- Arrest van 10 maart 2014

10/03/2014 - S.12.0103.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Krachtens de artikelen 2 en 3 Arbeidsovereenkomstenwet is de arbeidsovereenkomst de overeenkomst waarbij een werknemer zich verbindt tegen loon, onder het gezag van de werkgever, arbeid te verrichten; als arbeid in de zin van de Arbeidsovereenkomstenwet dient te worden aangezien, de arbeid die een werknemer die zich daartoe bij overeenkomst heeft verbonden, tegen loon en onder het gezag van een werkgever verricht, onverschillig of het overeengekomen loon beperkt is en onverschillig of die arbeid wordt verricht als vrijetijdsbesteding, zonder het oogmerk een inkomen te verwerven.

Arrest - Integrale tekst

Nr. S.12.0103.N

RIJKSDIENST VOOR SOCIALE ZEKERHEID, openbare instelling, met ze-tel te 1060 Sint-Gillis, Victor Hortaplein 11,

eiser,

vertegenwoordigd door mr. Antoine De Bruyn, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Dalstraat 67, bus 14, waar de eiser woonplaats kiest,

tegen

ICARUS vzw, met zetel te 2200 Herentals, Bovenrij 59 A,

verweerster,

vertegenwoordigd door mr. Willy van Eeckhoutte, advocaat bij het Hof van Cas-satie, met kantoor te 9051 Gent, Drie Koningenstraat 3, waar de verweerster woonplaats kiest.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest, op 16 februari 2012 gewezen door het arbeidshof te Brussel na verwijzing door het arrest van het Hof van 18 oktober 2010.

Raadsheer Antoine Lievens heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Henri Vanderlinden heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDEL

De eiser voert in zijn verzoekschrift een middel aan.

Geschonden wettelijke bepalingen

- de artikelen 1, 2 en 3 van de Arbeidsovereenkomstenwet van 3 juli 1978 (Arbeidsovereenkomstenwet);

- de artikelen 1, § 1, eerste lid, 5, 9, 14 van de Wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders (RSZ-wet);

- de artikelen 1, 2, § 1, eerste lid, 3, 22, § 1, eerste streep, van de Wet van 29 juni 1981 houdende de algemene beginselen van de sociale zekerheid voor werknemers (Algemene beginselenwet sociale zekerheid);

- artikel 2 van de wet van 12 april 1965 betreffende de bescherming van het loon der werknemers (Loonbeschermingswet), zowel vóór als na zijn wijziging bij wet van 22 mei 2001, vóór zijn wijziging bij wet van 27 december 2004;

- artikel 17quinquies van het koninklijk besluit van 28 november 1969 tot uitvoering van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders (Uitvoeringsbesluit RSZ-wet), zoals ingevoegd bij koninklijk besluit van 19 november 2001.

Aangevochten beslissing

Het bestreden arrest hervormt het vonnis van de eerste rechter en wijst eiser volledig af van zijn oorspronkelijke vordering voor de arbeidsrechtbank, op grond van de volgende overwegingen:

"4.2. Eén van de constitutieve elementen voor de onderwerping aan de sociale ze-kerheid der werknemers is aldus het bestaan van een (overeengekomen) loon waarop de werknemer, ingevolge zijn dienstbetrekking, recht heeft ten laste van de werkgever.

Zoals Prof. De Vos uiteen zet in zijn studie ‘Loon naar Belgisch arbeidsovereenkomstenrecht' (p. 98-109, 136, 176-1820 e.v.) wordt niet iedere arbeidsprestatie noodzakelijk verricht in het kader van een arbeidsovereenkomst, maar dient bij het onderzoek naar de vraag of het gaat om een arbeidsovereenkomst, en of een loon betaald wordt als tegenprestatie van deze arbeidsovereenkomst, rekening gehouden te worden met het doel en de oorzaak van de prestaties. Heel wat arbeidsprestaties worden immers verricht buiten het kader van een arbeidsovereenkomst, zoals de prestaties in het kader van een stageover-eenkomst, een leerovereenkomst of een scholingsovereenkomst, of ook nog arbeid verricht op basis van vrijwilligheid, een au pair overeenkomst of ‘arbeid' verricht door bepaalde sportbeoefenaars.

