- Arrest van 10 maart 2014

10/03/2014 - S.12.0019.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
De onregelmatige beëindiging door de partij die de beëindiging van de overeenkomst vaststelt, kan wettig worden afgeleid uit het feit dat die partij zich daartoe ten onrechte op overmacht beroept of aan de wederpartij onterecht verwijt de arbeidsovereenkomst te hebben beëindigd; de rechter dient daarbij niet vast te stellen dat die partij de bedoeling had zelf de arbeidsovereenkomst te beëindigen (1). (1) Zie concl. OM.

Arrest - Integrale tekst

Nr. S.12.0019.N

BRUCAR bvba, met zetel te 9500 Geraardsbergen, Industriezone, Diebeke 19,

eiseres,

vertegenwoordigd door mr. Willy van Eeckhoutte, advocaat bij het Hof van Cas-satie, met kantoor te 9051 Gent, Drie Koningenstraat 3, waar de eiseres woon-plaats kiest,

tegen

B D P,

verweerder,

vertegenwoordigd door mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Quatre Brasstraat 6, waar de verweerder woonplaats kiest.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het arbeidshof te Gent van 8 juni 2011.

Advocaat-generaal Henri Vanderlinden heeft op 11 februari 2014 ter griffie een conclusie neergelegd.

Raadsheer Koen Mestdagh heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Henri Vanderlinden heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDEL

De eiseres voert een middel aan.

Geschonden wettelijke bepalingen

- de artikelen 17, 20, 26, eerste lid, 32, 3° en 5°, en 39, § 1, van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten;

- de artikelen 1134, inzonderheid tweede lid, 1147 en 1148 van het Burgerlijk Wetboek;

- het algemeen rechtsbeginsel van de eerbiediging van het recht van verdediging, zoals onder meer neergelegd in artikel 6.1 van het verdrag van 4 november 1950 tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend te Rome op 4 november 1950 en goedgekeurd bij wet van 13 mei 1955;

- artikel 774, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek

Aangevochten beslissing

In de bestreden beslissing verklaart het arbeidshof het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond. Het arbeidshof bevestigt het vonnis van de arbeidsrechtbank van 27 april 2009 in al zijn onderdelen en dus ook in de mate dat de arbeidsrechtbank de eiseres veroordeelt tot betaling van een opzeggingsvergoeding en de uitreiking van een verbeterd formulier C4 en veroordeelt het de eiseres tot betaling van de kosten van de procedure in hoger beroep.

Het arbeidshof neemt die beslissingen op grond van alle vaststellingen en motieven waarop zij steunen en die hier beschouwd worden integraal te zijn hernomen en in het bijzonder de volgende:

"5.2. Ten gronde

5.2.0. [...]

5.2.1. Volgens [de eiseres] is het onbegrijpelijk en ten onrechte dat de eerste rechter heeft gesteld dat er geen sprake is van beëindiging van de arbeidsovereenkomst met [de verweerder] wegens overmacht omdat zij in januari 2004 door toedoen van de vertegenwoordigers van de werknemers werd geconfronteerd met de definitieve onmogelijkheid om de arbeidsovereenkomst verder te zetten en dat op dat ogenblik de tijdelijke overmacht werd omgezet in een definitieve overmachtsituatie.

5.2.2. Artikel 32, 5°, Arbeidsovereenkomstenwet bepaalt dat de arbeidsovereen-komst een einde neemt door overmacht.

Bij deze wijze van beëindiging van de overeenkomst is geen van de partijen aan de andere een vergoeding verschuldigd.

Overmacht leidt slechts tot de beëindiging van de arbeidsovereenkomst wanneer het de verdere uitvoering van de arbeidsovereenkomst definitief onmogelijk maakt [...].

Overmacht met definitieve gevolgen leidt echter niet automatisch tot de beëindiging van de arbeidsovereenkomst maar pas nadat de schuldenaar zich hierop heeft beroepen [...].

De brand die zich in de gebouwen van de onderneming van [de eiseres] heeft voorgedaan op 26 september 2001 leidt op zich niet tot de beëindiging van de arbeidsovereenkomst met [de verweerder] wegens overmacht.

