, bvb. bij ontslag van een contractueel personeelslid?

Het einde van de arbeidsovereenkomst brengt ook het einde mee van de verloning, zodat artikel 32 KB 24 januari 1969 niet meer van toepassing is; maar indien de periode van tijdelijke arbeidsongeschiktheid nog verder loopt, dan verzekert artikel 3bis wet 3 juli 1967 voor het slachtoffer het behoud van de vergoedingen voor tijdelijke ar¬beidsongeschiktheid.

Dit wordt bevestigd door de rechtspraak van het Hof van Cassatie, dat artikel 3bis wet 3 juli 1967 toepasselijk acht, zelfs na het beëindigen van de arbeidsovereenkomst (vgl. Cass. 10 oktober 2005, SRK 2007, p. 531).

Indien de wedde niet meer moet betaald worden, bvb. omwille van ontslag, dan heeft het slachtoffer derhalve overeenkomstig artikel 3bis Arbeidsongevallenwet 3 juli 1967 (publieke sector) recht op een vergoeding volgens de arbeidsongevallenwet private sector (zie studiedag FOD Justitie dd. 19 februari 2004, Arbeidsongevallen in de pu¬blieke sector, B. Lietaert, Syllabus p. 34).

Concreet betekent dit dat [de eiseres] aan [de verweerder] zonder tijdsbeperking de vergoedingen dient uit te betalen voor de periode van tijdelijke arbeidsongeschiktheid na de consolidatiedatum, tenzij er aangetoond wordt dat de arbeidsongeschiktheid vanaf 4 augustus 2007 geen causaal verband vertoont met het arbeidsongeval dd. 9 oktober 1987.

Dit sluit naadloos aan bij de "bijzonderheid i.v.m. de tijdelijke volledige ar-beidsonge¬schiktheid" (zie B. Lietaert, arbeidsongevallen publieke sector, p. 37), nl. dat bij een herval na consolidatie aanvaard wordt dat het slachtoffer recht heeft op de daaraan gekoppelde vergoedingen van tijdelijke arbeidsongeschiktheid, bvb. bij herstel na een operatieve ingreep.

3.5. Aangezien de vraag naar het causaal verband tussen de arbeidsongeschiktheid vanaf 4 augustus 2007 en het arbeidsongeval dd. 9 oktober 1987 van louter medische aard is, heeft de eerste rechter terecht een geneesheer-deskundige aangesteld, zodat het vonnis a quo - met de erin bevolen onder-zoeksmaatregel - wordt bevestigd.

3.6. Met betrekking tot de "bijkomende opdracht" aan de deskundige (zie beschikkend gedeelte van de conclusies van [de verweerder]) merkt het arbeidshof op dat [de verweerder] in feite een herziening vordert van de blijvende arbeidsongeschiktheid (zie expliciet beschikkend gedeelte van de conclusies van 6 april 2009 en 1 juli 2009 - stuk 15 en 18 dossier van de rechtspleging), maar een tweede herziening buiten de herzieningstermijn is onwettig (vgl. Cass. 19 juni 1971, Arr. Cass. 71, 1041).

In zover verwezen wordt naar artikel 25 Arbeidsongevallenwet 10 april 1971 (privé-sector), is dergelijke verwijzing irrelevant, vermits de publieke sector een identieke bepaling voorziet in artikel 6, § 3, wet 3 juli 1967 (overheidssector), dit is de tijdelijke verergering.

Zelfs indien er na de consolidatie geen wedertewerkstelling (= reaffectatie in over-heidsdienst) is, heeft het slachtoffer recht op vergoedingen voor tijdelijke arbeidson-geschiktheid (zie B. Lietaert, o.c., p. 38).

De vraag tot bijkomende opdracht aan de deskundige, zoals omschreven door [de verweerder] in ondergeschikte orde, kan dan ook niet ingewilligd worden."

Grieven

1. Eerste onderdeel

1.1 De eiseres voerde in haar regelmatig aan het arbeidshof voorgelegde syn-thesecon¬clusie aan:

"b. Bovendien legt artikel 6, § 3, Arbeidsongevallenwet Publieke Sector aan de tewerkstellende overheid enkel de verplichting op om vergoedingen wegens tijdelijke ongeschiktheid te betalen tijdens de afwezigheidsperiode, d.w.z. tijdens de periode waarin het personeelslid nog verbonden is door een arbeidsovereenkomst met de tewerkstellende overheid, maar afwezig is wegens arbeidsongeschiktheid. Aangezien de arbeidsovereenkomst met de [verweerder] werd beëindigd op 14 november 2007, is er geen sprake meer van een "afwezigheidsperiode" vanaf 14 november 2007.

Indien de wetgever aan de werkgevers uit de publieke sector de verplichting had willen opleggen om vergoedingen te betalen wegens tijdelijke ongeschiktheid tijdens de volle¬dige periode van tijdelijke ongeschiktheid, zou zij in artikel 6, § 3 niet het woord "afwezig¬heidsperiode", maar het woord "ongeschiktheidsperiode" gebruikt hebben. Uit het ge¬bruik van het woord "afwezigheidsperiode" moet afgeleid worden dat de verplichting om vergoedingen te betalen in elk geval eindigt wanneer de afwezigheidsperiode eindigt. De afwezigheidsperiode eindigt bij de beëindiging van de tewerkstelling."

De eiseres voerde aldus aan dat de verweerder op grond van artikel 6, § 3, van de wet van 3 juli 1967 betreffende de preventie van of de schadevergoeding voor arbeidsonge¬vallen, voor ongevallen op de weg naar en van het werk en voor beroepsziekten in de overheidssector, hieronder afgekort als Arbeidsongevallenwet Overheidspersoneel, geen aanspraak kan maken op vergoedingen voor tijdelijke arbeidsongeschiktheid voor de periode na de beëindiging van de arbeidsovereenkomst, aangezien die bepaling aan de tewerkstellende overheid enkel de verplichting oplegt vergoedingen wegens tijdelijke ongeschiktheid te betalen tijdens de afwezigheidsperiode, d.w.z. tijdens de periode waarin het personeelslid nog verbonden is door een arbeidsovereenkomst met de tewerkstellende overheid maar afwezig is wegens arbeidsongeschiktheid, de verplichting vergoedingen te betalen in elk geval eindigt wanneer de afwezigheidsperiode eindigt, die afwezigheidsperiode eindigt bij de beëindiging van de tewerkstelling, en dus, aangezien de arbeidsovereenkomst met de verweerder werd beëindigd op 14 november 2007, geen sprake meer is van een "afwezigheidsperiode" vanaf 14 november 2007.

1.2 Met betrekking tot artikel 6, § 3, Arbeidsongevallenwet Overheidspersoneel overweegt het arbeidshof in het bestreden arrest enkel:

"In zoverre verwezen wordt naar artikel 25 Arbeidsongevallenwet 10 april 1971 (privé-sector), is dergelijke verwijzing irrelevant, vermits de publieke sector een identieke bepaling voorziet in artikel 6, § 3, wet 3 juli 1976 [lees: wet 3 juli 1967] (overheidssector), dit is de tijdelijke verergering.

Zelfs indien er na de consolidatie geen wedertewerkstelling (= reaffectatie in overheids¬dienst) is, heeft het slachtoffer recht op vergoedingen voor tijdelijke arbeidsongeschikt¬heid [ ... ]. "

Met die overwegingen gaat het arbeidshof niet na of nog sprake kan zijn van een "afwe¬zigheidsperiode" in de zin van artikel 6, § 3, Arbeidsongevallenwet Overheids-personeel ingeval de tewerkstelling (de arbeidsovereenkomst) werd beëindigd.

Het arbeidshof antwoordt ook met geen enkele van zijn overige vaststellingen en over¬wegingen op het bedoelde middel van de eiseres.

Conclusie

Door niet te antwoorden op het hierboven vermelde middel van de eiseres, schendt het arbeidshof de motiveringsverplichting (schending van artikel 149 gecoördineerde Grondwet van 17 februari 1994).

