- Arrest van 11 maart 2014

11/03/2014 - P.12.0946.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Bedrog in de zin van artikel 18 Arbeidsovereenkomstenwet, vereist dat de schadeverwekker niet enkel het feit wil veroorzaken waaruit de schade voortvloeit, maar ook de schadelijke gevolgen ervan; zware schuld zoals bedoeld in artikel 18 Arbeidsovereenkomstenwet, vereist niet dat de schadeverwekker het feit en de schadelijke gevolgen ervan heeft willen veroorzaken (1). (1) Zie concl. OM.

Arrest - Integrale tekst

Nr. P.12.0946.N

I

G M V D B,

beklaagde,

eiser,

met als raadsman mr. Filiep Deruyck, advocaat bij de balie te Antwerpen,

II

PRIMINVEST nv, met zetel te 2018 Antwerpen, Quinten Matsijslei 19,

beklaagde en burgerrechtelijk aansprakelijke partij,

eiseres,

vertegenwoordigd door mr. Paul Wouters, advocaat bij het Hof van Cassatie en tevens met als raadsman mr. Raf Verstraeten, advocaat bij de balie te Brussel,

III

J G,

beklaagde,

eiser,

met als raadsman mr. Filiep Deruyck, advocaat bij de balie te Antwerpen,

IV

PRODECO nv, met zetel te 2018 Antwerpen, Quinten Matsijslei 19,

beklaagde en burgerrechtelijk aansprakelijke partij,

eiseres,

de cassatieberoepen I, II, III en IV tegen

1. S D P,

burgerlijke partij,

2. S D P,

burgerlijke partij,

3. P D P,

burgerlijke partij,

4. D K,

burgerlijke partij,

5. P D P,

burgerlijke partij,

6. P D P,

burgerlijke partij,

7. L D P,

burgerlijke partij,

8. K D P,

burgerlijke partij,

9. J D P,

burgerlijke partij,

10. A R, in eigen naam en als vertegenwoordiger van zijn minderjarige kinderen A R, Y R, S R en I R,

burgerlijke partij,

11. N A, in eigen naam en als vertegenwoordiger van haar minderjarige kinderen A R, Y R, S R en I R,

burgerlijke partij,

12. P V, in eigen naam en als vertegenwoordiger van haar minderjarige kinderen A D P en Y D P,

burgerlijke partij,

13. AG INSURANCE nv, met zetel te 1000 Brussel, E. Jacqmainlaan 53,

burgerlijke partij,

voor de cassatieberoepen I, II en III, vertegenwoordigd door mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie,

verweerders.

V

AG INSURANCE nv, reeds vermeld,

burgerlijke partij,

eiseres,

tegen

1. G V D B, reeds vermeld,

beklaagde,

2. PRIMINVEST nv, reeds vermeld,

beklaagde,

3. J G, reeds vermeld,

beklaagde,

4. PRODECO nv, reeds vermeld,

beklaagde en burgerrechtelijk aansprakelijke partij,

5. CONIX ARCHITECS cvba, met zetel te 2000 Antwerpen, Cockerillkaai 18,

beklaagde,

verweerders.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Ant-werpen, correctionele kamer, van 19 april 2012.

In een memorie die aan dit arrest is gehecht, voert de eiser I een middel aan en in een aanvullende memorie die aan dit arrest is gehecht, een tweede middel.

In een memorie die aan dit arrest is gehecht, voert de eiseres II twee middelen aan en in een tweede memorie die aan dit arrest is gehecht, een derde middel.

In een memorie die aan dit arrest is gehecht, voert de eiser III twee middelen aan.

De eisers IV en V voeren geen middel aan.

In een akte neergelegd ter griffie van het Hof op 25 juli 2012 doet de eiseres II af-stand zonder berusting van haar cassatieberoep in de mate dat het arrest, na uit-spraak te hebben gedaan over het beginsel van aansprakelijkheid, aan de verweer-der 10 in eigen naam een provisioneel bedrag van 15.000 euro toekent, verder een gerechtsdeskundige aanstelt en de zaak in voortzetting stelt op 13 december 2012 en het aan de verweerster 13 een provisioneel bedrag van 50.000 euro toekent, verder een gerechtsdeskundige aanstelt en de zaak in voortzetting stelt op 13 de-cember 2012.