Wou [de eiseres] zich met goed gevolg beroepen op de brand van 26 september 2001 in en van de gebouwen van haar onderneming als vreemde oorzaak die aan de arbeidsovereenkomst een einde stelde dan diende ze alvast hiertoe zelf het initiatief te nemen tegenover haar werknemers, waaronder [de verweerder].

[De eiseres] heeft tot en met 31 december 2003 aan de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening melding gedaan dat de uitvoering van de arbeidsovereenkomst van de werknemers, waaronder [de verweerder], ingevolge deze brand was geschorst wegens overmacht hetgeen rechtstreeks werd aanvaard door deze dienst zodat deze werknemers als tijdelijke werkloze werknemer werkloosheidsuitkeringen ontvingen.

Dit houdt in dat [de eiseres] zich tot op dat ogenblik nooit heeft beroepen op overmacht om een einde te stellen aan de arbeidsovereenkomst met haar werknemers, waaronder [de verweerder].

De Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening deelde aan [de eiseres] met brief van 11 februari 2004 mee dat deze tijdelijke werkloosheid vanaf 1 januari 2004 werd geweigerd omdat zij aan haar werknemers op haar initiatief C4 documenten heeft afgeleverd waarbij zij het einde van de arbeidsovereenkomst bestatigt.

Enige tijd voordien, meer bepaald in januari 2004 zoals blijkt uit haar conclusie en hierin niet tegengesproken door [de verweerder], vernam [de eiseres] dat het Fonds tot Sluiting van Ondernemingen was overgegaan tot de betaling van een sluitingspremie aan haar werknemers.

[De eiseres] reageerde hierop met brief van 8 januari 2004 aan het Sluitingsfonds en waarin zij onder meer stelde dat de beslissing om een sluitingspremie toe te kennen haar laat veronderstellen dat haar werknemers ontslagnemend zijn.

Blijkens de brief van het Sluitingsfonds van 18 februari 2004 aan de raadsman van [de eiseres] heeft zijn beheerscomité beslist om de toestand van overmacht wegens brand en dit gedurende een periode van meer dan 2 jaar gelijk te stellen met een sluiting en dat dit een beslissing sui generis is; het Fonds meldde tevens dat zij niet is overgegaan tot de uitbetaling van een ontslagvergoeding maar wel tot de uitbetaling van een sluitingsvergoeding.

Uit deze brief valt niet op te maken waarop het fonds zich heeft gesteund om aan de werknemers van [de eiseres], waaronder [de verweerder], een sluitingsvergoeding toe te kennen.

In elk geval was dit niet op basis van artikel 4, eerste lid, van de wet van 28 juni 1966 omdat de arbeidsovereenkomst op het ogenblik dat deze premie werd toegekend niet was beëindigd door [de eiseres].

Mogelijks heeft het Fonds zijn beslissing gesteund op artikel 4, vijfde lid, van deze wet volgens hetwelk het beheerscomité kan beslissen dat de vergoeding wegens ontslag eveneens dient te worden toegekend aan de werknemers voor wie de uitvoering op het ogenblik van de sluiting geschorst is en die na het einde van de schorsingsperiode hun arbeid in de onderneming niet kunnen hervatten.

Waar [de eiseres] in haar brief van 8 januari 2004 aan het Sluitingsfonds meldt dat zij door de eenzijdige stellingname van het Fonds niet verder verantwoordelijk is voor de eventuele opzegvergoedingen en of sluitingspremie reageert zij ten opzichte van haar werknemers en meer in het bijzonder [de verweerder], met de aflevering met brief van 27 januari 2004 van een op 8 januari 2004 ondertekend C4 document waarin is vermeld dat de tewerkstelling een einde heeft genomen op 27 september 2001 en dat de juiste oorzaak van de werkloosheid de "melding van eenzijdig ontslag door derden" is.