2. Tweede onderdeel

Uit de vaststellingen van het arbeidshof in het bestreden arrest blijkt dat:

- de verweerder tewerkgesteld was als contractueel arbeider van de eiseres, een stad;

- de verweerder op 9 oktober 1987 het slachtoffer is geworden van een arbeidsonge¬val, met consolidatie op 28 augustus 1990 met een blijvende ar-beidsongeschiktheid van 16%, ingevolge herziening verminderd tot 8% vanaf 5 november 1993;

- de verweerder op 4 augustus 2007 opnieuw tijdelijk volledig arbeidsongeschikt is geworden (met operatie van de knie in september 2007);

- de eiseres op 14 november 2007 de arbeidsovereenkomst beëindigde met betaling van een opzeggingsvergoeding voor de periode van 14 november 2007 tot en met 5 maart 2008;

- de eiseres vanaf 6 maart 2008 de vergoedingen voor tijdelijke arbeidsongeschikt-heid heeft stopgezet, en de vergoedingen voor 8% blijvende arbeidsongeschiktheid verder werden uitbetaald.

Uit de vaststellingen van het arbeidshof in het bestreden arrest en de stukken van de rechtspleging waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt dat de verweerder de veroor¬deling van de eiseres vorderde tot toekenning van verdere vergoedingen voor de perio¬de van tijdelijke volledige arbeidsongeschiktheid vanaf 6 maart 2008 als gevolg van het arbeidsongeval hem overkomen op 9 oktober 1987.

Krachtens artikel 1, eerste lid, 9°, Arbeidsongevallenwet Overheidspersoneel, wordt de bij deze wet vastgestelde regeling voor het herstel van schade ten gevolge van arbeidsongevallen door de Koning, bij in Ministerraad overlegd besluit onder de voorwaarden en binnen de perken die Hij bepaalt, toepasselijk verklaard op de leden van het vast, stagedoend, tijdelijk, hulppersoneel of het personeel dat wordt in dienst genomen krachtens een arbeidsovereenkomst, die behoren tot de gemeenten.

Artikel 1, eerste lid, 1°, van het koninklijk besluit van 13 juli 1970 betreffende de schadevergoeding ten gunste van sommige personeelsleden van provincies, gemeenten, agglomeraties en federaties van gemeenten, verenigingen van gemeenten, openbare centra voor maatschappelijk welzijn, diensten, instellingen en verenigingen voor maatschappelijk welzijn, diensten van het College van de Vlaamse Gemeenschapscommissie en diensten van het College van de Franse Gemeenschapscommissie en openbare kassen van lening, voor arbeidsongevallen en voor ongevallen op de weg naar en van het werk, hieronder afgekort als het koninklijk besluit van 13 juli 1970, bepaalt dat de regeling ingesteld bij de Arbeidsongevallenwet Overheidspersoneel, toepasselijk wordt verklaard op de leden van het vast, stagedoend, tijdelijk of hulppersoneel, zelfs al zijn zij onder ar-beidsovereenkomst aangeworven, die behoren tot de gemeenten. Krachtens die bepaling is de regeling ingesteld bij de Arbeidsongevallenwet Overheidspersoneel dus toepasselijk op het onder arbeidsovereenkomst aangeworven (contractu¬eel) personeelslid van gemeenten (en steden).

Aangezien uit de vaststellingen van het arbeidshof in het bestreden arrest blijkt dat de verweerder tewerkgesteld was als contractueel arbeider van de eiseres, een stad, is de regeling ingesteld bij de Arbeidsongevallenwet Overheidspersoneel op grond van de voornoemde bepaling op hem toepasselijk.

Krachtens het tweede lid van artikel 16 Arbeidsongevallenwet Overheidspersoneel dragen de rechtspersonen vermeld in (o.m.) artikel 1, 9°, waaronder de gemeenten de last van de renten, bijslagen en vergoedingen, toegekend aan hun personeelsleden met toepassing van deze wet.

Krachtens artikel 3bis, eerste lid, Arbeidsongevallenwet Overheidspersoneel ge-nieten de personeelsleden op wie deze wet van toepassing werd verklaard en die het slachtoffer zijn geworden van een arbeidsongeval, gedurende de periode van tijdelijke ongeschiktheid tot de datum van volledige hervatting van het werk, het voordeel van de bepalingen die voor een tijdelijke volledige ongeschiktheid door de wetgeving op de arbeidsongevallen, met name de Arbeidsongevallenwet van 10 april 1971, zijn vastgesteld (onder voorbehoud van de toepassing van een meer gunstige wets- of verordeningsbepaling).

Krachtens artikel 22, eerste lid, Arbeidsongevallenwet van 10 april 1971 heeft de getroffene, wanneer het ongeval een tijdelijke en algehele arbeidsongeschiktheid veroorzaakt, vanaf de dag die volgt op het begin van die arbeidsongeschiktheid, recht op een dagelijkse vergoeding gelijk aan 90 procent van het gemiddeld dagbedrag.

Artikel 6, § 3, Arbeidsongevallenwet Overheidspersoneel bepaalt dat, indien de blijvende arbeidsongeschiktheid die in hoofde van het slachtoffer erkend wordt, dusdanig verergert dat het zijn nieuwe betrekking tijdelijk niet meer kan uitoefenen, het tijdens deze afwezigheidsperiode recht heeft op de in artikel 3bis vastgestelde schadeloosstelling.

2.1. Eerste subonderdeel

Het voornoemde artikel 3bis, eerste lid, Arbeidsongevallenwet Overheidsperso¬neel is enkel rechtstreeks toepasselijk ingeval de periode van tijdelijke ongeschiktheid zich voordoet vóór de consolidatiedatum en dus vóór de vaststelling van de blijvende arbeidsongeschiktheid.

Enkel het voornoemde artikel 6, § 3, Arbeidsongevallenwet Overheidspersoneel is rechtstreeks toepasselijk ingeval de tijdelijke verergering (van de blijvende arbeidson¬geschiktheid) zich voordoet na de consolidatiedatum. Die bepaling regelt inderdaad de tijdelijke verergering van de blijvende arbeidsongeschiktheid (na de consolidatiedatum) met als gevolg het tijdelijk niet meer kunnen uitoefenen van de nieuwe betrekking door het slachtoffer van een arbeidsongeval.

Ingeval zich een tijdelijke verergering van de blijvende arbeidsongeschiktheid voordoet waardoor het slachtoffer van een arbeidsongeval zijn nieuwe betrekking tijdelijk niet meer kan uitoefenen, is geen sprake van een "periode van tijdelijke ongeschiktheid" in de zin van artikel 3bis, eerste lid, Arbeidsongevallenwet Overheidspersoneel. In die hypothese kan dan ook niet rechtstreeks toepassing worden gemaakt van die bepaling.

Ook de omstandigheid dat het slachtoffer van een arbeidsongeval op grond van het voornoemde artikel 6, § 3, recht heeft op "de in artikel 3bis vastgestelde schadeloosstelling", houdt niet in dat, in geval van tijdelijke verergering van de blijvende arbeidsonge¬schiktheid, rechtstreeks toepassing dient te worden gemaakt van het voornoemde artikel 3bis, Het voornoemde artikel 6, § 3, maakt dat artikel 3bis niet rechtstreeks toepasselijk op het geval van tijdelijke verergering van de blijvende arbeidsongeschiktheid, maar verwijst enkel naar de in dat artikel 3bis vastgestelde schadeloosstelling, d.i. de schade¬loosstelling die verschuldigd is in een periode van tijdelijke arbeidsongeschiktheid die zich voordoet vóór de consolidatiedatum.

Uit de samenlezing van de voornoemde artikelen 3bis, eerste lid, en 6, § 3, Arbeids-ongevallenwet Overheidspersoneel, volgt dat, in geval van tijdelijke verergering van de blijvende arbeidsongeschiktheid opgelopen door het slachtoffer van een arbeidsongeval na de consolidatiedatum, enkel het voornoemde artikel 6, § 3, en dus niet het voornoemde artikel 3bis, eerste lid, rechtstreeks toepasselijk is.