In een tweede akte neergelegd ter griffie van het Hof op 30 juli 2012 doet de eise-res II afstand zonder berusting van haar cassatieberoep, in de mate dat de bestre-den beslissing op burgerlijk gebied ten aanzien van de verweerster 13 houdende de toekenning van een provisioneel bedrag met de aanstelling van een geneesheer-deskundige, niet definitief is in de zin van artikel 416, tweede lid, Wetboek van Strafvordering en geen uitspraak doet in één van de gevallen voorzien bij artikel 416, tweede lid, van hetzelfde wetboek.

Plaatsvervangend advocaat-generaal Marc De Swaef heeft op 30 januari 2014 een schriftelijke conclusie neergelegd.

Raadsheer Antoine Lievens heeft verslag uitgebracht en plaatsvervangend advo-caat-generaal Marc De Swaef heeft geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Ontvankelijkheid van de cassatieberoepen

1. Verweerster 13 werpt twee gronden van niet-ontvankelijkheid op van het cassatieberoep van de eiser I:

- in zoverre de eiser I met zijn cassatieberoep ook de beschikkingen beoogt die hem niet aanbelangen, is het cassatieberoep niet ontvankelijk;

- in zoverre de eiser I cassatieberoep aantekent tegen de beslissing waarbij hij op burgerlijk vlak veroordeeld wordt tot betaling van een provisionele vergoeding aan de verweerster 13 en waarbij, alvorens verder uitspraak te doen op ver-weersters burgerlijke vordering, een deskundige wordt aangesteld, is het cassa-tieberoep evenzeer niet ontvankelijk.

2. Verweerster 13 werpt een grond van niet-ontvankelijkheid op van het cassa-tieberoep van de eiseres II: deze eiseres heeft geen belang om op te komen tegen de beslissing op de strafvordering, waarbij haar hoger beroep niet-ontvankelijk werd verklaard in zoverre het opkwam tegen de beslissing van het beroepen von-nis waarbij zij werd vrijgesproken voor de telastleggingen C.7 en C.10 en zij voor de overige telastleggingen vrijgesproken werd zonder kosten.

3. Verweerster 13 werpt drie gronden van niet-ontvankelijkheid op van het cassatieberoep van de eiser III:

- in zoverre de eiser met zijn cassatieberoep ook de beschikkingen beoogt die hem niet aanbelangen, is het cassatieberoep niet ontvankelijk;

- het is evenmin ontvankelijk in zoverre het gericht is tegen de beslissing die zijn hoger beroep op de strafvordering niet ontvankelijk verklaarde in zoverre het gericht werd tegen de beslissing van het beroepen vonnis die hem voor de te-lastleggingen C.7 en C.10 vrijsprak;

- in zoverre de eiser cassatieberoep instelt tegen de beslissing waarbij hij op burgerlijk vlak veroordeeld wordt tot betaling van een provisionele vergoeding aan verweerster 13 en waarbij, alvorens verder uitspraak te doen op verweer-sters burgerlijke vordering, een deskundige wordt aangesteld, is het cassa-tieberoep evenmin ontvankelijk.

4. De gronden van niet-ontvankelijkheid van de cassatieberoepen van de eisers I en III preciseren niet welke de beschikkingen van het arrest zijn die deze eisers niet aanbelangen.

In zoverre zijn de gronden van niet-ontvankelijkheid onnauwkeurig en worden ze verworpen.

5. De verweerster 13 heeft geen hoedanigheid om de niet-ontvankelijkheid op te werpen van de cassatieberoepen van de eisers II en III in zoverre ze gericht zijn tegen de beslissingen waarbij het arrest het hoger beroep van die eisers niet-ontvankelijk verklaart in zoverre gericht tegen de beslissingen van het beroepen vonnis die deze eisers voor bepaalde telastleggingen vrijspreekt, en in zoverre het arrest diezelfde eisers voor de telastleggingen C7 en C10 vrijspreekt.

