- Arrest van 12 maart 2014

12/03/2014 - P.13.1820.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Artikel 33.1 van de wet betreffende de politie over het wegverkeer straft elke bestuurder van een voertuig die, wetend dat dit voertuig oorzaak van dan wel aanleiding tot een ongeval op een openbare plaats is geweest, de vlucht neemt om zich aan de dienstige vaststellingen te onttrekken, zelfs als het ongeval niet aan zijn schuld te wijten is; de dienstige vaststellingen zijn niet enkel de vaststellingen die nodig zijn om de respectievelijke aansprakelijkheden voor het ongeval te bepalen, maar ook de vaststellingen inzake de toestand van de dader.

Arrest - Integrale tekst

Nr. P.13.1820.F

F. P.,

Mrs. André Brouyaux, advocaat bij de balie te Marche-en-Famenne, en Dominique Clicheroux, advocaat bij de balie te Nijvel.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis in hoger beroep van de correctionele rechtbank te Marche-en-Famenne van 2 oktober 2013.

De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan.

Raadsheer Benoît Dejemeppe heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Damien Vandermeersch heeft geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste middel

Het vonnis verklaart de eiser schuldig aan het niet-naleven van de verplichtingen opgelegd door artikel 52.2 Wegverkeersreglement toen hij bij een ongeval betrok-ken was (telastlegging B) en het besturen van een voertuig ondanks een verval-lenverklaring, met overtreding van artikel 48, § 2, Wegverkeerswet (telastlegging C).

Krachtens artikel 68 van de voormelde wet verjaren die overtredingen door ver-loop van een jaar te rekenen van de dag waarop ze zijn begaan.

De feiten hebben plaatsgevonden op 4 oktober 2011. Aangezien de laatste verja-ringstuitende daad bestond in het bevel tot dagvaarding van 27 september 2012, uitgaande van het openbaar ministerie, is de verjaring ingetreden op 26 september 2013.

Daaruit volgt dat de rechtbank, op de dag van het vonnis, de strafvordering we-gens de voormelde telastleggingen vervallen had moeten verklaren.

Het middel is gegrond.

Tweede middel

Het middel voert de miskenning aan van het algemeen rechtsbeginsel van de strik-te interpretatie van het strafrecht en de schending van artikel 33, § 1, Wegver-keerswet. De eiser, die vervolgd wordt wegens vluchtmisdrijf, verwijt de appel-rechters dat ze hem schuldig hebben verklaard omdat hij niet heeft voldaan aan de verplichting de politiediensten te verwittigen, zodat tot de dienstige vaststellingen kon worden overgegaan.

Het voormelde artikel 33, § 1, straft elke bestuurder van een voertuig die, wetend dat dit voertuig oorzaak van dan wel aanleiding tot een ongeval op een openbare plaats is geweest, de vlucht neemt om zich aan de dienstige vaststellingen te ont-trekken, zelfs wanneer het ongeval niet aan zijn schuld te wijten is.

De dienstige vaststellingen zijn niet enkel de vaststellingen die nodig zijn om de respectieve aansprakelijkheden voor het ongeval te bepalen, maar ook de vaststel-lingen inzake de toestand van de dader.

In tegenstelling tot wat het middel aanvoert, oordeelt het vonnis niet dat het feit van de politie niet op te bellen na een ongeval, op zich reeds vluchtmisdrijf ople-vert.

Het wijst erop dat de eiser, gezien de bijzondere omstandigheden van het voorlig-gende geval, bewust de plaats heeft verlaten om zich aan alle dienstige vaststel-lingen te onttrekken, aangezien hij de politie had moeten verwittigen omdat hij wist dat hij zojuist een ongeval had veroorzaakt op een verlaten plaats en hij een voertuig bestuurde dat hem niet toebehoorde. De politie werd uiteindelijk verwit-tigd door zijn werkgever die zich ongerust maakte over het feit dat hij niet terug-keerde.

Die overwegingen miskennen het algemeen rechtsbeginsel niet en schenden evenmin de voormelde wetsbepaling.

Het middel kan niet worden aangenomen.

Ambtshalve onderzoek van de beslissing

Voor het overige zijn de substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen in acht genomen en is de beslissing overeenkomstig de wet gewe-zen. De onwettigheid van de beslissingen over de telastleggingen B en C leidt tot nietigverklaring van de beslissing over de straf die voor het geheel van de telast-leggingen is uitgesproken en van de beslissing tot bijdrage aan het Bijzonder fonds tot hulp aan de slachtoffers van opzettelijke gewelddaden. Ze heeft daarentegen geen invloed op de schuldigverklaring aan telastlegging A omdat de vernietiging wordt uitgesproken om een reden die geen verband houdt met de redenen die de beslissing verantwoorden.

Dictum

Het Hof,

Vernietigt het bestreden vonnis in zoverre het de telastleggingen B en C bewezen verklaart.

Zegt dat er vernietigd wordt zonder verwijzing.

Vernietigt het bestreden vonnis in zoverre het uitspraak doet over de straf en over de bijdrage aan het Bijzonder fonds tot hulp aan de slachtoffers van opzettelijke gewelddaden.

Verwerpt het cassatieberoep voor het overige.

Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeel-telijk vernietigde vonnis.

Veroordeelt de eiser tot de helft van de kosten van zijn cassatieberoep en laat de andere helft ten laste van de Staat.

Verwijst de aldus beperkte zaak naar de correctionele rechtbank te Luik, zitting houdende in hoger beroep.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, tweede kamer, te Brussel, door afdelingsvoorzitter ridder Jean de Codt, afdelingsvoorzitter Frédéric Close, de raadsheren Benoît Dejemeppe, Pierre Cornelis en Gustave Steffens, en in openbare terechtzitting van 12 maart 2014 uitgesproken door afdelingsvoorzitter ridder Jean de Codt, in aanwezigheid van advocaat-generaal Damien Vandermeersch, met bij-stand van griffier Fabienne Gobert.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van raadsheer Filip Van Volsem en over-geschreven met assistentie van afgevaardigd griffier Véronique Kosynsky.

De afgevaardigd griffier, De raadsheer,

Vrije woorden

  • Vluchtmisdrijf

  • Wil om zich aan de dienstige vaststellingen te onttrekken