5.2.3. Uit [de eiseres haar] conclusie blijkt dat zij de toekenning door het Sluitingsfonds aan haar werknemers van een sluitingsvergoeding heeft aangezien als het zich beroepen door zowel het Sluitingsfonds als door de werknemers op een definitieve onmogelijkheid om de arbeidsovereenkomst nog verder uit te voeren en derhalve als het inroepen van overmacht waardoor de arbeidsovereenkomst een einde heeft genomen.

Zoals reeds gesteld onder vorig punt 5.2.2. kan de beëindiging van de arbeidsovereenkomst tussen [de verweerder] en [de eiseres] wegens overmacht op grond van de brand die heeft plaats gehad op 26 september 2001 enkel worden ingeroepen door de schuldenaar, zijnde [de eiseres], om bevrijd te zijn van haar verplichting om [de verweerder] (verder) te werk te stellen.

Het komt de werknemer niet toe zich te beroepen op overmacht om een einde te stellen aan de arbeidsovereenkomst wanneer de vreemde oorzaak, zijnde de brand van 26 september 2001, ertoe leidt dat [de eiseres] haar verbintenis om de werknemer tewerk te stellen definitief niet meer zou kunnen nakomen.

Het was aan [de eiseres] om te beslissen om haar werkzaamheden na het uitbreken van de brand voort te zetten dan wel de beëindiging van de arbeidsovereenkomst wegens overmacht in te roepen.

De werknemers, waaronder [de verweerder], konden [de eiseres] wel verzoeken om deze keuze te maken zodat ze zouden weten wat hen te doen stond, maar niet in haar plaats beslissen.

De aanvraag door de werknemers, waaronder [de verweerder], van de toekenning van een sluitingspremie aan het Sluitingsfonds voor zover dit kan worden gezien als het inroepen van definitieve overmacht is derhalve niet relevant bij de beoordeling of de arbeidsovereenkomst werd beëindigd wegens overmacht.

Al evenmin kon en heeft de arbeidsovereenkomst een einde genomen wegens overmacht ingevolge de beslissing van een derde, zijnde het Sluitingsfonds dat aan de werknemers van [de eiseres] een "sluitingsvergoeding sui generis" heeft toegekend.

Dat er geen opzeggingsvergoeding is toegekend, zoals [de verweerder] stelt, is niet relevant vermits er bij de beëindiging van de arbeidsovereenkomst wegens overmacht, voor zover die wordt aanvaard/erkend, geen vergoeding verschuldigd is.

Bovendien vermeldt het Fonds in zijn brief van 19 februari 2004 dat de sluitingsdatum van 1 oktober 2001 losstaat van de beëindiging van de arbeidsovereenkomst.

De bewoordingen in het door [de eiseres] op 27 januari 2004 verzonden en op 8 januari 2004 ondertekend C4 formulier dat de reden van de beëindiging van de arbeidsovereenkomst "door de melding van een eenzijdig ontslag door derden" is, leiden er dus niet toe dat de toekenning van de sluitingspremie door het Fonds moet worden aangezien of gelijkgesteld met het inroepen van een definitieve overmacht die aan de arbeidsovereenkomst een einde stelde.

Vermits [de eiseres] ook op 8 januari 2004 na de kennisname van de uitbetaling van een sluitingspremie de beëindiging van de arbeidsovereenkomst met [de verweerder] wegens overmacht niet heeft ingeroepen is er van een beëindiging van de arbeidsovereenkomst op die grond geen sprake.

5.2.4. Al evenmin kon en kan de aanvraag van de werknemers van [de eiseres], waaronder [de verweerder], van een sluitingspremie worden aangezien als een handeling waaruit de beëindiging van de arbeidsovereenkomst door ontslag door [de verweerder] dient te worden afgeleid.

Immers blijkt nergens uit dat [de verweerder] door deze aanvraag de wil heeft geuit om de arbeidsovereenkomst te beëindigen.

Wel integendeel, zoals blijkt uit de bewoordingen in de brief van de vakbond van [de verweerder] van 14 januari 2004 waarin onder andere wordt gesteld dat de arbeiders die de voorbije maanden en jaren zelf geen ontslag hebben ingediend nog steeds in dienst zijn en dat men zich niet akkoord verklaart met de brief van 8 januari 2004 aan het Fonds.