2.1.1. Eerste grief

2.1.1.1.Ter motivering van zijn beslissing dat de eiseres aan de verweerder zonder tijdsbeperking de vergoedingen dient uit te betalen voor de periode van tijdelijke arbeids¬ongeschiktheid na de consolidatiedatum (tenzij aangetoond wordt dat de arbeidsonge¬schiktheid vanaf 4 augustus 2007 geen causaal verband vertoont met het arbeidsongeval van 9 oktober 1987) overweegt het arbeidshof in essentie dat:

- als gevolg van de invoering van een artikel 3bis Arbeidsongevallenwet Over-heidspersoneel de slachtoffers die onder die wet vallen, voor tijdelijke arbeidsonge-schiktheid dezelfde vergoeding ontvangen als die waarin de Arbeidsongevallenwet van 10 april 1971 voorziet, d.i. een vergoeding gelijk aan 90% van het gemiddeld dagloon, tenzij toepassing moet worden gemaakt van een meer gunstige wet- of ver-ordeningsbepaling;

- artikel 32 van het koninklijk besluit van 24 januari 1969 betreffende de schadever-goeding ten gunste van personeelsleden van de overheidssector, voor arbeidsongevallen en voor ongevallen op de weg naar en van het werk, hieronder afgekort als koninklijk besluit van 24 januari 1969, in dergelijke meer gunstige regeling voorziet, met name het behoud van de gewone wedde gedurende de periode van tijdelijke arbeidsongeschiktheid;

- aangezien een dergelijk regeling ontbreekt in het koninklijk besluit van 13 juli 1970 betreffende de schadevergoeding ten gunste van sommige personeelsleden van provincies, gemeenten, agglomeraties en federaties van gemeenten, verenigingen van gemeente, openbare centra voor maatschappelijk welzijn, diensten, instellingen en verenigingen voor maatschappelijk welzijn, diensten van het College van de Vlaamse Gemeenschapscommissie en openbare kassen van lening, voor arbeidsongevallen en voor ongevallen op de weg naar en van het werk, hieronder afgekort als koninklijk besluit van 13 juli 1970, het aan de lokale en provinciale overheden wordt overgelaten dit te regelen, o.m. door een personeelsreglement;

- artikel 32 van het koninklijk besluit van 24 januari 1969 eveneens van toepassing is voor contractuele personeelsleden voor wie de lokale overheden regulerend kunnen optreden;

- artikel 69 van het personeelsreglement van de eiseres dat door artikel 69bis ook van toepassing wordt gemaakt op contractuele personeelsleden van de eiseres die het slachtoffer zijn van een arbeidsongeval, bepaalt dat verlof wegens arbeidsongeschikt¬heid wordt toegestaan zonder tijdsbeperking indien de arbeidsongeschiktheid te wij¬ten is aan een arbeidsongeval;

- indien de periode van tijdelijke arbeidsongeschiktheid na het einde van de ar-beids¬overeenkomst nog voortloopt, artikel 3bis Arbeidsongevallenwet Overheids-personeel het slachtoffer het behoud waarborgt van de vergoedingen voor tijdelijke arbeidsongeschiktheid;

- dat trouwens ook het geval is bij hervallen na de consolidatiedatum;

- concreet de eiseres aan de verweerder zonder tijdsbeperking de vergoedingen dient te betalen voor de periode van tijdelijke arbeidsongeschiktheid na de consolidatiedatum, tenzij aangetoond wordt dat de arbeidsongeschiktheid vanaf 4 augustus 2007 geen causaal verband vertoont met het arbeidsongeval van 9 oktober 1987.

Uit de hierboven samengevatte overwegingen van het arbeidshof, en meer in het bijzon¬der de eerste en de derdelaatste, blijkt dat het arbeidshof zijn beslissing dat de eiseres in beginsel aan de verweerder zonder tijdsbeperking de vergoedingen dient uit te betalen voor de periode van tijdelijke arbeidsongeschiktheid na de consolidatiedatum, steunt op artikel 3bis Arbeidsongevallenwet Overheidspersoneel en dus die beslissing neemt met rechtstreekse toepassing van die bepaling.

2.1.1.2. Uit de vaststellingen van het arbeidshof in het bestreden arrest blijkt dat de tijdelijke volledige arbeidsongeschiktheid waarvoor de verweerder als slachtoffer van een arbeidsongeval van de eiseres vergoedingen voor tijdelijke arbeidsongeschiktheid vordert, is aangevangen op 4 augustus 2007 en dus na de consolidatiedatum vastgesteld op 28 augustus 1990.

Aangezien, in geval van tijdelijke verergering van de blijvende arbeidsonge-schiktheid na de consolidatiedatum opgelopen door het slachtoffer van een arbeidsongeval dat valt onder de Arbeidsongevallenwet Overheidspersoneel, enkel artikel 6, § 3, van die wet en dus niet artikel 3bis, eerste lid, van diezelfde wet rechtstreeks toepasselijk is, schendt het arbeidshof die bepalingen door met rechtstreekse toepassing van dat artikel 3bis en dus zonder toepassing van dat artikel 6, § 3, te beslissen dat de eiseres aan de ver¬weerder zonder tijdsbeperking de vergoedingen dient uit te betalen voor de periode van tijdelijke arbeidsongeschiktheid na de consolidatiedatum (tenzij aangetoond wordt dat de arbeidsongeschiktheid vanaf 4 augustus 2007 geen causaal verband vertoont met het arbeidsongeval van 9 oktober 1987).

Conclusie van de eerste grief

Het arbeidshof maakt bij zijn beoordeling of de eiseres aan de verweerder vergoedingen voor tijdelijke arbeidsongeschiktheid is verschuldigd voor de periode van tijdelijke ar¬beidsongeschiktheid na de consolidatiedatum, niet wettig toepassing van artikel 3bis Arbeidsongevallenwet Overheidspersoneel, laat niet wettig na toepassing te maken van artikel 6, § 3, Arbeidsongevallenwet Overheidspersoneel en laat niet wettig na de voorwaarden voor toepassing van die laatste bepaling te onderzoeken (schending van de artikelen 1, eerste lid, 9°, 3bis, inzonderheid eerste lid, en 6, § 3, van de wet van 3 juli 1967 betreffende de preventie van of de schadevergoeding voor arbeidsongevallen, voor ongevallen op de weg naar en van het werk en voor beroepsziekten in de overheidssector, en 1, eerste lid, 1°, van het koninklijk besluit van 13 juli 1970 betreffende de schadevergoeding ten gunste van sommige personeelsleden van provincies, gemeenten, agglomeraties en federaties van gemeenten, verenigingen van gemeenten, openbare centra voor maatschappe-lijk welzijn, diensten, instellingen en verenigingen voor maatschappelijk welzijn, diensten van het College van de Vlaamse Gemeenschapscommissie en diensten van het College van de Franse Gemeenschapscommissie en openbare kassen van lening, voor arbeidsongevallen en voor ongevallen op de weg naar en van het werk).

Het arbeidshof beslist bijgevolg niet wettig dat de eiseres aan de verweerder zonder tijdsbeperking de vergoedingen dient uit te betalen voor de periode van tijdelijke arbeids¬ongeschiktheid na de consolidatiedatum, tenzij er aangetoond wordt dat de arbeidson¬geschiktheid vanaf 4 augustus 2007 geen causaal verband vertoont met het arbeidson¬geval van 9 oktober 1987 (schending van de artikelen 16, tweede lid, van de wet van 3 juli 1967 betreffende de preventie van of de schadevergoeding voor arbeidsongevallen, voor ongevallen op de weg naar en van het werk en voor beroepsziekten in de over¬heidssector en 22 van de wet van 10 april 1971 betreffende de arbeidsongevallen). Het bevestigt bijgevolg evenmin wettig het vonnis van de eerste kamer van de arbeidsrecht¬bank te Gent van 1 december 2008, met inbegrip van de erin bevolen onderzoeksmaat¬regel, en verzendt de zaak niet wettig naar de eerste rechter voor verdere afhandeling (schending van artikel 1068, tweede lid, Gerechtelijk Wetboek).

2.1.2. Tweede grief (in ondergeschikte orde)

Onder het punt 3.6 op de vierde en vijfde bladzijde van het bestreden arrest, waarin het arbeidshof onderzoekt of de door de verweerder in ondergeschikte orde gestelde vraag tot het verlenen van een bijkomende opdracht aan de deskundige al dan niet kan worden ingewilligd, overweegt het arbeidshof dat "in zover verwezen wordt naar artikel 25 Arbeidsongevallenwet 10 april 1971 (privé-sector), dergelijke verwijzing irrelevant is, vermits de publieke sector een identieke bepaling voorziet in artikel 6, § 3, wet 3 juli 1967 (overheidssector), dit is de tijdelijke verergering" en dat "zelfs indien er na de consolida¬tie geen wedertewerkstelling (= reaffectatie in overheidsdienst) is, het slachtoffer recht heeft op vergoedingen voor tijdelijke arbeidsongeschiktheid ([...])".