Volgens deze auteur is, om te kunnen oordelen of er sprake is van arbeid in de zin van een arbeidsovereenkomst, het doel of de oorzaak van de prestatie bepalend (p. 98). Het doel of de oorzaak van de prestatie is daarbij volgens hem de omstandigheid dat de werknemer arbeid verricht om in zijn levensonderhoud te voorzien: dit is de primaire beweegreden voor het aangaan van de arbeidsverbintenis. Verder in zijn studie (p. 100) preciseert hij dat de inkomensverwerving (in het algemeen) de doorslaggevende beweegreden is voor het aangaan van de arbeidsovereenkomst.

De auteur verwijst daarbij naar twee cassatiearresten, weliswaar gewezen in het kader van de werkloosheidsreglementering met betrekking tot de vraag of de vergoeding, die in het kader van een leerovereenkomst wordt uitbetaald, als een beroepsinkomen moet beschouwd worden (Cass., 18.06.1990, Arr. Cass., 1989-1990, 1327 met conclusie Advocaat-generaal Lenaerts en Cass. 29.10.1990, Arr. Cass. 1990-1991, 256). In het arrest van 18 juni 1990 oordeelde het Hof dat onder beroepsinkomen dient te worden verstaan het inkomen dat iemand geniet ingevolge het uitoefenen van zijn beroep en dat een beroep een maatschappelijke werkkring is die dient als bron van levensonderhoud. In zijn advies benadrukte advocaat-generaal Lenaerts dat de arbeid die verricht wordt in het kader van een leerovereenkomst er in de eerste plaats op gericht is een beroepskennis te verwerven die de leerling later in staat moet stellen in zijn onderhoud te kunnen voorzien, maar niet gericht is op zijn actueel levensonderhoud. Hij voegde eraan toe dat de vergoeding die in het kader van een dergelijke overeenkomst eventueel betaald wordt, ook niet kan beschouwd worden als een tegenprestatie van de verrichte arbeid, maar eerder als een aanmoediging voor het volgen van de opleiding.

4.3. De geciteerde rechtspraak van het Hof van Cassatie kan uiteraard niet zonder meer overgeplaatst worden naar de huidige betwisting, maar ze geeft in ieder geval een nuttig denkkader voor de aflijning die noodzakelijk moet gemaakt worden (zoals Prof. De Vos schrijft) tussen de arbeid die verricht wordt in het kader van de arbeidsovereenkomst, met een loon als tegenprestatie en de arbeid die verricht wordt in een aantal andere situaties, waarbij de toekenning van een vergoeding niet het doorslaggevend motief is geweest voor het opnemen van een ‘arbeidsprestatie' (maar die naar de inhoud dezelfde kan zijn dan deze die verricht wordt in het kader van een arbeidsovereenkomst). Naast de ‘arbeid' die verricht wordt in het kader van het gereglementeerd vrijwilligerswerk (thans geregeld door de wet van 3 juli 2005 betreffende de rechten van de vrijwilliger, die nog niet van toepassing was op het ogenblik van het ontstaan van de betwisting), bestaat er ongetwijfeld een zeer groot ‘aanbod' aan vrijwilligerswerk in het kader van (commerciële of niet commerciële) muziekfestivals, grote sportmanifestaties en allerlei culturele activiteiten van diverse omvang. In het kader van deze activiteiten bieden vaak vele jongeren op vrijwillige basis en zonder vraag tot vergoeding hun medewerking aan, met als beoogde tegenprestatie de mogelijkheid om gratis aan deze activiteit mee te doen en in het kader van deze activiteit een aantal contacten te realiseren of activiteiten te verrichten die zij buiten dit kader niet zouden verrichten. In de praktijk krijgen deze vrijwilligers wel een vergoeding voor een activiteit vermits zij gratis toegang hebben tot een evenement. Deze vergoeding wordt dan vaak en logisch aangevuld met de mogelijkheid om zich tijdens de activiteit zonder kosten te voeden, terwijl soms ook beperkte en eerder symbolische materiële voordelen worden toegekend.

