- Arrest van 11 maart 2014

11/03/2014 - P.13.0878.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
De onderzoeksrechter moet de bij hem aanhangig gemaakte feiten volledig onderzoeken en alle inlichtingen inwinnen die de waarheid omtrent die feiten aan het licht kunnen brengen; hij dient daarvoor de nodige opsporingen te doen of laten doen omtrent alle feitelijke gegevens en gedragingen die van aard kunnen zijn het bewijs te leveren van de constitutieve bestanddelen van het misdrijf dat het voorwerp van het onderzoek is of een beeld te geven van de persoonlijkheid van de verdachte en diens gedrag; indien hij tijdens het gerechtelijk onderzoek naar de bij hem aanhangig gemaakte feiten aanwijzingen vaststelt van daarmee verwante, maar bij hem niet aanhangig gemaakte feiten, mag hij op grond van handelingen van opsporingsonderzoek alle inlichtingen inwinnen die de waarheid daarover aan het licht kunnen brengen (1). (1) Cass. 22 okt. 2003, AR P.03.1150.F, AC 2003, nr. 521 en Cass. 24 febr. 2009, AR P.08.1755.N, AC 2009, nr. 152.

Arrest - Integrale tekst

Nr. P.13.0878.N

B B A,

inverdenkinggestelde,

eiser,

met als raadsman mr. Luc Arnou, advocaat bij de balie te Brugge.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwer-pen, kamer van inbeschuldigingstelling, van 21 maart 2013.

De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan.

Raadsheer Luc Van hoogenbemt heeft verslag uitgebracht.

Plaatsvervangend advocaat-generaal Marc De Swaef heeft geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Ontvankelijkheid van het cassatieberoep

1. Het arrest verklaart het hoger beroep tegen de beschikking van de raadkamer niet ontvankelijk in zoverre deze oordeelt dat er tegen de eiser voldoende be-zwaren bestaan en hem naar de correctionele rechtbank verwijst. Aldus bevat het arrest geen eindbeslissing noch een uitspraak in een der gevallen bedoeld in artikel 416, tweede lid, Wetboek van Strafvordering.

In zoverre ook tegen die beslissing gericht, is het cassatieberoep niet ontvankelijk.

Eerste middel

2. Het middel voert schending aan van artikel 56 Wetboek van Strafvordering en de artikelen 8, 8/2, 8/6, 8/7 en 8/8 Wet Politieambt, evenals miskenning van het principe van de scheiding van het recht tot onderzoek en het recht van vervolging: het arrest oordeelt dat de strafvordering voor de telastleggingen A.II en D.II ten nadele van J Y, evenals A.II en D.III ten nadele van L R niet onontvankelijk is; de feiten ten nadele van J Y en L R zijn echter gebleken door een verhoor waartoe de onderzoeksrechter opdracht had gegeven op een ogenblik dat daarvoor geen gerechtelijk onderzoek was gevorderd; het uitschrijven van de opdracht tot ver-hoor van een persoon naar aanleiding van een voorgaande weigering van die persoon een verklaring af te leggen, is een handeling die eigen is aan het ambt van onderzoeksrechter; door te aanvaarden dat de onderzoeksrechter in die omstan-digheden rechtsgeldig opdracht kon geven tot een politioneel verhoor terwijl het arrest vaststelt dat de onderzoeksrechter niet gevat was, aanvaardt het arrest dat de onderzoeksrechter zich inmengt in het recht op vervolging.

3. De onderzoeksrechter mag zijn gerechtelijk onderzoek niet uitbreiden naar andere feiten dan deze die zijn aangegeven in de akte van aanhangigmaking.

De aanwezigheid van stukken met betrekking tot feiten die niet opgenomen zijn in de akte van aanhangigmaking, leidt evenwel niet noodzakelijk tot de onontvanke-lijkheid van de strafvordering met betrekking tot die feiten.

De onderzoeksrechter moet de bij hem aanhangig gemaakte feiten volledig onder-zoeken en alle inlichtingen inwinnen die de waarheid omtrent die feiten aan het licht kunnen brengen. Hij dient daarvoor de nodige opsporingen te doen of laten doen omtrent alle feitelijke gegevens en gedragingen die van aard kunnen zijn het bewijs te leveren van de constitutieve bestanddelen van het misdrijf dat het voor-werp van het onderzoek is of een beeld te geven van de persoonlijkheid van de verdachte en diens gedrag.