En vervolgens "wij vragen dat U duidelijkheid schept en dat U uw arbeid(st)ers niet langer in het ongewisse laat. Wij vragen dat u ons per aangetekend schrijven laat weten in welke maand u uw firma effectief gaat heropstarten en met hoeveel arbeidsters... Indien u niet alle arbeid(st)ers meer nodig heeft bij het heropstarten van uw firma dan dient U de arbeid(st)ers die u niet nodig heeft af te danken, een C4 formulier te bezorgen en aan hun een verbrekingsvergoeding uit te betalen".

Net zoals de eerste rechter is ook het arbeidshof van oordeel dat de enige reactie van [de eiseres] tegenover de werknemers, waaronder [de verweerder], tegen deze brief bestond uit de afgifte van het op 8 januari 2004 ondertekend C4 document dat met brief van 27 januari 2004 aan [de verweerder] werd toegestuurd.

Niet alleen kunnen de bewoordingen vermeld in het C4 formulier "eenzijdige melding van het ontslag door derden" niet worden aangezien als het inroepen van overmacht als grond tot beëindiging van de arbeidsovereenkomst zoals hiervoor uiteengezet, maar evenmin als een ontslag.

Het kwam en komt niet toe aan een derde om de arbeidsovereenkomst tussen [de eiseres] en [de verweerder] te beëindigen en al evenmin kon [de eiseres] zich steunen op een vermeend ontslag door een beslissing van deze derde om het einde van de arbeidsovereenkomst vast te stellen.

Vermits [de eiseres] in het voornoemde C4 formulier er zich ten onrechte heeft op beroepen dat de arbeidsovereenkomst werd beëindigd door de melding van een eenzijdig ontslag door derden heeft zij zelf op 27 januari 2007, of de dag dat zij dit C4 formulier aan [de verweerder] heeft verstuurd met de post, de arbeidsovereenkomst met [de verweerder] onregelmatig beëindigd [...].

De argumentatie van [de eiseres], met betrekking tot het ontbreken in haar hoofde van de wil om de arbeidsovereenkomst te beëindigen, wordt als niet dienend van de hand gewezen vermits de wil van [de eiseres] hierbij van geen betekenis is.

De eerste rechter dient eveneens volkomen te worden bijgetreden waar hij stelde dat vermits zij ([de eiseres]) zich niet heeft beroepen op overmacht ter beëindiging van de arbeidsovereenkomst zij dit thans niet meer kan doen in haar conclusies nadat de arbeidsovereenkomst met de toezending van het C4 formulier op 27 januari 2004 reeds op een andere grond was beëindigd.

Ook hier dienen de argumenten van [de eiseres] met betrekking tot de terugwerkende kracht van het inroepen van de definitieve overmacht als niet dienend van de hand te worden gewezen meer in het bijzonder de verwijzing naar het arrest van [het Hof] van 10 november 1976 [...].

Daar [de eiseres] de arbeidsovereenkomst met [de verweerder] onregelmatig heeft beëindigd kan [de verweerder] aanspraak maken op een vergoeding gelijk aan het lopend loon overeenstemmend met de niet in acht genomen opzeggingstermijn die door [de eiseres] cijfermatig niet wordt betwist."

Grieven

Eerste onderdeel

1.1. Luidens artikel 1134, tweede lid, Burgerlijk Wetboek kunnen alle overeen-komsten die wettig zijn aangegaan, niet worden herroepen dan met wederzijdse toestemming of op de gronden door de wet erkend.

Uit artikel 1147 van het Burgerlijk Wetboek blijkt dat een schuldenaar geen contractuele aansprakelijkheid oploopt als hij bewijst dat het niet-nakomen van een op hem rustende verbintenis het gevolg is van een vreemde oorzaak die hem niet kan worden tegengeworpen, zonder dat sprake is van kwade trouw van zijnentwege.

Overeenkomstig artikel 1148 Burgerlijk Wetboek is overmacht een oorzaak van het bevrijden van een partij van haar verbintenissen. Immers, geen schadevergoeding is verschuldigd wanneer de schuldenaar door overmacht of toeval verhinderd is geworden datgene te geven of te doen waartoe hij verbonden was, of datgene gedaan heeft wat hem verboden was.