Het is volgens het (arbeidshof) niet met de finaliteit van het sociale zekerheidssysteem voor werknemers te verenigen om al deze activiteiten, en de ‘vergoedingen' die daarvoor verkregen worden, verzekeringsplichtig te maken, terwijl de deelnemers aan deze activiteit helemaal geen inkomstenverwerving tot doel hebben, maar wel een boeiende invulling van de vrije tijd waarover ze beschikken en terwijl hun ‘arbeid', door zijn accessoir karakter hen ook nooit geen, of geen substantieel sociaal zekerheidsvoordeel zal opleveren.

4.4. Het (arbeidshof) is er zich uiteraard van bewust dat de aflijning tussen wat kan beschouwd worden als beroepsarbeid in het kader van een arbeidsovereenkomst en wat kan beschouwd worden als vrijwilligerswerk in de ruime omschrijving, die daarvan hierboven gegeven wordt, delicaat is en dat misbruiken mogelijk zijn. In ieder dossier dient daarom individueel onderzocht te worden welk voor de vrijwilliger het doorslaggevend motief geweest is om een bepaalde arbeid op zich te nemen: inkomstenverwerving of vrijetijdsbesteding.

4.5. In het voorliggende dossier werden de betrokken ‘vrijwilligers' niet systematisch ondervraagd naar de beweegredenen van hun medewerking aan de georganiseerde evenementen. Uit de spontane verklaring van drie van hen (de heer D C, Mevrouw V en de heer V) blijkt dat de medewerking aan de evenementen voor hen een vorm van ontspanning was, een hobby en een mogelijkheid om gratis naar een concert te kunnen gaan. De heer D C gaf er om die reden de voorkeur aan te werken als vrijwilliger binnen het kader van deze vzw, eerder dan werk aan te nemen als beveiligingsagent, dat wel betaald wordt.

Uit het geheel van de verklaringen blijkt ook dat er in feite weinig belang gehecht wordt aan de toegekende ‘aktiviteitenbonnen'. Een aantal ondervraagden weet niet goed hoe het systeem werkt, weet niet op hoeveel bonnen zij recht hebben of wat zij waard zijn of wat er mee kan gedaan worden. Een aantal ondervraagden zegt geen gebruik te maken van de bonnen omdat zij niet geïnteresseerd zijn in de activiteiten die door de vzw georganiseerd worden (reizen naar het buitenland of naar andere evenementen).

Uit de afgenomen verklaringen blijkt verder dat de bonnen niet inwisselbaar waren tegen geld en wel degelijk gebruik dienden te worden (in) het kader van de vzw (waarvan al de ondervraagden een lidkaart hadden), hetzij door de deelname aan activiteiten, hetzij door bepaalde beperkte aankoopmogelijkheden van cd's en t-shirt's.

4.6. Uit de studie van de voorgelegde stukken komt anderzijds naar voor dat de vzw (de verweerster) wel duidelijk een commerciële activiteit ontwikkelde en zeker geen ‘zuivere' vzw was. Zij heeft zich akkoord verklaard met een onderwerping aan de vennootschapsbelasting. Uit de neergelegde boekhoudkundige stukken blijkt (dat) zij een belangrijke omzet realiseerde, die wellicht ook uit andere activiteiten moet bestaan hebben dan deze die thans ter discussie staan. Zulks is echter in rechte geen voldoende element om te oordelen dat het om een tewerkstelling in het kader van een arbeidsovereenkomst zou gaan. Uitgangspunt is immers, zoals hierboven ontwikkeld, de beweegreden in hoofde van de vrijwilliger om met de vzw samen te werken en deze beweegreden was volgens het Hof niet in essentie inkomensverwerving.