Indien hij tijdens het gerechtelijk onderzoek naar de bij hem aanhangig gemaakte feiten aanwijzingen vaststelt van daarmee verwante, maar bij hem niet aanhangig gemaakte feiten, mag hij op grond van handelingen van opsporingsonderzoek alle inlichtingen inwinnen die de waarheid daarover aan het licht kunnen brengen.

4. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt dat:

- op 13 februari 2010 een gerechtelijk onderzoek gevorderd werd met betrek-king tot verkrachting van de minderjarige Angelique D W, aanranding van de eerbaarheid met geweld van dezelfde persoon, evenals verspreiding en bezit van kinderporno;

- de opgeworpen onontvankelijkheid betrekking heeft op feiten van aanzetting tot ontucht en aanranding van de eerbaarheid met geweld van de minderjari-gen J Y en L R;

- de onderzoeksrechter beide minderjarigen heeft laten verhoren vooraleer hij voor die feiten bijkomend gelast werd.

De appelrechters stellen vast dat de onderzoeksrechter, vooraleer hij ter zake ge-last werd door de procureur des Konings, geen onderzoekshandelingen met be-trekking tot die minderjarigen heeft gesteld die behoren tot zijn eigen bevoegd-heid, maar uitsluitend via politionele verhoren inlichtingen heeft verzameld. Aldus oordelen de appelrechters dat de procureur des Konings niet belemmerd is geworden in zijn beoordelingsvrijheid de nieuw ontdekte feiten al dan niet te ver-volgen en verantwoorden zij hun beslissing dat de strafvordering dienaangaande ontvankelijk is, naar recht.

Het middel kan niet worden aangenomen.

Tweede middel

Eerste onderdeel

5. Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 1319, 1320 en 1322 Burgerlijk Wetboek, evenals miskenning van de bewijskracht van geschreven stukken: het arrest oordeelt dat uit niets blijkt dat de eiser vóór 19.35 uur, te weten het tijdstip waarop hem werd meegedeeld dat hij krachtens een beslissing van de procureur des Konings werd gearresteerd, van zijn vrijheid van komen en gaan was benomen, zodat hij zich niet in een kwetsbare positie bevond en er geen reden is om te beslissen tot een onherstelbare miskenning van het recht van verdediging of het recht op een eerlijk proces ingevolge het gebrek aan bijstand van een raadsman; het arrest miskent aldus de bewijskracht van de stukken 358, 357 en 349 van het dossier waaruit blijkt dat niet de procureur des Konings maar de onderzoeksrechter aan de opsteller heeft meegedeeld dat de eiser werd gearresteerd en dat deze arrestatie inging vanaf 12.55 uur; het miskent bovendien eisers conclusie waarin geenszins verwezen werd "naar de beslissing van de procureur des Konings (stuk 357), maar uitdrukkelijk naar stuk 358 om daaruit af te leiden dat de eiser gearresteerd was om 12.55 uur".

6. De vaststelling van het arrest dat de eiser van zijn vrijheid werd beroofd in-gevolge een beslissing van de procureur des Konings daar waar die beslissing ge-nomen werd door de onderzoeksrechter, is vreemd aan de beoordeling van het werkelijke tijdstip van vrijheidsberoving. Die foutieve vermelding kan bijgevolg de eiser niet grieven.

In zoverre is het onderdeel bij gebrek aan belang niet ontvankelijk.

7. Voor het overige geven de appelrechters geen uitlegging van de in het on-derdeel bedoelde stukken, maar beoordelen zij de bewijswaarde ervan.

In zoverre is het onderdeel evenmin ontvankelijk.

Tweede onderdeel

8. Het onderdeel voert schending aan van artikel 6 EVRM, evenals miskenning van het begrip "materiële vergissing" en de fundamentele grondrechten van ver-dediging: het arrest oordeelt dat een vergissing was begaan door de onderzoeks-rechter omtrent het tijdstip van arrestatie; uit de bewoordingen van de stukken 349, 357 en 358 van het strafdossier blijkt dat de onderzoeksrechter uitdrukkelijk heeft beslist dat de eiser vanaf 12.55 uur was gearresteerd en dit uur heeft doorge-geven aan de verbalisant die dat uur in die stukken niet foutief heeft genoteerd; dergelijke gefundeerde beslissing van de onderzoeksrechter kan niet rechtgezet worden als een "vergissing".

9. Artikel 1.2° Voorlopige Hechteniswet bepaalt dat een persoon van zijn vrij-heid is benomen op het ogenblik dat hij, ten gevolge van het optreden van de agent van de openbare macht, niet meer beschikt over de vrijheid van komen en gaan.