Deze tweede grief gaat, anders dan wordt aangenomen in de eerste grief, ervan uit dat uit die overwegingen van het arbeidshof dient afgeleid te worden dat het arbeidshof niet alleen zijn niet-bestreden beslissing over de vraag tot het verlenen van een bijkomende opdracht aan de deskundige, die de verweerder in on-dergeschikte orde stelde, maar ook zijn bestre¬den beslissing dat het slachtoffer, de verweerder, recht heeft op vergoedingen voor tijdelijke arbeidsongeschiktheid na de consolidatie, mede steunt op artikel 6, § 3, Arbeidsongevallenwet Overheidspersoneel. Deze tweede grief gaat er dus vanuit dat het arbeidshof die bestreden beslissing zowel steunt op artikel 3bis van de Arbeidsongevallenwet Overheidspersoneel, als op artikel 6, § 3, van diezelfde wet.

- Aangezien, zoals uiteengezet werd in de aanhef van het eerste subonderdeel, in geval van tijdelijke verergering van de blijvende arbeidsongeschiktheid opgelopen door het slachtoffer van een arbeidsongeval na de consolidatiedatum, (enkel) artikel 6, § 3, Arbeidsongevallenwet Overheidspersoneel en dus niet artikel 3bis, eerste lid, van diezelfde wet rechtstreeks toepasselijk is, en de tijdelijke volledige arbeidsongeschiktheid waarvoor de verweerder als slachtoffer van een arbeidsongeval van de eiseres vergoedingen voor tijdelijke arbeidsongeschiktheid vordert, zich volgens de vaststellingen van het arbeidshof heeft voorgedaan op 4 augustus 2007 en dus na de consolidatiedatum vastgesteld op 28 augustus 1990, schendt het arbeidshof het voornoemde artikel 3bis door met rechtstreekse toepassing van die bepaling te beslissen dat de eiseres aan de verweerder zonder tijdsbeperking de vergoedingen dient te betalen voor de periode van tijdelijke arbeidsongeschiktheid na de consolidatiedatum (tenzij aangetoond wordt dat de arbeidsongeschiktheid vanaf 4 augustus 2007 geen causaal verband vertoont met het arbeidsongeval van 9 oktober 1987).

Met betrekking tot de toepassing van artikel 6, § 3, Arbeidsongevallenwet Overheidspersoneel overweegt het arbeidshof in het bestreden arrest enkel dat "in zover verwezen wordt naar artikel 25 arbeidsongevallenwet 10 april 1971 (privé-sector), dergelijke verwijzing irrelevant is, vermits de publieke sector een identieke bepaling voorziet in artikel 6, § 3, wet 3 juli 1976 [lees: wet 3 juli 1967] (overheidssector), dit is de tijdelijke verergering" en dat "zelfs indien er na de consolidatie geen wedertewerkstelling (= reaffectatie in overheidsdienst) is, het slachtoffer recht heeft op vergoe¬dingen voor tijdelijke arbeidsongeschiktheid [...]".

Met die overwegingen en vaststellingen onderzoekt het arbeidshof niet of, en stelt het niet vast dat, vanaf 14 november 2007 nog sprake is geweest van een afwezigheidsperiode gedurende welke het slachtoffer, de verweerder, op grond van artikel 6, § 3, Arbeidsongevallenwet Overheidspersoneel recht heeft op de in artikel 3bis vastgestelde schadeloosstelling, gelet op de beëindiging van de arbeidsovereenkomst op die datum.

Het arbeidshof maakt aldus het door het Hof uit te oefenen wettigheidstoezicht on-mogelijk op de naleving door de feitenrechter van artikel 6, § 3, Arbeidsongevallenwet Overheidspersoneel en meer in het bijzonder van de voor toepassing van die bepaling gestelde voorwaarde dat sprake moet zijn van een afwezigheidsperiode om recht te hebben op de in artikel 3bis vastgestelde schadeloosstelling, waarvan het vervuld zijn door de eiseres werd betwist.

Door met zijn vaststellingen en overwegingen het Hof niet in de mogelijkheid te stellen het aan hem opgedragen wettigheidstoezicht uit te oefenen, schendt het arbeidshof artikel 149 gecoördineerde Grondwet (schending van artikel 149 gecoördineerde Grondwet van 17 februari 1994).

- Voor zover de door het arbeidshof gedane vaststellingen en gemaakte over-wegingen het aan het Hof opgedragen wettigheidstoezicht op de naleving van de voor toepassing van artikel 6, § 3, Arbeidsongevallenwet Overheidspersoneel gestelde voorwaarde dat sprake moet zijn van een afwezigheidsperiode, wel mogelijk maken, en het arbeidshof met die vaststellingen en overwegingen zou aangegeven hebben dat ook na het beëindigen van de arbeidsovereenkomst nog sprake is van een afwezigheidsperiode tijdens welke het slachtoffer op grond van voornoemde bepaling recht heeft op de in artikel 3bis vastgestelde schadeloosstelling, voert de eiseres de vol¬gende grief aan.

De door artikel 6, § 3, Arbeidsongevallenwet Overheidspersoneel opgelegde ver-plichting aan het slachtoffer van een arbeidsongeval de in artikel 3bis vastgestelde schadeloosstelling te betalen, eindigt wanneer de "afwezigheidsperiode" eindigt.

De in artikel 6, § 3, Arbeidsongevallenwet Overheidspersoneel bedoelde "afwezigheids-periode", met name de periode gedurende welke het slachtoffer zijn nieuwe betrekking tijdelijk niet meer kan uitoefenen en het recht heeft op de in artikel 3bis vastgestelde schadeloosstelling, slaat op de periode waarin het contractueel personeelslid nog verbonden is door een arbeidsovereenkomst met de tewerkstellende overheid, maar afwezig is wegens arbeidsongeschiktheid, het bestaan van een "afwezigheidsperiode", d.i. een periode gedurende welke het slachtoffer zijn nieuwe betrekking tijdelijk niet meer kan uitoefenen, veronderstelt nog het bestaan van een arbeidsovereenkomst (en dus de aanwezigheid van een arbeidsrelatie).

Aangezien de afwezigheidsperiode een einde neemt wanneer de arbeidsover-eenkomst een einde neemt, heeft het slachtoffer op grond van artikel 6, § 3, Arbeidsongevallenwet Overheidspersoneel geen recht meer op de in artikel 3bis vastgestelde schadeloosstelling gedurende de periode na het einde van zijn arbeidsovereenkomst.

Door te oordelen dat ook na het beëindigen van de arbeidsovereenkomst met de ver¬weerder nog sprake is van een afwezigheidsperiode tijdens welke het slachtoffer, de verweerder, op grond van artikel 6, § 3, Arbeidsongevallenwet Overheidspersoneel recht heeft op de in artikel 3bis vastgestelde schadeloosstelling, schendt het arbeidshof het voornoemde artikel 6, § 3, waaruit volgt dat het slachtoffer geen recht meer heeft op de in artikel 3bis vastgestelde schadeloosstelling gedurende de periode na het einde van zijn arbeidsovereenkomst, periode die niet als afwezigheidsperiode kan worden beschouwd.

- Krachtens artikel 6, § 2, eerste lid, Arbeidsongevallenwet Overheidspersoneel kan het slachtoffer dat ongeschikt is bevonden om zijn ambt uit te oefenen, maar dat an-dere, met zijn gezondheidstoestand verenigbare ambten kan vervullen, volgens de regelen en binnen de grenzen die zijn statuut bepaalt, weder tewerkgesteld worden in een betrekking die met zulk een ambt overeenkomt.

Voor de toepassing van artikel 6, § 3, Arbeidsongevallenwet Overheidsperso¬neel en dus voor het ontstaan van een recht op de in artikel 3bis vastgestelde scha-deloosstelling voor het slachtoffer van een arbeidsongeval op grond van de eerstge-noemde bepaling, is vereist dat de bij het slachtoffer vastgestelde blijvende arbeids-ongeschiktheid dusdanig verergert dat het zijn nieuwe betrekking tijdelijk niet meer kan uitoefenen.

Om op grond van artikel 6, § 3, Arbeidsongevallenwet Overheidspersoneel als slachtoffer van een arbeidsongeval aanspraak te kunnen maken op de in artikel 3bis vastgestelde schadeloosstelling, is dan ook vereist dat het slachtoffer na de consolidatiedatum (na de vaststelling van de blijvende arbeidsongeschiktheid) weder tewerkgesteld werd in een nieuwe betrekking die het wegens de verergering van de blijvende arbeidsongeschiktheid tijdelijk niet meer kan uitoefenen.