Uit de studie van de voorgelegde stukken blijkt ook dat, alhoewel de vzw een belangrijke commerciële doelstelling had, het verenigingsaspect zeker reëel was en niet enkel de dekmantel om een commerciële activiteit te verbergen. De vzw (verweerster) had o.m. een eigen tijdschrift. Uit de lezing van de neergelegde tijdschriften blijkt dat er wel degelijk ‘verenigingsactiviteiten' voor de leden geor-ganiseerd werden, zoals een aantal reizen naar het buitenland. Zulks wordt ook bevestigd door een aantal ondervraagde personen.

4.7. Het (arbeidshof) komt aldus tot de bevinding dat de door de sociale inspectie vastgestelde arbeid niet kan gekwalificeerd worden als een arbeid in het kader van een arbeidsovereenkomst omdat in hoofde van de ‘vrijwilligers' de medewerking aan de activiteiten niet gericht was op het verwerven van een inkomen door arbeid, maar wel in essentie op het verrichten van een vrije tijdsactiviteit. De aan deze activiteit verbonden ‘vergoedingen' waren zo beperkt in omvang dat zij de kwalificatie van een vrijwilligersactiviteit niet tegenspreken."

Grieven

1. De RSZ-wet is overeenkomstig artikel 1, § 1 van toepassing op de werknemers en de werkgevers die door een arbeidsovereenkomst zijn verbonden (cf. artikelen 1, § 1 en 2, § 1, eerste lid, van de Algemene Beginselenwet Sociale Zekerheid).

De artikelen 14 RSZ-wet en 23 Algemene beginselenwet sociale zekerheid bepalen dat de bijdragen voor de sociale zekerheid berekend worden op basis van het loon van de werknemer, zoals omschreven in artikel 2 Loonbeschermingswet, zijnde het loon in geld en de in geld waardeerbare voordelen waarop de werknemer ingevolge de dienstbetrekking recht heeft ten laste van de werkgever.

2. Overeenkomstig de artikelen 2 en 3 Arbeidsovereenkomstenwet is de arbeidsovereenkomst de overeenkomst waarbij de werknemer zich verbindt tegen loon en onder het gezag van de werkgever arbeid te verrichten.

Van zodra de drie constitutieve elementen van een arbeidsovereenkomst zijn verenigd, met name : arbeid, loon en gezag, zijn er derhalve sociale zekerheidsbijdragen verschuldigd door de werkgever uit hoofde van de tewerkstelling van een werknemer krachtens een arbeidsovereenkomst.

3. Als arbeid in de zin van de Arbeidsovereenkomstenwet dient te worden aanzien, de arbeid die een werknemer die zich daartoe bij overeenkomst heeft verbonden, te-gen loon en onder het gezag van een werkgever verricht, onverschillig of de aldus gepresteerde arbeid in tijd en omvang beperkt is, en ongeacht het gering karakter van de vergoeding.

Het is onverenigbaar met het begrip "arbeid" in de zin van de Arbeidsovereenkomstenwet om te beslissen dat er geen arbeid werd verricht, wanneer vaststaat dat er een vergoeding werd toegekend als tegenprestatie voor de geleverde prestaties.

4. Hoewel arbeid in de zin van de Arbeidsovereenkomstenwet doorgaans wordt verricht met het doel om in het levensonderhoud te voorzien, m.a.w. om een inkomen te verwerven of geld te verdienen, betreft deze oorzaak of doelstelling geen noodzakelijk bestanddeel van het begrip arbeid in voormelde zin.