10. Het onderzoeksgerecht is bevoegd het exacte tijdstip van de vrijheidsbene-ming dat in een proces-verbaal, opgemaakt door de politie, wordt vermeld, te be-oordelen. Het feit dat dit proces-verbaal vermeldt dat de beslissing tot vrijheids-beneming uitgaat van een magistraat, doet hieraan geen afbreuk.

In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.

11. Het verlies van de vrijheid van komen en gaan is een feitenkwestie die in concreto moet worden beoordeeld met inachtneming van de bijzondere omstan-digheden, eigen aan de zaak.

In zoverre het onderdeel opkomt tegen het onaantastbaar oordeel van de appel-rechters of het Hof verplicht tot een onderzoek van feiten, waarvoor het niet be-voegd is, is het niet ontvankelijk.

Derde onderdeel

12. Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 6.1 en 13 EVRM, de ar-tikelen 127, 128, 129, 130, 131, 135, 223 en 235bis Wetboek van Strafvordering, evenals miskenning van de algemene beginselen van het recht van verdediging, het recht op tegenspraak, het contradictoir karakter van de regeling van rechtspleging voor de onderzoeksgerechten en de motiveringsplicht voor de onderzoeksge-rechten: het arrest oordeelt dat het tijdstip van arrestatie van de eiser niet 12.55 uur is, zoals de eiser voorhoudt, maar wel 19.35 uur en komt tot dat besluit op grond van de enkele vaststelling dat "uit niets blijkt dat de [eiser] voor 19.35 uur, het tijdstip van mededeling van arrestatie op bevel van de procureur des Konings, was benomen van zijn vrijheid van komen en gaan"; deze beslissing is niet naar recht gemotiveerd nu zij "nergens aanduidt op grond van welke feitelijke vaststel-lingen deze is vooropgesteld"; zij is eveneens gesteund op een niet-bestaande be-slissing van de procureur des Konings; uit de bewoordingen van de stukken van het strafdossier blijkt dat de onderzoeksrechter niet meer de intentie had de eiser nog te laten beschikken over zijn vrijheid van komen en gaan vanaf het ogenblik dat de eiser zich voor verhoor had aangeboden; de kamer van inbeschuldiging-stelling vermocht uit de aangereikte feitelijkheden niet af te leiden dat er geen vrijheidsberoving was vóór 19.35 uur en dat de andersluidende vermelding in het dossier een vergissing was; dit geldt des te meer nu in conclusie was opgegeven waarom de vrijheidsberoving was beginnen lopen om 12.55 uur.

13. De eiser heeft in conclusie in het kader van zijn Salduzverweer enkel als volgt geargumenteerd over het uur van vrijheidsbeneming: "In elk geval was hij van zijn vrijheid beroofd. Dat blijkt ook uit stuk 358, waar staat dat hij is gear-resteerd vanaf 12.55 u. Het verhoor is begonnen om 13 u. (stuk 357)."

14. In zoverre het onderdeel verwijst naar de niet-bestaande beslissing van de procureur des Konings tot vrijheidsbeneming, is het afgeleid uit het vergeefs aan-gevoerde eerste onderdeel van dit middel.

In zoverre is het onderdeel niet ontvankelijk.

15. Het verlies van de vrijheid van komen en gaan is een feitenkwestie die in concreto moet worden beoordeeld met inachtneming van de bijzondere omstan-digheden, eigen aan de zaak.

Het Hof gaat enkel na of de appelrechters uit de door hen vastgestelde feiten geen gevolgen trekken die daarmee geen verband houden of op grond daarvan niet kunnen worden verantwoord.

16. Op grond van de vaststellingen die het arrest bevat, stellen de appelrechters onaantastbaar vast dat:

- uit het proces-verbaal van verhoor blijkt dat de eiser zich vrijwillig heeft aan-geboden voor verhoor;

- het tijdstip van aanbieding in het politiekantoor zich situeert om 12.55 uur;

- uit niets blijkt dat de eiser vóór 19.35 uur, het tijdstip van mededeling van ar-restatie op bevel van de procureur des Konings (lees onderzoeksrechter) was benomen van zijn vrijheid van komen en gaan.

17. Op grond van voormelde vaststellingen die aan de tegenspraak waren on-derworpen, vermochten de appelrechters wettig te oordelen dat het uur van vrij-heidsbeneming niet 12.55 uur maar wel 19.35 uur was. Gelet op het voormelde, beperkte verweer terzake, dienden zij die beslissing niet verder te motiveren.