In zoverre worden de gronden van niet-ontvankelijkheid eveneens verworpen.

6. Het arrest veroordeelt de eiser I en III tot betaling van een voorschot aan de verweerster 13 en stelt een medische deskundige aan alvorens verder uitspraak te doen. Aldus bevat het arrest geen eindbeslissing noch een uitspraak in een der ge-vallen bedoeld in artikel 416, tweede lid, Wetboek van Strafvordering.

In zoverre ook tegen die beslissing gericht, is het cassatieberoep voorbarig, mits-dien niet ontvankelijk.

In zoverre zijn de gronden van niet-ontvankelijkheid van de cassatieberoepen I en III gegrond.

7. Het arrest verklaart het hoger beroep van de eiseres II niet ontvankelijk in zoverre gericht tegen de vrijspraak voor de feiten C.7 en C.10 en verklaart haar niet schuldig aan de feiten A.2, C.1, C.3, C.6, C.7, C.9, C.10 zowel in hun initiële omschrijving als in hun geactualiseerde omschrijving, E.1 en E.2 zoals verbeterd, spreekt haar daarvan vrij, ontslaat haar van elke uit dien hoofde tegen haar inge-stelde rechtsvervolging en laat de kosten van deze strafvordering in beide aanleg-gen ten laste van de Staat.

In zoverre tegen deze beslissingen gericht, is het cassatieberoep van de eiseres II bij gebrek aan belang niet ontvankelijk.

8. Het arrest verklaart het hoger beroep van de eiser III niet ontvankelijk in zo-verre gericht tegen de vrijspraak voor de feiten C.7 en C.10 en verklaart hem niet schuldig aan dezelfde telastleggingen zowel in hun initiële omschrijving als in hun geactualiseerde omschrijving, spreekt hem daarvan vrij en ontslaat hem van elke uit dien hoofde tegen hem ingestelde rechtsvervolging.

In zoverre tegen deze beslissingen gericht, is het cassatieberoep van de eiser III bij gebrek aan belang niet ontvankelijk.

9. Het arrest verklaart de eiseres IV niet schuldig aan de telastleggingen A.2 zowel in hun initiële omschrijving als in hun geactualiseerde omschrijving, E.1 en E.2 zoals verbeterd, spreekt haar ervan vrij en ontslaat haar van elke uit dien hoofde tegen haar ingestelde rechtsvervolging en laat de kosten van deze strafvor-dering in beide aanleggen ten laste van de Staat.

In zoverre tegen deze beslissingen gericht is het cassatieberoep van de eiseres IV bij gebrek aan belang niet ontvankelijk.

10. Het arrest verleent akte aan de verweerster 11 in eigen naam van het feit dat zij haar rechtsvordering tegen de eiseres IV niet handhaaft.

In zoverre ook tegen die beslissing gericht, is het cassatieberoep van de eiseres IV bij gebrek aan belang niet ontvankelijk.

11. Het arrest veroordeelt de eiser I en III tot betaling van een voorschot aan de verweerster 10 en stelt een medische deskundige aan alvorens verder uitspraak te doen. Aldus bevat het arrest geen eindbeslissing noch een uitspraak in een der ge-vallen bedoeld in artikel 416, tweede lid, Wetboek van Strafvordering.

In zoverre ook tegen die beslissing gericht, is het cassatieberoep voorbarig, mits-dien niet ontvankelijk.

Eerste middel van de eiser I

12. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en de artikelen 66 tot 68 Strafwetboek: het arrest stelt niet vast dat de eiser op de hoogte was van de gebrekkige coördinatie van de werkzaamheden met het oog op de veiligheid op de bouwplaats en dat hij wetens en willens daaraan via gekwalificeerde onthouding heeft medegewerkt; het stelt evenmin vast dat de eiser bewust aan verdere kennis over het misdrijf verzaakte.