Na overwogen te hebben dat "in zover verwezen wordt naar artikel 25 Arbeids-onge¬vallenwet 10 april 1971 (privé-sector), dergelijke verwijzing irrelevant is, vermits de publieke sector een identieke bepaling voorziet in artikel 6, § 3, wet 3 juli 1976 [lees: wet 3 juli 1967] (overheidssector), dit is de tijdelijke verergering", overweegt het arbeidshof dat "zelfs indien er na de consolidatie geen wedertewerkstelling (= reaffectatie in overheidsdienst) is, het slachtoffer recht heeft op vergoedingen voor tijdelijke arbeidson¬geschiktheid [...]".

Het arbeidshof schendt dan ook artikel 6, § 3, Arbeidsongevallenwet Over-heidspersoneel evenals artikel 6, § 2, van die wet door te oordelen dat het slachtoffer recht heeft op vergoedingen voor tijdelijke arbeidsongeschiktheid zelfs indien er na de consolidatie geen wedertewerkstelling (reaffectatie in overheidsdienst) is.

- Artikel 6, § 3, Arbeidsongevallenwet Overheidspersoneel, dat rechtstreeks toe-passelijk is ingeval zich een tijdelijke verergering (van de blijvende arbeidsonge-schiktheid) voordoet na de consolidatiedatum, bepaalt dat het slachtoffer wiens blijvende arbeidsongeschiktheid dusdanig verergert dat het zijn nieuwe betrekking tijde¬lijk niet meer kan uitoefenen, tijdens deze afwezigheidsperiode recht heeft op "de in artikel 3bis vastgestelde schadeloosstelling". Onder die "in artikel 3bis vastgestelde schadeloosstelling" dient verstaan te worden de schadeloosstelling vastgelegd door "de bepaling die voor een tijdelijke volledige ongeschiktheid door de wetgeving op de arbeidsongevallen is vastgesteld" in de zin van artikel 3bis Arbeidsongevallenwet Overheidspersoneel (onder voorbehoud van de toepassing van een meer gunstige wets- of verordeningsbepaling).

"De bepaling die voor een tijdelijke volledige ongeschiktheid door de wetgeving op de arbeidsongevallen is vastgesteld", waarvan het slachtoffer van een arbeidsongeval op grond van de verwijzing in het voornoemde artikel 6, § 3, naar de "in artikel 3bis vastgestelde schadeloosstelling", het voordeel geniet en waarvan dus toepassing dient te worden gemaakt, is artikel 25 Arbeidsongevallenwet van 10 april 1971. Het eerste lid van dat artikel bepaalt dat de getroffene, indien de blijvende arbeidsongeschiktheid veroorzaakt door het arbeidsongeval zodanig verergert dat hij het beroep waarin hij gereclasseerd werd, tijdelijk niet meer kan uitoefenen, gedurende deze periode recht heeft op de vergoedingen zoals bepaald in de artikelen 22, 23 en 23bis, dit zijn de vergoedingen voor tijdelijke arbeidsongeschiktheid, zodat dat artikel inderdaad de bepaling uitmaakt die voor een tijdelijke volledige ongeschiktheid na de consolidatiedatum (de tijdelijke verer-gering van de blijvende arbeidsongeschiktheid) door de Arbeidsongevallenwet van 10 april 1971 is vastgesteld.

Krachtens het derde lid van dat artikel 25 Arbeidsongevallenwet van 10 april 1971 zijn de vergoedingen voor tijdelijke arbeidsongeschiktheid, ingeval de tijdelijke verergeringstoestanden zich voordoen na "de termijn bepaald bij artikel 72", d.i. de bij dat artikel bepaalde herzieningstermijn van drie jaar, slechts verschuldigd bij een blijvende arbeidsongeschiktheid van ten minste 10 procent.

Krachtens artikel 11 van het koninklijk besluit van 13 juli 1970 kunnen de overheid en de rentegerechtigde gedurende drie jaar te rekenen vanaf de kennisgeving van de beslissing van de overheid of van een beslissing die in kracht van gewijsde is gegaan waarbij de graad van blijvende arbeidsongeschiktheid werd vastgesteld, een aanvraag tot herziening van de rente indienen op grond van een verergering of vermindering van de gebrekkigheid van het slachtoffer, of op grond van deze overlijden, te wijten aan de gevolgen van het ongeval. De herzieningstermijn bedraagt dus drie jaar vanaf de kennisgeving van de beslissing van de overheid of van een beslissing die in kracht van gewijsde is gegaan waarbij de graad van blij-vende arbeidsongeschiktheid werd vastgesteld.

Ingeval de tijdelijke verergering van de blijvende arbeidsongeschiktheid zich niet enkel voordoet na de consolidatiedatum, maar tevens na het verstrijken van de bij artikel 11 van het koninklijk besluit van 13 juli 1970 bepaalde herzieningstermijn van drie jaar, is "de bepaling die voor een tijdelijke volledige ongeschiktheid door de wetgeving op de arbeidsongevallen is vastgesteld", waarvan het slachtoffer van een arbeidsongeval op grond van de verwijzing in het voornoemde artikel 6, § 3, naar de "in artikel 3bis vastgestelde schadeloosstelling", het voordeel geniet en waarvan dus toepassing dient te worden gemaakt, artikel 25, derde lid, Arbeidsongevallenwet van 10 april 1971, op grond waarvan het slachtoffer slechts aanspraak kan maken op vergoedingen voor tijdelijke arbeidsongeschiktheid indien de graad van blijvende arbeidsongeschiktheid ten minste 10 procent bedraagt op het ogenblik dat de verergering zich voordoet.

Door na in het bestreden arrest

- te hebben overwogen dat

- in het koninklijk besluit van 13 juli 1970 geen meer gunstige bepaling voorkomt in de zin van artikel 3bis Arbeidsongevallenwet Overheidspersoneel;

- artikel 32 van het koninklijk besluit van 24 januari 1969 betreffende de schadever-goeding ten gunste van de personeelsleden van de overheidssector, voor arbeids-ongevallen en voor ongevallen op de weg naar en van het werk, niet meer van toepassing is na het einde van de arbeidsovereenkomst en het einde van de verloning;

- en na te hebben vastgesteld dat de tijdelijke volledige arbeidsongeschiktheid (inge-volge de tijdelijke verergering van de blijvende arbeidsongeschiktheid) waarvoor de verweerder als slachtoffer van een arbeidsongeval van de eiseres vergoedingen voor tijdelijke arbeidsongeschiktheid vordert, zich heeft voorgedaan op 4 augustus 2007 en dus na de consolidatiedatum vastgesteld op 28 augustus 1990,

te beslissen dat de verwijzing naar artikel 25 Arbeidsongevallenwet van 10 april 1971 irrelevant is (aangezien de publieke sector een identieke bepaling voorziet in artikel 6, § 3, Arbeidsongevallenwet Overheidspersoneel, dit is de tijdelijke verergering) en door aldus geen toepassing te maken van dat artikel 25, schendt het arbeidshof de artikelen 3bis en 6, § 3, Arbeidsongevallenwet Overheidspersoneel en 25 Arbeidsongevallenwet van 10 april 1971.

Het arbeidshof stelt in het bestreden arrest vast dat de verweerder op 9 oktober 1987 het slachtoffer is geworden van een arbeidsongeval met consolidatie op 28 au¬gustus 1990 met een blijvende arbeidsongeschiktheid van 16%, ingevolge herziening verminderd tot 8% vanaf 5 november 1993, en dat de verweerder op 4 augustus 2007 opnieuw tijdelijk volledig arbeidsongeschikt werd (met operatie van de knie in september 2007).

Aangezien

(1) de tijdelijke volledige arbeidsongeschiktheid (ingevolge de tijdelijke verergering van de blijvende arbeidsongeschiktheid) zich volgens de vaststellingen van het arbeidshof heeft voorgedaan na het verstrijken van de bij artikel 11 van het koninklijk besluit van 13 juli 1970 bepaalde herzieningstermijn;

(2) de graad van blijvende arbeidsongeschiktheid op het ogenblik dat de tijdelijke ver¬ergering zich voordeed, volgens de vaststellingen van het arbeidshof 8% en dus niet ten minste 10% bedroeg; en

(3) "de bepaling die voor een tijdelijke volledige ongeschiktheid door de wetgeving op de arbeidsongevallen is vastgesteld", waarvan het slachtoffer van een arbeidson-geval op grond van de verwijzing in artikel 6, § 3, Arbeidsongevallenwet Overheidspersoneel naar de "in artikel 3bis vastgestelde schadeloosstelling", het voordeel geniet en waarvan dus toepassing dient te worden gemaakt, bijgevolg artikel 25, derde lid, Arbeidsongevallenwet van 10 april 1971 betreft,

schendt het arbeidshof de vier voornoemde bepalingen door:

(1) te oordelen dat de verwijzing naar artikel 25 Arbeidsongevallenwet van 10 april 1971 irrelevant is (vermits de publieke sector in een identieke bepaling voorziet in artikel 6, § 3, Arbeidsongevallenwet Overheidspersoneel, dit is de tijdelijke verergering) en aldus geen toepassing te maken van het derde lid van dat artikel 25 en meer in het bijzonder van de in die bepaling gestelde vereiste dat de graad van blijvende arbeidsongeschiktheid ten minste 10% dient te bedragen, en

(2) te beslissen dat de eiseres aan de verweerder zonder tijdsbeperking de vergoedingen dient uit te betalen voor de periode van tijdelijke arbeidsongeschiktheid na de consolidatiedatum (tenzij aangetoond wordt dat de arbeidsongeschiktheid vanaf 4 augustus 2007 geen causaal verband vertoont met het arbeidsongeval van 9 oktober 1987).