De voornoemde bepalingen zijn van toepassing op arbeidsovereenkomsten.

Artikel 26, eerste lid, van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten, hieronder afgekort als Arbeidsovereenkomstenwet, bepaalt dat de door overmacht ontstane gebeurtenissen de beëindiging van de arbeidsovereenkomst niet tot gevolg hebben wanneer zij slechts tijdelijk de uitvoering van de overeenkomst schorsen.

Overeenkomstig artikel 32, enig lid, 5°, Arbeidsovereenkomstenwet, kunnen de verbintenissen voortspruitende uit een arbeidsovereenkomst een einde nemen door overmacht.

Beëindigende overmacht veronderstelt een aan de schuldenaar ontoerekenbare gebeurtenis die de uitvoering van de arbeidsovereenkomst onmogelijk maakt.

Uit de samenlezing van de twee laatstgenoemde bepalingen volgt dat door overmacht ontstane gebeurtenissen de beëindiging van de arbeidsovereenkomst tot gevolg hebben als zij de uitvoering van de arbeidsovereenkomst langer schorsen dan tijdelijk, d.i. langer dan voor een korte duur.

Overmacht beëindigt de arbeidsovereenkomst niet van rechtswege. Opdat overmacht tot het einde van de arbeidsovereenkomst zou leiden, is vereist dat één van de partijen zich op de beëindigende overmacht beroept. Aangezien, zoals blijkt uit de artikelen 17, 1°, en 20, 1°, Arbeidsovereenkomstenwet, een arbeidsovereenkomst met betrekking tot de overeengekomen arbeid wederkerige verbintenissen inhoudt, zijn de werkgever en de werknemer in dat opzicht elkaars schuldenaar, zodat ieder van hen beëindigende overmacht kan inroepen indien een gebeurtenis de uitvoering van de arbeidsovereenkomst langer dan tijdelijk onmogelijk maakt.

Een opzeggingsvergoeding is blijkens artikel 39, § 1, Arbeidsovereenkomstenwet maar verschuldigd wanneer een partij de arbeidsovereenkomst beëindigt zonder dringende reden of zonder opzeggingstermijn en dus niet in geval van beëindiging van de arbeidsovereenkomst door overmacht.

1. 2. In regelmatig voor het arbeidshof neergelegde conclusies voerde de eiseres aan dat de werknemers, waaronder de verweerder, zich op overmacht hebben beroepen om de arbeidsovereenkomst te beëindigen Het arbeidshof stelt dat overigens ook zelf vast.

Het arbeidshof overweegt dat de arbeidsovereenkomst een einde kan nemen door overmacht, maar oordeelt dat overmacht met definitieve gevolgen niet automatisch leidt tot de beëindiging van de arbeidsovereenkomst, maar pas nadat de schuldenaar zich hierop heeft beroepen.

Het arbeidshof overweegt dat, indien de eiseres zich met goed gevolg wou beroepen op de brand van 26 september 2001 in en van de gebouwen van haar onderneming als vreemde oorzaak die aan de arbeidsovereenkomst een einde stelde, zij daartoe zelf het initiatief diende te nemen tegenover haar werknemers, waaronder de verweerder.

Volgens het arbeidshof kan de beëindiging van de arbeidsovereenkomst tussen de verweerder en de eiseres wegens overmacht op grond van de brand die heeft plaats gehad op 26 september 2001, enkel worden ingeroepen door de schuldenaar, zijnde de eiseres, om bevrijd te zijn van haar verplichting de verweerder voort te werk te stellen. Het komt, zo oordeelt het arbeidshof, de werknemer niet toe zich te beroepen op overmacht om een einde te stellen aan de arbeidsovereenkomst wanneer de vreemde oorzaak, zijnde de brand van 26 september 2001, ertoe leidt dat de eiseres haar verbintenis om de werknemer tewerk te stellen, definitief niet meer zou kunnen nakomen.