Voor de kwalificatie van een prestatie als arbeid in de zin van de Arbeidsovereenkomstenwet, speelt het derhalve geen rol of die prestatie al dan niet is gericht op het verwerven van een inkomen. Het volstaat dat die prestatie wordt verricht tegen een vergoeding en onder het gezag van een werkgever, onverschillig de oorzaak of de beweegredenen die aan die prestatie ten grondslag liggen. Subjectieve beweegredenen kunnen m.a.w. niet bepalen of de RSZ-wet, waarvan de bepalingen de openbare orde aanbelangen, minstens van dwingend recht zijn, van toepassing is.

Ook vrijwilligerswerk, dat als een vrijetijdsactiviteit wordt verricht en niet gericht is op het verwerven van een inkomen, dient bijgevolg als arbeid in de zin van de Arbeidsovereenkomstenwet te worden beschouwd, zodra dit geschiedt tegen een vergoeding en onder het gezag van een werkgever, onverschillig dat die arbeid, qua tijd en omvang, slechts een accessoir karakter heeft, en dat de toegekende vergoeding beperkt is in omvang.

Ook een beperkte vergoeding is loon waarop de werknemer ingevolge zijn dienstbetrekking recht heeft ten laste van zijn werkgever (artikel 2 Loonbeschermingswet).

5. Hieruit volgt dat het bestreden arrest, eerste onderdeel, niet wettig heeft beslist dat de door de inspectie vastgestelde arbeid niet kon worden gekwalificeerd als een arbeid in het kader van een arbeidsovereenkomst omdat in hoofde van die vrijwilligers de medewerking aan de activiteiten niet gericht was op het verwerven van een inkomen door arbeid, maar wel in essentie op het verrichten van een vrijetijdsactiviteit, en dat de aan deze activiteit verbonden «vergoedingen» zo beperkt waren in omvang dat zij de kwalificatie van vrijwilligersactiviteit niet tegenspreken (schending van de artikelen 1, 2 en 3 Arbeidsovereenkomstenwet, 1, § 1, eerste lid, 14, RSZ-wet, 1, 2, § 1, eerste lid, Algemene beginselenwet sociale zekerheid, 2 Loonbeschermingswet).

6. Overeenkomstig artikel 17quinquies Uitvoeringsbesluit RSZ-wet, worden, met ingang van 1 januari 2001, de personen die voor rekening van een club, federatie, vereniging, instelling, overheidsinstantie of enige andere organisatie die geen winstgevend doel nastreeft, ten behoeve van anderen of van de samenleving, activiteiten verrichten en die daarvoor, hoewel ze deze activiteiten verrichten in de vorm van vrijwillige inzet, toch vergoedingen ontvangen, aan de toepassing van de RSZ-wet onttrokken, in zoverre de ontvangen vergoedingen voor de gezamenlijke bedoelde activiteiten het bedrag van 24,79 euro per dag en 991,57 euro per kalenderjaar niet overschrijden.

Uit deze bepaling volgt dat personen die activiteiten verrichten voor rekening van een vereniging die wel een winstgevend doel nastreeft, en die daarvoor, hoewel ze deze activiteiten verrichten in de vorm van vrijwillige inzet, toch vergoedingen ontvangen, niet aan de toepassing van de RSZ-wet worden onttrokken.

Artikel 17quinquies Uitvoeringsbesluit RSZ-wet, bevestigt de regel dat vrijwilligerswerk in beginsel als arbeid in de zin van de Arbeidsovereenkomstenwet moet worden beschouwd, zodra dit geschiedt tegen een vergoeding en onder het gezag van een werkgever.

7. Het bestreden arrest stelde vast dat uit de studie van de voorgelegde stukken blijkt dat verweerster een vzw is die duidelijk een commerciële activiteit ontwikkelde en zeker geen "zuivere" vzw was (p. 9, 4.6). De prestaties van de vrijwilligers die zij tewerkstelde kunnen bijgevolg niet overeenkomstig artikel 17quinquies Uitvoeringsbesluit RSZ-wet, aan de toepassing van de RSZ-wet worden onttrokken.