13. Anders dan waarvan het middel uitgaat, veroordeelt het arrest de eiser niet wegens deelneming door onthouding maar als dader omdat hij een wettelijke plicht niet heeft vervuld, met name het nemen van de vereiste coördinatie- en vei-ligheidsmaatregelen.

Het middel dat berust op een onjuiste lezing van het arrest, mist feitelijke grond-slag.

Tweede middel van de eiser I

14. Het middel voert schending aan van artikel 18 Arbeidsovereenkomstenwet: de opzettelijke fout in die bepaling vereist dat de schadeverwekker niet enkel het feit wil veroorzaken waaruit de schade voortvloeit, maar ook de schadelijke ge-volgen zelf; door enerzijds vast te stellen dat de eiser een opzettelijke fout beging en anderzijds te oordelen dat de eiser de schadelijke gevolgen van de door hem wetens en willens begane fout niet heeft gewild, kon het arrest niet wettig oorde-len dat de eiser zich niet kan beroepen op artikel 18 Arbeidsovereenkomstenwet.

15. Krachtens artikel 18, eerste en tweede lid, Arbeidsovereenkomstenwet is de werknemer die bij de uitvoering van zijn overeenkomst de werkgever of derden schade berokkent, enkel aansprakelijk voor zijn bedrog en zijn zware schuld. Voor lichte schuld is hij enkel aansprakelijk als die bij hem eerder gewoonlijk dan toevallig voorkomt.

16. Bedrog in de zin van artikel 18 Arbeidsovereenkomstenwet, vereist dat de schadeverwekker niet enkel het feit wil veroorzaken waaruit de schade voort-vloeit, maar ook de schadelijke gevolgen ervan.

Zware schuld zoals bedoeld in artikel 18 Arbeidsovereenkomstenwet, vereist niet dat de schadeverwekker het feit en de schadelijke gevolgen ervan heeft willen veroorzaken.

17. Het arrest (p. 48) oordeelt: (...) "Wat de buitencontractuele aansprakelijk-heid betreft dient het begrip "bedrog" (of opzettelijke fout) in de zin van artikel 18, in tegenstelling tot het begrip "zware fout" waarbij het element "opzet" ont-breekt, te worden geïnterpreteerd in de zin van bewuste miskenning van een rechtsnorm die een welomschreven gebod of verbod oplegt of van de algemene zorgvuldigheidsnorm.

Deze interpretatie sluit niet alleen aan bij de overeenstemmende betekenis van het strafrechtelijke begrip "algemeen opzet", maar stemt ook overeen met het aan-sprakelijkheidsrecht waarin veroorzaken van schade niet noodzakelijk een fout is, zodat in essentie de begripsomschrijving eerder dient aangeknoopt aan de foutieve daad (handeling of nalaten) zelf en de daaraan verbonden karakteristieken, dan aan de schadelijke gevolgen ervan. [De eiser] heeft in casu als werknemer een gekwalificeerde fout begaan die in causaal verband staat met de schade in hoofde van de burgerlijke partijen.

Hij heeft op penaal vlak gehandeld met het opzet om wetens en willens de straf-rechtelijk geboden handelingen op het vlak van de veiligheid van de werknemers na te laten (inbreuk op Welzijnswet).

Geen der gegevens van het dossier laat toe vast te stellen of aannemelijk te maken dat hij in casu het slachtoffer werd van een onoverwinnelijke dwaling of dat de feiten in zijnen hoofde overmacht uitmaken die zijn schuld uitsluit.

Om de voormelde redenen kan [de eiser] zich niet beroepen op voormeld artikel 18 W.A.O."

Met die redenen oordeelt het arrest dat de immuniteitsregel van artikel 18 Ar-beidsovereenkomstenwet niet wordt toegepast wegens bedrog gepleegd door de eiser, zonder vast te stellen dat de eiser de schadelijke gevolgen heeft gewild. Door aldus te oordelen schendt het arrest artikel 18 Arbeidsovereenkomstenwet.

Het middel is gegrond.