Voorts overweegt het arbeidshof dat het aan de eiseres was te beslissen haar werkzaamheden na het uitbreken van de brand voort te zetten dan wel de beëindiging van de arbeidsovereenkomst wegens overmacht in te roepen, en dat de werknemers de eiseres wel konden verzoeken die keuze te maken, maar niet in haar plaats konden beslissen.

Op de voornoemde gronden oordeelt het arbeidshof dat de aanvraag door de werknemers, waaronder de verweerder, van de toekenning van een sluitingspremie door het Sluitingsfonds, voor zover dat kan worden aangezien als het inroepen van definitieve overmacht, niet relevant is bij de beoordeling of de arbeidsovereenkomst wegens overmacht werd beëindigd. Het arbeidshof beslist verder enkel dat uit de vermeldingen die de eiseres deed op het C4-formulier er niet toe leiden dat de toekenning van de sluitingspremie door het Sluitingsfonds moet worden aangezien of gelijkgesteld met het inroepen - daaronder verstaan zijnde: door de eiseres - van een definitieve overmacht die aan de arbeidsovereenkomst een einde stelde.

Aldus weigert of verzuimt het arbeidshof te onderzoeken of - zoals door de eiseres in regelmatig neergelegde conclusies werd aangevoerd - de verweerder zich heeft beroepen op definitieve overmacht die de arbeidsovereenkomst beëindigt, op de grond dat enkel de eiseres, als schuldenaar van de verbintenis de verweerder tewerk te stellen, zich op de definitieve overmacht kon beroepen. Daardoor miskent het arbeidshof dat beide partijen bij een arbeidsovereenkomst met betrekking tot de overeengekomen arbeid elkaars schuldenaar zijn (schending van de artikelen 17, 1°, en 20, 1°, Arbeidsovereenkomstenwet) en dat dus zowel de werkgever als de werknemer zich kunnen beroepen op gebeurtenissen die de uitvoering van hun verbintenissen meer dan tijdelijk onmogelijk maken om de beëindiging van de arbeidsovereenkomst door overmacht vast te stellen (schending van de artikelen 1134, inzonderheid tweede lid, 1147 en 1148 Burgerlijk Wetboek en 17, 1°, 20, 1°, 26, eerste lid, en 32, 5°, Arbeidsovereenkomstenwet). Het arbeidshof bevestigt dan ook niet wettig de veroordeling van de eiseres door de eerste rechter tot betaling van een opzeggingsvergoeding en tot uitreiking van een verbeterd formulier C4 (schending van de artikelen 32, 3°, en 39 Arbeidsovereenkomstenwet).

Conclusie

Het arbeidshof verklaart het hoger beroep van de eiseres niet wettig ongegrond (schending van alle in de aanhef van het middel als geschonden aangewezen bepalingen, met uitzondering van artikel 774, tweede lid, Gerechtelijk Wetboek en het algemeen rechtsbeginsel inzake het recht van verdediging).

Tweede onderdeel

2.1. Krachtens artikel 774, tweede lid, Gerechtelijk Wetboek, is de rechter verplicht de heropening van de debatten te bevelen alvorens de vordering geheel of gedeelte-lijk af te wijzen op grond van een exceptie die de partijen voor hem niet hadden ingeroepen.

De verplichte heropening van de debatten voorgeschreven door artikel 774, tweede lid, Gerechtelijk Wetboek, is een bijzondere toepassing van het ruimere beginsel van de eerbiediging van het recht van verdediging. De debatten dienen dan ook door de rechter te worden heropend telkens het algemeen rechtsbeginsel van de eerbiediging van het recht van verdediging dat vereist.

Krachtens het algemeen rechtsbeginsel van de eerbiediging van het recht van verdediging dient de rechter die zijn beslissing steunt op een door partijen niet aangevoerd middel of op een ambtshalve aangevoerd middel, de partijen de gelegenheid te geven zich daarop te verdedigen. De rechter mag dus geen rechtsvordering van een partij toe- of afwijzen op grond van een middel dat voor hem niet is aangevoerd en waarover de partijen geen tegenspraak hebben kunnen voeren, in voorkomend geval doordat een heropening van de debatten werd bevolen.