Conclusie van de tweede grief

Door te oordelen dat de verwijzing naar artikel 25 Arbeidsongevallenwet van 10 april 1971 irrelevant is vermits de publieke sector een identieke bepaling voorziet in artikel 6, § 3, Arbeidsongevallenwet Overheidspersoneel, en te beslissen dat de eiseres aan de verweerder zonder tijdsbeperking de vergoedingen dient uit te betalen voor de periode van tijdelijke arbeidsongeschiktheid na de consolidatiedatum (tenzij aangetoond wordt dat de arbeidsongeschiktheid vanaf 4 augustus 2007 geen causaal verband vertoont met het arbeidsongeval van 9 oktober 1987) schendt het arbeidshof de artikelen 3bis, 6, § 3, Ar-beidsongevallenwet Overheidspersoneel, 11 van het koninklijk besluit van 13 juli 1970, 25 en 72 Arbeidsongevallenwet van 10 april 1971, evenals artikel 32 van het koninklijk besluit van 24 januari 1969 betreffende de schadevergoeding ten gunste van personeelsleden van de overheidssector, voor arbeidsongevallen en voor ongevallen op de weg naar en van het werk.

Het arbeidshof beslist bijgevolg niet wettig dat de eiseres aan de verweerder zonder tijdsbeperking de vergoedingen dient uit te betalen voor de periode van tijdelijke arbeids¬ongeschiktheid na de consolidatiedatum, tenzij er aangetoond wordt dat de arbeidson¬geschiktheid vanaf 4 augustus 2007 geen causaal verband vertoont met het arbeidson¬geval van 9 oktober 1987 (schending van alle in de aanhef van het middel als geschonden aangewezen bepalingen met uitzondering van de artikelen 149 Grondwet en 1068, tweede lid, Gerechtelijk Wetboek).

Het bevestigt bijgevolg evenmin wettig het vonnis van de eerste kamer van de arbeids¬rechtbank te Gent van 1 december 2008, met inbegrip van de erin bevolen onderzoeks¬maatregel, en verzendt de zaak niet wettig naar de eerste rechter voor verdere afhande¬ling (schending van artikel 1068, tweede lid, Gerechtelijk Wetboek).

2.1.3. Derde grief

Het bestreden arrest kan op twee wijzen worden geïnterpreteerd.

Zoals hierboven uiteengezet werd in de eerste grief van dit eerste subonderdeel, kan het bestreden arrest uitgelegd worden in die zin dat het arbeidshof zijn beslissing dat de eiseres aan de verweerder zonder tijdsbeperking de vergoedingen dient uit te betalen voor de periode van tijdelijke arbeidsongeschiktheid na de consolidatiedatum (tenzij aangetoond wordt dat de arbeidsongeschiktheid vanaf 4 augustus 2007 geen causaal verband vertoont met het arbeidsongeval van 9 oktober 1987), enkel steunt op artikel 3bis Arbeidsongevallenwet Overheidspersoneel en aldus die beslissing neemt met rechtstreekse toepassing van enkel die bepaling.

Zoals hierboven uiteengezet werd in de tweede grief van dit eerste subonderdeel, kan het bestreden arrest ook uitgelegd worden in die zin dat het arbeidshof zijn beslissing dat de eiseres aan de verweerder zonder tijdsbeperking de vergoedingen dient uit te betalen voor de periode van tijdelijke arbeidsongeschiktheid na de consolidatiedatum (tenzij aangetoond wordt dat de arbeidsongeschiktheid vanaf 4 augustus 2007 geen causaal verband vertoont met het arbeidsongeval van 9 oktober 1987), zowel steunt op artikel 3bis Arbeidsongevallenwet Overheidspersoneel als op artikel 6, § 3, van diezelfde wet, en aldus die beslissing neemt met toepassing van die beide bepalingen.

Voor zover het Hof slechts één van de twee in de hierboven vermelde twee grieven toegelichte mogelijke interpretaties van het bestreden arrest voorstaat, is de bestreden beslissing volgens de ene uitlegging wettig verantwoord, terwijl ze dat niet is volgens de andere uitlegging. Uit het bestreden arrest kan niet worden opgemaakt op grond van welke uitlegging het arbeidshof tot de beslissing komt dat de eiseres aan de verweerder zonder tijdsbeperking de vergoedingen dient uit te betalen voor de periode van tijdelijke arbeidsongeschiktheid na de consolidatiedatum, tenzij aangetoond wordt dat de arbeids¬ongeschiktheid vanaf 4 augustus 2007 geen causaal verband vertoont met het arbeids¬ongeval van 9 oktober 1987.

Door die dubbelzinnige motivering maakt het arbeidshof het wettigheidstoezicht door uw Hof onmogelijk en schendt het artikel 149 gecoördineerde Grondwet.

Conclusie van de derde grief

Het arbeidshof schendt, door zijn beslissing dat de eiseres aan de verweerder zonder tijdsbeperking de vergoedingen dient uit te betalen voor de periode van tijdelijke arbeids¬ongeschiktheid na de consolidatiedatum tenzij aangetoond wordt dat de arbeidsonge¬schiktheid vanaf 4 augustus 2007 geen causaal verband vertoont met het arbeidsongeval van 9 oktober 1987, te steunen op een dubbelzinnige motivering, artikel 149 gecoördineerde Grondwet van 17 februari 1994.

2.2. Tweede subonderdeel

Krachtens artikel 3bis, eerste lid, Arbeidsongevallenwet Overheidspersoneel ge-nieten de personeelsleden op wie deze wet van toepassing werd verklaard en die het slachtoffer zijn geworden van een arbeidsongeval, gedurende de periode van tijdelijke ongeschiktheid tot de datum van volledige hervatting van het werk, het voordeel van de bepalingen die voor een tijdelijke volledige ongeschiktheid door de wetgeving op de arbeidsongevallen, d.i. de Arbeidsongevallenwet van 10 april 1971, zijn vastgesteld (onder voorbehoud van de toepassing van een meer gunstige wets- of verordeningsbepaling).

Krachtens artikel 6, § 3, Arbeidsongevallenwet Overheidspersoneel heeft het slachtoffer wiens blijvende arbeidsongeschiktheid dusdanig verergert dat het zijn nieuwe betrekking tijdelijk niet meer kan uitoefenen, tijdens deze afwezigheidsperiode recht op "de in artikel 3bis vastgestelde schadeloosstelling".

Dit tweede subonderdeel gaat ervan uit dat uit de samenlezing van de voornoemde artikelen en meer bepaald uit de verwijzing in het voornoemde artikel 6, § 3, naar "de in artikel 3bis vastgestelde schadeloosstelling", volgt dat, ingeval de tijdelijke arbeidsonge¬schiktheid (de tijdelijke verergering van de blijvende arbeidsongeschiktheid) zich voor¬doet na de consolidatiedatum, zowel rechtstreeks toepassing dient te worden gemaakt van het voornoemde artikel 3bis, eerste lid, als van het voornoemde artikel 6, § 3.

2.2.1. Eerste grief

Zoals hierboven uiteengezet werd in de eerste grief van het eerste subonderdeel onder het punt 2.1.1.1, dat hier als integraal hernomen wordt beschouwd, steunt het arbeidshof zijn beslissing dat de eiseres aan de verweerder zonder tijdsbeperking de vergoedingen dient uit te betalen voor de periode van tijdelijke arbeidsongeschiktheid na de conso¬lidatiedatum (tenzij aangetoond wordt dat de arbeidsongeschiktheid vanaf 4 augustus 2007 geen causaal verband vertoont met het arbeidsongeval van 9 oktober 1987), enkel op artikel 3bis Arbeidsongevallenwet Overheidspersoneel en neemt het aldus die beslissing met rechtstreekse toepassing van enkel die bepaling.