Eerste middel van de eiser III

18. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en de artikelen 66 tot en met 68 Strafwetboek: het arrest stelt niet vast dat de eiser op de hoogte was van de gebrekkige coördinatie van de werkzaamheden met het oog op de veiligheid op de bouwplaats en dat hij wetens en willens daaraan via gekwalificeerde onthouding heeft medegewerkt; het stelt evenmin vast dat de eiser bewust aan verdere kennis over het misdrijf verzaakte.

19. Anders dan waarvan het middel uitgaat, veroordeelt het arrest de eiser niet wegens deelneming door onthouding maar als dader omdat hij een wettelijke plicht niet heeft vervuld, met name het nemen van de vereiste coördinatie- en vei-ligheidsmaatregelen.

Het middel dat berust op een onjuiste lezing van het arrest, mist feitelijke grond-slag.

Tweede middel van de eiser III

20. Het middel voert schending aan van artikel 128 Sociaal Strafwetboek: door-dat het arrest niet vaststelt dat de eiser de door artikel 128 Sociaal Strafwetboek vereiste hoedanigheid van werkgever, diens aangestelde of lasthebber bezit, kon het hem niet wettig veroordelen wegens de feiten van de telastleggingen C.1 en C.3.

21. Krachtens artikel 128 Sociaal Strafwetboek wordt, onverminderd de artike-len 119 tot 122, 129 tot 132 en 190 tot 192, met een sanctie van niveau 3 bestraft, de werkgever, zijn aangestelde of lasthebber, die inbreuk heeft gepleegd op de be-palingen van de Wet Welzijn Werknemers.

De inbreuk wordt bestraft met een sanctie van niveau 4 wanneer ze gezondheids-schade of een arbeidsongeval tot gevolg heeft gehad voor een werknemer.

De rechter kan bovendien de straffen bepaald in de artikelen 106 en 107 uitspre-ken.

22. Uit deze bepaling volgt dat zowel de werkgever, zijn aangestelde of last-hebber strafbaar zijn voor de erin bedoelde inbreuk, zodat de rechter bij gebrek aan daartoe strekkende conclusie niet uitdrukkelijk dient te preciseren of de be-klaagde wordt veroordeeld als werkgever, dan wel als aangestelde of lasthebber.

Het middel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt naar recht.

Tweede middel van de eiseres II

23. Het middel voert schending aan van artikel 67 Wetboek van Strafvordering en artikel 807 Gerechtelijk Wetboek: doordat de verweerders 10 en 11 in eerste aanleg geen burgerlijke rechtsvordering aanhangig hebben gemaakt namens hun minderjarig kind I R, kon het arrest die vordering niet als een uitbreiding van hun vordering ingesteld in eigen naam aannemen, zodat die vordering niet ontvankelijk kon worden verklaard.

24. De burgerlijke partij kan, overeenkomstig de artikelen 807 en 1042 Gerech-telijk Wetboek, zelfs in hoger beroep, de vordering die met toepassing van de ar-tikelen 3 en 4 Voorafgaande titel Wetboek van Strafvordering voor de strafrechter aanhangig is, uitbreiden of wijzigen, mits de uitbreiding of de wijziging blijft be-rusten op het aan de beklaagde ten laste gelegde misdrijf.

25. Een nieuwe vordering gesteld door een formele procespartij als wettige ver-tegenwoordiger van een materiële procespartij die als dusdanig nog niet betrokken is in het geding, is geen uitbreiding van een reeds ingestelde vordering door die-zelfde formele procespartij in eigen naam of als wettige vertegenwoordiger van een andere materiële procespartij.

26. Het arrest (p. 51) oordeelt dat, wat de minderjarige I R betreft, de uitbrei-ding van de eis van de verweerders 10 en 11 in hoger beroep ontvankelijk is daar zij gesteund is op de aan de eisers I en III ten laste gelegde en bewezen verklaarde feiten. Aldus is de beslissing niet naar recht verantwoord.

Het middel is gegrond.