2.2. Op grond van de hierboven, onder het kopje "Aangevochten beslissing", geciteerde motieven van het bestreden arrest, blijkt dat het arbeidshof de oorspronkelijke vordering van de verweerder inwilligt op grond dat de eiseres de arbeidsovereenkomst onregelmatig heeft beëindigd, na de stelling van de eiseres dat de verweerder zelf een definitieve overmachtssituatie had aanvaard, te hebben verworpen. Uit de motieven van het bestreden arrest, en zoals nader aangeduid in het eerste onderdeel van het middel, verwerpt het arbeidshof die stelling van de eiseres op grond dat de verweerder zich niet kon beroepen op overmacht, maar enkel de eiseres dat kon, als schuldenaar van de verbintenis de verweerder tewerk te stellen.

Echter, noch uit de conclusies van de verweerder, noch uit enig ander stuk waarop uw Hof vermag acht te slaan, blijkt dat de verweerder voor het arbeidshof aanvoerde dat hij zich niet op de door de brand ontstane overmachtssituatie kon beroepen en enkel de eiseres dat kon.

Door het hoger beroep van de eiseres op de hierboven geciteerde motieven ongegrond te verklaren zonder de heropening van de debatten te bevelen, terwijl uit geen enkel stuk blijkt dat de verweerder voor het arbeidshof heeft betoogd dat enkel de eiseres en niet hijzelf zich op de definitieve overmacht veroorzaakt door de brand in het bedrijf van de eiseres kon beroepen om de arbeidsovereenkomst als beëindigd te beschouwen, schendt het arbeidshof het algemeen rechtsbeginsel inzake de eerbiediging van het recht van verdediging en artikel 774, tweede lid, Gerechtelijk Wetboek.

Conclusie

Het arbeidshof verklaart het hoger beroep van de eiseres niet wettig ongegrond op een ambtshalve ingeroepen grond, zonder de eiseres de mogelijkheid te hebben gegeven daarover verweer te voeren (schending van het algemeen rechtsbeginsel inzake de eerbiediging van het recht van verdediging en artikel 774, tweede lid, Gerechtelijk Wetboek).

Derde onderdeel (in ondergeschikte orde)

3.1. Ontslag is de handeling waardoor een partij bij een arbeidsovereenkomst te kennen geeft dat zij aan de arbeidsovereenkomst een einde wil maken, zo blijkt uit artikel 32, 3°, Arbeidsovereenkomstenwet.

Tenzij in geval van een belangrijke eenzijdige wijziging van een essentieel bestanddeel van de arbeidsovereenkomst, vereist elk ontslag dan ook een wilsuiting. Dat is het geval bij ontslag wegens dringende reden, bij opzegging en bij impliciet ontslag in geval van een contractuele wanprestatie.

De vaststelling door een van de partijen dat de arbeidsovereenkomst is beëindigd wegens overmacht, is niet gelijk te stellen met een ontslag. Indien de als overmacht ingeroepen feiten geen overmacht uitmaken, heeft die partij immers niet haar wil uitgedrukt zelf de arbeidsovereenkomst te beëindigen.

3.2. Uit de vaststellingen en overwegingen van het arbeidshof blijkt dat de eiseres aanvoerde dat de arbeidsovereenkomst die zij met de verweerder had gesloten, een einde nam door overmacht, met name door een brand die zich op 26 september 2001 voordeed in de gebouwen van de onderneming van de eiseres.

Het arbeidshof oordeelt dat die brand op zich niet tot de beëindiging van de arbeidsovereenkomst wegens overmacht leidde, maar dat de eiseres daartoe zelf het initiatief had moeten nemen tegenover haar werknemers, waaronder de verweerder. Het arbeidshof is van oordeel dat de eiseres dat niet heeft gedaan.

In regelmatig aan het arbeidshof voorgelegde conclusies voerde de eiseres "uiterst subsidiair" aan dat zij nooit de wil heeft gehad haar werknemers te ontslaan en a fortiori die wil nooit veruitwendigd of ter kennis heeft gebracht van haar werknemers.