Uit de vaststellingen van het arbeidshof in het bestreden arrest blijkt dat de tijdelijke volledige arbeidsongeschiktheid waarvoor de verweerder als slachtoffer van een ar-beidsongeval van de eiseres vergoedingen voor tijdelijke arbeidsongeschiktheid vordert, zich heeft voorgedaan op 4 augustus 2007 en dus na de consolidatiedatum vastgesteld op 28 augustus 1990.

Aangezien, in geval van tijdelijke verergering van de blijvende arbeidsongeschiktheid (tijdelijke volledige arbeidsongeschiktheid) opgelopen door het slachtoffer van een ar¬beidsongeval na de consolidatiedatum, niet enkel artikel 3bis, eerste lid, Arbeids¬ongevallenwet Overheidspersoneel, maar ook en in elk geval artikel 6, § 3, van diezelfde wet rechtstreeks toepasselijk is, en de tijdelijke volledige arbeidsongeschiktheid waar voor de verweerder als slachtoffer van een arbeidsongeval van de eiseres vergoedingen voor tijdelijke arbeidsongeschiktheid vordert, zich volgens de vaststellingen van het arbeidshof heeft voorgedaan op 4 augustus 2007 en dus na de consolidatiedatum vast¬gesteld op 28 augustus 1990, schendt het arbeidshof die bepalingen door enkel met rechtstreekse toepassing van dat artikel 3bis en dus zonder toepassing van dat artikel 6, § 3 te beslissen dat de eiseres aan de verweerder zonder tijdsbeperking de vergoedingen dient uit te beta-len voor de periode van tijdelijke arbeidsongeschiktheid na de consolida¬tiedatum (tenzij aangetoond wordt dat de arbeidsongeschiktheid vanaf 4 augustus 2007 geen causaal verband vertoont met het arbeidsongeval van 9 oktober 1987),

Aangezien

(1) de tijdelijke volledige arbeidsongeschiktheid (ingevolge de tijdelijke verergering van de blijvende arbeidsongeschiktheid) zich volgens de vaststellingen van het arbeidshof heeft voorgedaan na het verstrijken van de bij artikel 11 van het koninklijk besluit van 13 juli 1970 bepaalde herzieningstermijn,

(2) de graad van blijvende arbeidsongeschiktheid op het ogenblik dat de tijdelijke verer¬gering zich voordeed volgens de vaststellingen van het arbeidshof 8% en dus niet ten minste 10% bedroeg, en

(3) "de bepaling die voor een tijdelijke volledige ongeschiktheid door de wetgeving op de arbeidsongevallen is vastgesteld", waarvan het slachtoffer van een arbeidsongeval op grond van een rechtstreekse toepassing van artikel 3bis, eerste lid, Arbeidsongevallenwet Overheidspersoneel en/of de verwijzing in artikel 6, § 3 van diezelfde wet naar de "in artikel 3bis vastgestelde schadeloosstelling", het voordeel geniet en waarvan aldus toepassing dient te worden gemaakt, bijgevolg artikel 25, derde lid, Arbeidsongevallenwet van 10 april 1971 betreft,

schendt het arbeidshof de vier voornoemde bepalingen door

(1) te oordelen dat de verwijzing naar artikel 25 Arbeidsongevallenwet van 10 april 1971 irrelevant is (vermits de publieke sector een identieke bepaling voorziet in ar-tikel 6, § 3, Arbeidsongevallenwet Overheidspersoneel, dit is de tijdelijke verergering) en aldus geen toepassing te maken van het derde lid van dat artikel 25 en meer in het bijzonder van de in die bepaling gestelde vereiste dat de graad van blijvende arbeidsongeschiktheid ten minste 10% dient te bedragen, en

(2) te beslissen dat de eiseres aan de verweerder zonder tijdsbeperking de vergoedingen dient uit te betalen voor de periode van tijdelijke arbeidson-geschiktheid na de conso¬lidatiedatum (tenzij aangetoond wordt dat de arbeidsongeschiktheid vanaf 4 augustus 2007 geen causaal verband vertoont met het arbeidsongeval van 9 oktober 1987).

Conclusie van de eerste grief

Door te oordelen dat de verwijzing naar artikel 25 Arbeidsongevallenwet van 10 april 1971 irrelevant is vermits de publieke sector een identieke bepaling voorziet in artikel 6, § 3, Arbeidsongevallenwet Overheidspersoneel, en te beslissen dat de eiseres aan de verweerder zonder tijdsbeperking de vergoedingen dient uit te betalen voor de periode van tijdelijke arbeidsongeschiktheid na de consolidatiedatum (tenzij aangetoond wordt dat de arbeidsongeschiktheid vanaf 4 augustus 2007 geen causaal verband vertoont met het arbeidsongeval van 9 oktober 1987), schendt het arbeidshof de artikelen 3bis, 6, § 3, Ar-beidsongevallenwet Overheidspersoneel, 11 van het koninklijk besluit van 13 juli 1970, 25 en 72, Arbeidsongevallenwet van 10 april 1971, evenals artikel 32 van het koninklijk besluit van 24 januari 1969 betreffende de schadevergoeding ten gunste van personeelsleden van de overheidssector, voor arbeidson¬gevallen en voor ongevallen op de weg naar en van het werk).

Het arbeidshof beslist bijgevolg niet wettig dat de eiseres aan de verweerder zonder tijdsbeperking de vergoedingen dient uit te betalen voor de periode van tijdelijke arbeids¬ongeschiktheid na de consolidatiedatum, tenzij er aangetoond wordt dat de arbeidson¬geschiktheid vanaf 4 augustus 2007 geen causaal verband vertoont met het arbeidson¬geval van 9 oktober 1987 (schending van alle in de aanhef van het middel als geschonden aangewezen bepalingen met uitzondering van de artikelen 149 Grondwet en 1068, tweede lid, Gerechtelijk Wetboek).

Het bevestigt bijgevolg evenmin wettig het vonnis van de eerste kamer van de arbeids¬rechtbank te Gent van 1 december 2008, met inbegrip van de erin bevolen onderzoeks¬maatregel, en verzendt de zaak niet wettig naar de eerste rechter voor verdere afhande¬ling (schending van artikel 1068, tweede lid, Gerechtelijk Wetboek).

2.2.2. Tweede grief

Het bestreden arrest kan op twee wijzen worden geïnterpreteerd.

Het bestreden arrest kan uitgelegd worden:

- in die zin dat het arbeidshof zijn beslissing dat de eiseres aan de verweerder zonder tijdsbeperking de vergoedingen dient uit te betalen voor de periode van tijdelijke ar¬beidsongeschiktheid na de consolidatiedatum (tenzij aangetoond wordt dat de ar¬beidsongeschiktheid vanaf 4 augustus 2007 geen causaal verband vertoont met het arbeidsongeval van 9 oktober 1987), enkel steunt op artikel 3bis Arbeidson¬gevallenwet Overheidspersoneel en aldus die beslissing neemt met rechtstreekse toe¬passing van enkel die bepaling;

- dan wel in die zin dat het arbeidshof zijn beslissing dat de eiseres aan de verweerder zonder tijdsbeperking de vergoedingen dient uit te betalen voor de periode van tijdelijke arbeidsongeschiktheid na de consolidatiedatum (tenzij aangetoond wordt dat de arbeidsongeschiktheid vanaf 4 augustus 2007 geen causaal verband vertoont met het arbeidsongeval van 9 oktober 1987), zowel steunt op artikel 3bis Arbeidsongevallenwet Overheidspersoneel als op artikel 6, § 3, van diezelfde wet, en aldus die beslissing neemt met toepassing van die beide bepalingen.

Voor zover het Hof slechts één van die interpretaties van het bestreden arrest zou aan¬nemen, is de bestreden beslissing volgens de ene uitlegging wettig verantwoord, terwijl zij dat niet is volgens de andere uitlegging. Uit het bestreden arrest kan niet worden opgemaakt op grond van welke uitlegging het arbeidshof tot de beslissing komt dat de eiseres aan de verweerder zonder tijdsbeperking de vergoedingen dient uit te betalen voor de periode van tijdelijke arbeidsongeschiktheid na de consolidatiedatum, tenzij er aangetoond wordt dat de arbeidsongeschiktheid vanaf 4 augustus 2007 geen causaal verband vertoont met het arbeidsongeval van 9 oktober 1987.

