- Arrest van 11 maart 2014

11/03/2014 - P.12.1903.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Wanneer de wet geen bijzonder bewijsmiddel voorschrijft, beoordeelt de rechter in strafzaken onaantastbaar de bewijswaarde van de hem regelmatig overgelegde gegevens waarover de partijen tegenspraak hebben kunnen voeren en daarbij mag hij rekening houden met alle vermoedens van feitelijke aard die hem de innerlijke overtuiging van de schuld van de beklaagde geven; het vermoeden van onschuld wordt niet miskend wanneer melding gemaakt wordt van feiten die, alhoewel vreemd aan datgene waarvoor de beklaagde wordt vervolgd, relevant kunnen zijn voor de waarheidsvinding of de persoonlijkheid van de beklaagde kunnen toelichten, ook al is hij voor die feiten niet vervolgd of veroordeeld.

Arrest - Integrale tekst

Nr. P.12.1903.N

P L V V M,

beklaagde,

eiser,

met als raadsman mr. Alain Coulier, advocaat bij de balie te Veurne,

tegen

N G,

burgerlijke partij,

verweerster.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, cor-rectionele kamer, van 23 oktober 2012.

De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan.

Raadsheer Luc Van hoogenbemt heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Marc Timperman heeft geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Middel

1. Het middel voert schending aan van artikel 6 EVRM, artikel 149 Grondwet, de artikelen 154 en 189 Wetboek van Strafvordering en de artikelen 392, 398 en 399, eerste lid, Strafwetboek, evenals miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van het recht van verdediging, het vermoeden van onschuld, de bewijslast in strafzaken en dat de schuld van een beklaagde boven elke redelijke twijfel dient vast te staan om een veroordeling te wettigen: door te stellen dat het bewijs of het tegenbewijs van een strafbaar feit mag geleverd worden met alle bewijsmiddelen, geeft het arrest te kennen dat de eiser gehouden was zijn onschuld te bewijzen; dit houdt een tegenstrijdigheid in waar het arrest expliciet stelt dat eisers verklaring geen zelfincriminerende elementen bevat en de eiser in conclusie aangaf dat de kwetsuren van de verweerster ook andere oorzaken konden hebben; het arrest steunt zijn beslissing ook op politionele tussenkomsten van vóór en na het ten laste gelegde feit en op geluidsopnames uit het verleden; het motiveert niet, minstens niet op wettige wijze, waarom de schuld van de eiser vaststaat boven elke redelij-ke twijfel.

2. Het feit dat in strafzaken de bewijslast van de schuld van de beklaagde rust op de vervolgende partij of in voorkomend geval op de burgerlijke partij, ont-neemt de beklaagde niet het recht het bewijs te leveren van zijn onschuld.

Door te stellen dat zulk tegenbewijs mag geleverd worden met alle bewijsmidde-len, leggen de appelrechters de beklaagde geen bewijslast op.

In zoverre mist het middel feitelijke grondslag.

3. Het is niet tegenstrijdig vast te stellen, eensdeels, dat de eiser geen zelfin-criminerende verklaringen heeft afgelegd en verweer voert over de oorsprong van de kwetsuren van de verweerster, en anderdeels de eiser schuldig te verklaren aan het hem ten laste gelegde feit.

In zoverre mist het middel eveneens feitelijke grondslag.

Wanneer de wet geen bijzonder bewijsmiddel voorschrijft, beoordeelt de rechter in strafzaken onaantastbaar de bewijswaarde van de hem regelmatig overgelegde gegevens waarover de partijen tegenspraak hebben kunnen voeren. Hij mag hierbij rekening houden met alle vermoedens van feitelijke aard die hem de innerlijke overtuiging van de schuld van de beklaagde geven. Het vermoeden van onschuld wordt niet miskend wanneer melding gemaakt wordt van feiten die, alhoewel vreemd aan datgene waarvoor de beklaagde wordt vervolgd, relevant kunnen zijn voor de waarheidsvinding of de persoonlijkheid van de beklaagde kunnen toelich-ten, ook al is hij voor die feiten niet vervolgd of veroordeeld.

In zoverre faalt het middel naar recht.

4. Met de redenen die het arrest (5° blad) bevat, geven de appelrechters te ken-nen dat zij volgens hun innerlijke overtuiging de menselijke zekerheid hebben no-pens de schuld van de eiser en elke redelijke twijfel daarover uitsluiten. Aldus oordelen zij wettig dat de eiser schuldig is aan het hem ten laste gelegde feit, zon-der miskenning van de in het middel vermelde algemene rechtsbeginselen.

In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.

5. In zoverre het middel voor het overige opkomt tegen de beoordeling van de feiten door de rechter, is het niet ontvankelijk.

Ambtshalve onderzoek van de beslissing op de strafvordering

6. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiser tot de kosten.

Bepaalt de kosten op 77,61 euro.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samen-gesteld uit afdelingsvoorzitter Paul Maffei, als voorzitter, afdelingsvoorzitter Luc Van hoogenbemt, de raadsheren Filip Van Volsem, Antoine Lievens en Erwin Francis, en op de openbare rechtszitting van 11 maart 2014 uitgesproken door af-delingsvoorzitter Paul Maffei, in aanwezigheid van plaatsvervangend advocaat-generaal Marc De Swaef, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche.

K. Vanden Bossche

E. Francis A. Lievens

F. Van Volsem L. Van hoogenbemt P. Maffei

Vrije woorden

  • Geen wettelijk bijzonder bewijsmiddel

  • Bewijswaarde

  • Beoordeling

  • Aard

  • Criterium

  • Vermelding van feiten vreemd aan de vervolging maar relevant voor de waarheidsvinding of de persoonlijkheid van de beklaagde