Het arbeidshof beslist dat aangezien de eiseres er zich in een op 8 januari 2004 en op 27 januari 2004 aan de verweerder toegestuurd C4-document ten onrechte heeft op beroepen dat de arbeidsovereenkomst werd beëindigd door de melding van een eenzijdig ontslag door derden, zij zelf op 27 januari 2004, d.i. de dag dat zij het C4-formulier aan de verweerder heeft verstuurd met de post, de arbeidsovereenkomst met de verweerder onregelmatig heeft beëindigd. Het beslist op die grond dat de verweerder aanspraak kan maken op een vergoeding gelijk aan het lopend loon overeenstemmend met de niet in acht genomen opzeggingstermijn.

Het arbeidshof overweegt daarbij dat het de argumentatie van de eiseres met betrekking tot het ontbreken van de wil van deze laatste de arbeidsovereenkomst te beëindigen als "niet dienend" van de hand wijst aangezien de wil van de eiseres "hierbij van geen betekenis is".

Het arbeidshof beslist aldus dat de eiseres de verweerder onregelmatig heeft ontslagen zonder te onderzoeken of noch vast te stellen dat bij de eiseres de wil tot beëindiging van de arbeidsovereenkomst aanwezig was, in tegenstelling tot wat de eiseres aanvoerde. Het arbeidshof schendt daardoor het begrip ontslag (schending van artikel 32, 3°, Arbeidsovereenkomstenwet) en beslist niet wettig dat de verweerder aanspraak kan maken op een opzeggingsvergoeding (schending van artikel 39 Arbeidsovereenkomstenwet).

Conclusie

Het arbeidshof verklaart het hoger beroep van de eiseres niet wettig ongegrond (schending van de artikelen 32, 3°, en 39 Arbeidsovereenkomstenwet).

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste onderdeel

1. Het arrest dat oordeelt dat de toekenning van de sluitingspremie door het Sluitingsfonds niet moet worden aangezien of gelijkgesteld met het inroepen van een definitieve overmacht die aan de arbeidsovereenkomst een einde stelde, geeft aldus te kennen dat door de sluitingspremie aan te vragen de verweerder zich niet heeft beroepen op definitieve overmacht die de arbeidsovereenkomst beëindigt.

2. Het onderdeel dat geheel ervan uitgaat dat de appelrechters niet hebben on-derzocht of de verweerder zich heeft beroepen op definitieve overmacht die de ar-beidsovereenkomst beëindigt, berust op een onjuiste lezing van het arrest.

Het onderdeel mist feitelijke grondslag.

Tweede onderdeel

3. Uit het antwoord op het eerste onderdeel volgt dat het onderdeel gericht is tegen overtollige redenen.

Het onderdeel dat niet tot cassatie kan leiden, is bijgevolg niet ontvankelijk bij gebrek aan belang.

Derde onderdeel

4. De onregelmatige beëindiging door de partij die de beëindiging van de overeenkomst vaststelt, kan wettig worden afgeleid uit het feit dat die partij zich daartoe ten onrechte op overmacht beroept of aan de wederpartij onterecht verwijt de arbeidsovereenkomst te hebben beëindigd.

5. De rechter dient daarbij niet vast te stellen dat die partij de bedoeling had zelf de arbeidsovereenkomst te beëindigen.

Het onderdeel dat op een andere rechtsopvatting berust, faalt naar recht.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiseres tot de kosten.

Bepaalt de kosten voor de eiseres op 136,72 euro en voor de verweerder op 455,19 euro.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, derde kamer, samen-gesteld uit voorzitter Christian Storck, als voorzitter, en de raadsheren Alain Smetryns, Koen Mestdagh, Mireille Delange et Antoine Lievens, en in openbare rechtszitting van 10 maart 2014 uitgesproken door voorzitter Christian Storck, in aanwezigheid van advocaat-generaal Henri Vanderlinden, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche.

K. Vanden Bossche A. Lievens M. Delange

K. Mestdagh A. Smetryns Chr. Storck

Vrije woorden

  • Onterecht ingeroepen overmacht

  • Wil om de arbeidsovereenkomst te beëindigen