Door die dubbelzinnige motivering maakt het arbeidshof het wettigheidstoezicht door uw Hof onmogelijk en schendt het artikel 149 gecoördineerde Grondwet.

Conclusie van de tweede grief

Het arbeidshof schendt, door zijn beslissing dat de eiseres aan de verweerder zonder tijdsbeperking de vergoedingen dient uit te betalen voor de periode van tijdelijke arbeids¬ongeschiktheid na de consolidatiedatum tenzij er aangetoond wordt dat de arbeidsonge¬schiktheid vanaf 4 augustus 2007 geen causaal verband vertoont met het arbeidsonge¬val van 9 oktober 1987, te steunen op een dubbelzinnige motivering, artikel 149 gecoördineerde Grondwet van 17 februari 1994.

I. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Tweede onderdeel

Eerste subonderdeel

1. Artikel 6, § 3, Arbeidsongevallenwet Overheidspersoneel bepaalt dat indien de blijvende arbeidsongeschiktheid die in hoofde van het slachtoffer erkend wordt, dusdanig verergert dat het zijn nieuwe betrekking tijdelijk niet meer kan uitoefenen, het tijdens deze afwezigheidsperiode recht heeft op de in artikel 3bis vastgestelde schadeloosstelling.

Krachtens artikel 3bis, eerste lid, Arbeidsongevallenwet Overheidspersoneel ge-nieten de personeelsleden op wie deze wet van toepassing werd verklaard, onder voorbehoud van de toepassing van een meer gunstige wets- of verordeningsbepa-ling, gedurende de periode van tijdelijke ongeschiktheid tot de datum van volledi-ge hervatting van het werk, het voordeel van de bepalingen die voor een tijdelijke volledige ongeschiktheid zijn vastgesteld door de wetgeving op de arbeidsonge-vallen.

Overeenkomstig artikel 22 Arbeidsongevallenwet heeft de getroffene, wanneer het ongeval een tijdelijke en algehele arbeidsongeschiktheid veroorzaakt, vanaf de dag die volgt op het begin van die arbeidsongeschiktheid recht op een dagelijkse vergoeding gelijk aan 90 pct. van het gemiddeld dagbedrag.

Krachtens artikel 25, eerste lid, Arbeidsongevallenwet heeft de getroffene, indien de blijvende arbeidsongeschiktheid veroorzaakt door het arbeidsongeval zodanig verergert dat hij het beroep waarin hij gereclasseerd werd, tijdelijk niet meer kan uitoefenen, gedurende deze periode recht op de vergoedingen zoals bepaald in de artikelen 22, 23 en 23bis.

Volgens artikel 25, derde lid, Arbeidsongevallenwet zijn deze vergoedingen, in-geval deze tijdelijke verergeringstoestand zich voordoet na de bij artikel 72 be-paalde herzieningstermijn van drie jaar, slechts verschuldigd bij een blijvende ar-beidsongeschiktheid van ten minste 10 pct.

2. Krachtens artikel 11 van het koninklijk besluit van 13 juli 1970 betreffende de schadevergoeding ten gunste van sommige personeelsleden van onder meer gemeenten, voor arbeidsongevallen en voor ongevallen op de weg naar en van het werk, kunnen de overheid en de rentegerechtigde gedurende drie jaar, te rekenen vanaf de kennisgeving van de in artikel 10 bedoelde beslissing van de overheid of van een beslissing die in kracht van gewijsde is gegaan, een aanvraag tot herzie-ning van de rente indienen op grond van een verergering of een vermindering van de gebrekkigheid van het slachtoffer, of op grond van dezes overlijden, te wijten aan de gevolgen van het ongeval.

3. Uit de samenhang tussen de voormelde bepalingen volgt dat bij een tijdelij-ke verergering van de blijvende arbeidsongeschiktheid na de consolidatiedatum waardoor het door een arbeidsongeval getroffen contractueel personeelslid van een gemeente zijn betrekking tijdelijk niet meer kan uitoefenen, die getroffene, staande de arbeidsovereenkomst, op grond van een meer gunstige bepaling van het personeelsstatuut, gedurende de periode van tijdelijke verergering van de blij-vende arbeidsongeschiktheid recht heeft op vergoedingen voor tijdelijke arbeids-ongeschiktheid, ongeacht de graad van blijvende arbeidsongeschiktheid. Indien de periode van tijdelijke verergering van de blijvende arbeidsongeschiktheid voortduurt nadat de arbeidsovereenkomst een einde heeft genomen, blijft die ge-troffene verder recht hebben op een dagelijkse vergoeding gelijk aan 90 pct. van het gemiddeld dagbedrag, dit op voorwaarde dat hij een blijvende arbeidsonge-schiktheid van ten minste 10 pct. heeft zo de tijdelijke verergeringstoestand zich heeft voorgedaan na de bij artikel 11 van het KB van 13 juli 1970 bepaalde her-zieningstermijn.

4. Het arrest stelt vast dat:

- de verweerder bij de eiseres als contractueel arbeider was tewerkgesteld;

- hij op 9 oktober 1987 het slachtoffer is geworden van een arbeidsongeval (knieletsel), met consolidatie op 28 augustus 1990 met een blijvende arbeids-ongeschiktheid van 16 pct.;

- de blijvende arbeidsongeschiktheid ingevolge herziening werd verminderd tot 8 pct. vanaf 5 november 1993;

- de verweerder op 4 augustus 2007 opnieuw tijdelijk volledig arbeidsongeschikt werd en in september 2007 een knieoperatie onderging;

- de eiseres de arbeidsovereenkomst heeft beëindigd op 14 november 2007 met betaling van een opzeggingsvergoeding die de periode dekt van 14 november 2007 tot 5 maart 2008;

- de eiseres de vergoedingen voor 8 pct. blijvende arbeidsongeschiktheid verder uitbetaalde, maar de betaling van de vergoedingen voor tijdelijke arbeidsonge-schiktheid heeft stopgezet vanaf 6 maart 2008.

5. Het arrest oordeelt dat de verwijzing naar artikel 25 Arbeidsongevallenwet niet relevant is omdat artikel 6, § 3, Arbeidsongevallenwet Overheidspersoneel in een gelijkaardige bepaling voorziet voor de publieke sector, en beslist mede op grond hiervan dat de eiseres aan de verweerder zonder tijdsbeperking de vergoe-dingen dient uit te betalen voor de periode van tijdelijke arbeidsongeschiktheid na de consolidatiedatum, en die vergoedingen dus verder dient te betalen na 5 maart 2008, tenzij er aangetoond wordt dat de arbeidsongeschiktheid vanaf 4 augustus 2007 geen causaal verband vertoont met het arbeidsongeval van 9 oktober 1987.

Aangezien uit de vaststellingen van het arrest blijkt dat de arbeidsovereenkomst van de verweerder is beëindigd op 14 november 2007, de tijdelijke volledige ar-beidsongeschiktheid ingevolge de tijdelijke verergering van de blijvende arbeids-ongeschiktheid zich heeft voorgedaan op 4 augustus 2007, na het verstrijken van de bij artikel 11 van het KB van 13 juli 1970 bepaalde herzieningstermijn, en de graad van blijvende arbeidsongeschiktheid 8 pct. bedroeg en dus niet ten minste 10 pct., is die beslissing niet naar recht verantwoord.

Het subonderdeel is in zoverre gegrond.

Kosten

6. Overeenkomstig artikel 26, § 1, van het KB van 13 juli 1970 dient de eiseres te worden veroordeeld tot de kosten.

Dictum

Het Hof,

Vernietigt het bestreden arrest.

Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het vernie-tigde arrest.

Veroordeelt de eiseres tot de kosten.

Verwijst de zaak naar het arbeidshof te Brussel.

Bepaalt de kosten voor de verweerster op 132,65 euro.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, derde kamer, samen-gesteld uit voorzitter Christian Storck, als voorzitter, en de raadsheren Alain Smetryns, Koen Mestdagh, Mireille Delange en Antoine Lievens, en in openbare rechtszitting van 10 maart 2014 uitgesproken door voorzitter Christian Storck, in aanwezigheid van advocaat-generaal Henri Vanderlinden, met bijstand van grif-fier Kristel Vanden Bossche.

K. Vanden Bossche A. Lievens M. Delange

K. Mestdagh A. Smetryns Chr. Storck

Vrije woorden

  • Vergoeding tijdelijke arbeidsongeschiktheid

  • Contractuele ambtenaar

  • Einde arbeidsovereenkomst