In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen.

18. Voor het overige komt het onderdeel op tegen het onaantastbaar oordeel van de appelrechters of verplicht het tot een onderzoek van feiten, waarvoor het Hof niet bevoegd is.

In zoverre is het onderdeel niet ontvankelijk.

Vierde onderdeel

19. Het onderdeel voert schending aan van artikel 6 EVRM: het arrest oordeelt dat er geen redenen waren om te besluiten tot een onherstelbare miskenning van het recht van verdediging en het recht op een eerlijk proces, of tot bewijsuit-sluiting; nochtans stelt het arrest vast dat er geen recht op bijstand van een raads-man is geweest, alsook dat de eiser niet voorafgaand aan zijn verhoor verwittigd is geweest van dat recht of zijn zwijgrecht; de miskenning hiervan is onherroepelijk en kan door de latere bijstand van een raadsman niet worden hersteld.

20. Het recht op bijstand van een advocaat gewaarborgd bij artikel 6.3 EVRM, zoals uitgelegd door het Europees Hof van de Rechten van de Mens, houdt in dat er gedurende het volledige vooronderzoek toegang moet zijn tot een advocaat, tenzij is aangetoond dat er wegens de bijzondere omstandigheden van de zaak dwingende redenen zijn om dit recht te beperken. Zelfs in dat geval mag een der-gelijke beperking, wat ook de rechtvaardiging ervan is, niet onrechtmatig de rech-ten van de verdachte zoals beschermd bij artikel 6.1 en 6.3 EVRM beperken.

Het recht op een eerlijk proces gewaarborgd door artikel 6.1 EVRM, zoals uitge-legd door het Europees Hof van de Rechten van de Mens, vereist slechts dat een verdachte bijstand van een advocaat wordt verleend tijdens zijn verhoor door de politie, in zoverre hij zich in een bijzonder kwetsbare positie bevindt.

In zoverre het onderdeel ervan uitgaat dat een verdachte bij zijn verhoor steeds bijstand moet hebben van een raadsman, faalt het naar recht.

21. Met betrekking tot de voorgehouden schending van artikel 6.3.c EVRM, voortvloeiend uit de afwezigheid van bijstand van een advocaat bij het verhoor van de eiser van 19 januari 2011, stellen de appelrechters vast dat:

- uit het proces-verbaal van verhoor blijkt dat de eiser zich vrijwillig heeft aan-geboden voor verhoor;

- de eiser op het ogenblik van dat verhoor nog niet van zijn vrijheid werd be-roofd;

- de eiser vooraf van zijn rechten op de hoogte werd gesteld, met de uitdrukke-lijke vermelding dat hij het recht had te weigeren om te antwoorden op de ge-stelde vragen en dat hij, na overleg met een raadsman, de mogelijkheid had een nieuw verhoor te vragen;

- nadat hem werd medegedeeld waarover hij zou worden ondervraagd en dat nadien de onderzoeksrechter op de hoogte zou worden gebracht, hij verklaarde dat hij zijn volledige medewerking aan het onderzoek zou verlenen;

- er op geen enkel ogenblik sprake was van misbruik of dwang.

Met die redenen oordelen de appelrechters wettig dat de eiser zich niet in een bij-zonder kwetsbare positie bevond, dat het feit dat hij alsdan verhoord werd zonder bijstand van een raadsman een eerlijke behandeling van de zaak niet in de weg staat en dat er geen reden is om de bedoelde verklaring nietig te verklaren en uit het dossier te verwijderen.

In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen.

Ambtshalve onderzoek van de beslissing

22. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiser tot de kosten.

Bepaalt de kosten op 104,01 euro.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samen-gesteld uit afdelingsvoorzitter Paul Maffei, als voorzitter, afdelingsvoorzitter Luc Van hoogenbemt, de raadsheren Alain Smetryns, Peter Hoet en Antoine Lievens, en op de openbare rechtszitting van 11 maart 2014 uitgesproken door afdelings-voorzitter Paul Maffei, in aanwezigheid van plaatsvervangend advocaat-generaal Marc De Swaef, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche.

K. Vanden Bossche

A. Lievens P. Hoet

A. Smetryns L. Van hoogenbemt P. Maffei

Vrije woorden

  • Onderzoeksrechter

  • Opdracht van de onderzoeksrechter

  • Feiten voorwerp van het onderzoek

  • Feiten gepleegd door middel van gedragingen of handelingen die op zich een misdrijf kunnen opleveren