8. Hieruit volgt dat het bestreden arrest, tweede onderdeel, niet wettig heeft beslist dat het winstgevend doel van verweerster in rechte geen voldoende element is om te oordelen dat het om een tewerkstelling in het kader van een arbeidsovereenkomst zou gaan en dat de beweegreden in hoofde van de vrijwilliger om met verweerster samen te werken het uitgangspunt moet zijn om te bepalen of er sprake was van arbeid in de zin van de Arbeidsovereenkomstenwet, terwijl artikel 17quinquies Uitvoeringsbesluit RSZ-wet, met ingang van 1 januari 2001, enkel vrijwilligerswerk verricht ten behoeve van een vereniging die geen winstgevend doel nastreeft, aan de toepassing van de RSZ-wet onttrekt (schending van de artikelen 1, 2 en 3 van de Arbeidsovereenkomstenwet, 1, § 1, eerste lid, 14, RSZ-wet, 1, 2, § 1, eerste lid, Algemene beginselenwet sociale zekerheid, 17quinquies Uitvoeringsbesluit RSZ-wet).

9. Krachtens de artikelen 5 RSZ-wet, 3 en 22, § 1, eerste streep, van de Algemene Beginselenwet Sociale Zekerheid worden de bijdragen geïnd voor de financiering van het stelsel van de sociale zekerheid voor werknemers, dat het geheel van de sociale prestaties omvat waarop de sociaal verzekerden recht hebben, waarbij de geldmiddelen van de sociale zekerheid in hoofdzaak voortkomen uit de solidariteit van de werkgevers en de werknemers in de vorm van socialezekerheidsbijdragen.

De sociale bijdragen die op het loon van een werknemer worden afgehouden, worden niet uitsluitend geïnd ten voordele van die werknemer, maar komen ten goede aan alle bij het stelsel van sociale zekerheid aangesloten werknemers, waarbij er niet noodzakelijk een rechtstreeks verband bestaat tussen de hoogte van de bijdragen en de omvang van de socialezekerheidsrechten.

Het stelsel van de sociale zekerheid voor werknemers, zijn financiering en de inning van sociale bijdragen raken de openbare orde zodat, noch de rechter, noch eiser, die als openbare instelling met de inning en de invordering van de bijdragen is belast (de artikelen 5 en 9 RSZ-wet), de bepalingen van de RSZ-wet buiten toepassing kan verklaren op grond van een opportuniteitsbeoordeling omtrent de zin voor de werknemers om sociale bijdragen te betalen ingeval van beperkt verloonde prestaties.

Ook wanneer er onder gezag van een werkgever prestaties worden verricht, die qua tijd en omvang beperkt zijn en verricht worden tegen een geringe vergoeding, is er sprake van ‘arbeid' in de zin van de Arbeidsovereenkomstenwet en van ‘loon' in de zin van de Loonbeschermingswet, zodat de RSZ-wet van toepassing blijft en sociale bijdragen zijn verschuldigd op die vergoedingen.

Het loutere feit dat deelnemers aan vrijwilligerswerk slechts een beperkte vergoeding krijgen voor hun prestaties en hiermee geen inkomstenverwerving beogen, maar wel een boeiende invulling van hun vrije tijd, en dat hun "arbeid", door zijn accessoir karakter hen ook nooit een (substantieel) sociaal zekerheidsvoordeel zal opleveren binnen het stelsel van de sociale zekerheid voor werknemers, kan die arbeid en dat loon niet aan de toepassing van de RSZ-wet onttrekken.