Eerste middel en eerste onderdeel van het derde middel van de eiseres II

27. Het eerste middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: het arrest antwoordt niet op het middel van de eiseres dat zij over de eiser III geen gezag, leiding of toezicht uitoefende en dat de fout die zou begaan zijn door de eiser III gemaakt werd buiten de bediening waarvoor hij werd aangesteld en kaderen in zijn functie van afgevaardigd bestuurder van de eiseres IV.

Het eerste onderdeel van het derde middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en artikel 1384, derde lid, Burgerlijk Wetboek: het arrest antwoordt niet op het verweer dat elke band van ondergeschiktheid tussen de eiseres II en de eiser III ontbreekt.

28. Alhoewel het arrest (p. 32) vaststelt dat de eiser III afgevaardigd bestuurder is van de eiseres II, neemt het aan dat de eiseres II als burgerrechtelijk aansprake-lijke persoon mede dient in te staan voor de kosten en schadevergoeding die het gevolg zijn van het handelen of nalaten van haar aangestelde, de eiser III, met verwijzing naar artikel 1384 Burgerlijk Wetboek, zonder te antwoorden op het verweer dat elke band van ondergeschiktheid ontbreekt.

Het middel en het onderdeel zijn gegrond.

De overige onderdelen van het derde middel van de eiseres II

29. De overige onderdelen van het derde middel van de eiseres kunnen niet tot ruimere cassatie of cassatie zonder verwijzing leiden en behoeven mitsdien geen antwoord.

Omvang van de cassatie

30. De vernietiging van de beslissing over het beginsel van aansprakelijkheid met betrekking tot de door de verweerders 10 en 13 tegen de eiser I en II ingestel-de burgerlijke rechtsvorderingen, brengt de vernietiging met zich mee van de niet definitieve beslissingen waarbij deze eisers worden veroordeeld tot schadevergoe-ding aan de vermelde verweerders en, ook al zijn de cassatieberoepen daartegen niet-ontvankelijk en al werd daarvan door de eiseres II afstand gedaan waarvoor er bijgevolg geen grond bestaat.

Dictum

Het Hof,

Vernietigt het bestreden arrest in zoverre het:

- beslist dat de eiser I zich niet kan beroepen op artikel 18 Arbeidsovereenkom-stenwet;

- uitspraak doet over de tegen de eiser I door de verweerders ingestelde burger-lijke rechtsvorderingen;

- uitspraak doet over de tegen de eiseres II ingestelde burgerlijke rechtsvordering van de verweerders 10 en 11 in hun hoedanigheid van vertegenwoordigers van hun minderjarig kind I R;

- uitspraak doet over de overige tegen de eiseres II ingestelde burgerlijke rechts-vorderingen en deze eiseres burgerrechtelijk aansprakelijk verklaart voor de kosten ten laste van de eiser III.

Verwerpt de cassatieberoepen voor het overige.

Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeel-telijk vernietigde arrest.

Veroordeelt de eiser I tot de helft van de kosten van zijn cassatieberoep en de verweerders 1 tot 13 tot de andere helft ervan.

Veroordeelt de verweerders 1 tot 13 tot de kosten van het cassatieberoep van de eiseres II.

Veroordeelt de eisers III, IV en V tot de kosten van hun cassatieberoep.

Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Gent.

Bepaalt de kosten op in het geheel op 738,34 euro waarvan op de cassatieberoepen I, II, III en IV elk 147,64 euro verschuldigd is en op het cassatieberoep V 117,78 euro.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samen-gesteld uit afdelingsvoorzitter Paul Maffei, als voorzitter, afdelingsvoorzitter Luc Van hoogenbemt, de raadsheren Alain Smetryns, Peter Hoet en Antoine Lievens, en op de openbare rechtszitting van 11 maart 2014 uitgesproken door afdelings-voorzitter Paul Maffei, in aanwezigheid van plaatsvervangend advocaat-generaal Marc De Swaef, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche.

K. Vanden Bossche

A. Lievens P. Hoet

A. Smetryns L. Van hoogenbemt P. Maffei

Vrije woorden

  • Artikel 18 Arbeidsovereenkomstenwet

  • Bedrog

  • Zware schuld