10. Hieruit volgt dat het bestreden arrest, derde onderdeel, niet wettig heeft beslist dat het niet met de finaliteit van het socialezekerheidssysteem voor werknemers is te verenigen om alle activiteiten van vrijwilligers, en de «vergoedingen» die daarvoor verkregen worden, verzekeringsplichtig te maken, nu de deelnemers aan deze vrijwilligersactiviteiten geen inkomstenverwerving tot doel hebben, maar wel een boeiende invulling van de vrije tijd waarover ze beschikken, terwijl hun "arbeid", door zijn accessoir karakter hen ook nooit een (substantieel) sociaal zekerheidsvoordeel zal opleveren, mitsdien niet wettig op die gronden de prestaties van de vrijwilligers die samenwerkten met verweerster niet als arbeid heeft beschouwd in de zin van de Arbeidsovereenkomstenwet en die prestaties aan de toepassing van de RSZ-wet heeft onttrokken, noch wettig de toegekende vergoeding niet als loon heeft beschouwd in de zin van artikel 2 Loonbeschermingswet (schending van de artikelen 1, 2 en 3 Arbeidsovereenkomstenwet, 1, § 1, eerste lid, 5, 9, 14, RSZ-wet, 1, 2, § 1, eerste lid, 3, 22, § 1, eerste streep, Algemene beginselenwet sociale zekerheid, 2 Loonbeschermingswet).

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste onderdeel

Ontvankelijkheid

1. De verweerster werpt een grond van niet-ontvankelijkheid op: de beslissing van het arrest wordt wettig verantwoord door de niet-betwiste vaststelling dat een constitutief bestanddeel van een arbeidsovereenkomst niet aanwezig is, met name een overeengekomen loon, zodat het middel geen belang heeft.

2. Uit geen van de redenen van het arrest kan worden afgeleid dat het oordeelt dat de vrijwilligers en de verweerster geen loon als tegenprestatie van de arbeid zijn overeengekomen.

De grond van niet-ontvankelijkheid moet worden verworpen.

Gegrondheid

3. Krachtens de artikelen 2 en 3 Arbeidsovereenkomstenwet is de arbeidsover-eenkomst de overeenkomst waarbij een werknemer zich verbindt tegen loon, on-der het gezag van de werkgever, arbeid te verrichten.

4. Als arbeid in de zin van de Arbeidsovereenkomstenwet dient te worden aangezien, de arbeid die een werknemer die zich daartoe bij overeenkomst heeft verbonden, tegen loon en onder het gezag van een werkgever verricht, onverschil-lig of het overeengekomen loon beperkt is en onverschillig of die arbeid wordt verricht als vrijetijdsbesteding, zonder het oogmerk een inkomen te verwerven.

5. Het arrest dat oordeelt dat de vastgestelde arbeid niet kan gekwalificeerd worden als een arbeid in het kader van een arbeidsovereenkomst omdat in hoofde van de "vrijwilligers" de medewerking aan de activiteiten niet gericht was op het verwerven van een inkomen door arbeid, maar wel in essentie op het verrichten van een vrijetijdsactiviteit en dat de aan deze activiteiten verbonden "vergoedin-gen" zo beperkt waren in omvang dat zij de kwalificatie van een vrijwilligersacti-viteit niet tegenspreken, schendt de artikelen 2 en 3 Arbeidsovereenkomstenwet.

Het onderdeel is gegrond.

Dictum

Het Hof,

Vernietigt het bestreden arrest.

Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het vernie-tigde arrest.

Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over.

Verwijst de zaak naar het arbeidshof te Gent.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, derde kamer, samen-gesteld uit voorzitter Christian Storck, als voorzitter, en de raadsheren Alain Smetryns, Koen Mestdagh, Mireille Delange en Antoine Lievens, en in openbare rechtszitting van 10 maart 2014 uitgesproken door voorzitter Christian Storck, in aanwezigheid van advocaat-generaal Henri Vanderlinden, met bijstand van grif-fier Kristel Vanden Bossche.

K. Vanden Bossche A. Lievens M. Delange

K. Mestdagh A. Smetryns Chr. Storck

Vrije woorden

  • Arbeid

  • Oogmerk

  • Vrijetijdsbesteding