- Arrest van 12 maart 2014

12/03/2014 - P.14.0129.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Wanneer de rechter de omschrijving wijzigt dient hij, enerzijds, vast te stellen dat het geherkwalificeerde feit hetzelfde is als dat waarop de strafvordering was gegrond en, anderzijds, erover te waken dat de beklaagde de gelegenheid krijgt zich tegen de nieuwe omschrijving te verdedigen; dat is het geval wanneer de omschrijving van het hoofdfeit en de omschrijving van de verzwarende omstandigheid, afzonderlijk genomen, niet nieuw zijn, maar de combinatie van beide, voor de eerste maal in hoger beroep, aan het feit een ander juridisch karakter toekent dan de akte van aanhangigmaking eraan had toegekend; het gaat nu met name om een misdrijf waarvan de verjaring niet meer door het eerste maar door het vierde lid van artikel 21 van de Voorafgaande Titel van het Wetboek van Strafvordering wordt geregeld (1). (1) Zie Cass., 13 jan. 1999, AR P.98.1521.F, AC 1999, nr. 21.

Arrest - Integrale tekst

Nr. P.14.0129.F

I. L. P.,

Mrs. Dominique Remy, Olivier Barthelemy, Barbara Rouard, Marie-Eve Materne en Géraldine Ottoul, advocaten bij de balie te Dinant,

II. R. M.,

cassatieberoepen tegen

1. J. D.,

2. A. D.,

3. F. W.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Luik, correctionele kamer, van 4 december 2013.

De eiser L. P. voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan.

Op de rechtszitting van 5 maart 2014 heeft raadsheer Benoît Dejemeppe verslag uitgebracht en heeft advocaat-generaal Raymond Loop geconcludeerd

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

A. Cassatieberoep van L. P.

1. In zoverre het cassatieberoep gericht is tegen de beslissing op de tegen hem ingestelde strafvordering

Eerste middel

Het middel voert aan dat het arrest artikel 6.3, a, EVRM schendt en het algemeen rechtsbeginsel van de eerbiediging van het recht van verdediging miskent. De eiser verwijt de appelrechters dat ze de omschrijving van het hem ten laste gelegde misdrijf hebben gewijzigd zonder hem daarvan eerst in kennis te hebben gesteld.

Wanneer de rechter de omschrijving wijzigt dient hij, enerzijds, vast te stellen dat het geherkwalificeerde feit hetzelfde is als dat waarop de strafvordering was ge-grond en, anderzijds, erover te waken dat de beklaagde de gelegenheid krijgt zich tegen de nieuwe omschrijving te verdedigen.

De eiser werd naar de correctionele rechtbank verwezen wegens poging tot dief-stal met geweld of bedreiging die de dood van het slachtoffer tot gevolg had, zonder het oogmerk te doden.

De eerste rechter heeft de omschrijving diefstal met doodslag in aanmerking ge-nomen, een misdaad die in artikel 475 Strafwetboek is bepaald, en de rechtbank heeft zich, na de eiser te hebben verzocht zich daartegen te verdedigen, onbe-voegd verklaard om van de zaak kennis te nemen.

Hoewel uit het arrest blijkt dat het openbaar ministerie niet langer in zijn hoger beroep volhardde en de bevestiging vorderde van het beroepen vonnis, heeft het hof van beroep het hoofdfeit omschreven als poging tot diefstal en de verzwaren-de omstandigheid als doodslag. Het heeft de eiser vervolgens uit dien hoofde tot twaalf jaar gevangenisstraf veroordeeld.

De omschrijving poging tot diefstal wordt weliswaar in de beschikking tot verwij-zing vermeld, terwijl die van doodslag is opgenomen in het vonnis van onbe-voegdverklaring. Afzonderlijk genomen zijn beide omschrijvingen niet nieuw.

De combinatie van beide, voor de eerste maal in hoger beroep, kent evenwel aan het feit een ander juridisch karakter toe dan de akte van aanhangigmaking eraan had toegekend, met name een misdrijf waarvan de verjaring niet meer door het eerste maar door het vierde lid van artikel 21 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering wordt geregeld.

Aangezien ze de omschrijving hadden gewijzigd, dienden de appelrechters de ei-ser daarvan kennis te geven, een vormvereiste dat niet blijkt uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan.

Het middel is in zoverre gegrond.

Het tweede middel, dat niet tot cassatie zonder verwijzing kan leiden, behoeft geen nader onderzoek.

2. In zoverre het cassatieberoep gericht is tegen de beslissingen op de burger-lijke rechtsvorderingen tegen de eiser

De vernietiging, op het niet-beperkte cassatieberoep van de beklaagde, van de be-slissing op de tegen hem ingestelde strafvordering, leidt tot vernietiging van de definitieve beslissingen op de tegen hem door de verweerders ingestelde burger-lijke rechtsvorderingen, die uit de eerstgenoemde beslissing voortvloeien.

B. Cassatieberoep van R.M.

1. In zoverre het cassatieberoep gericht is tegen de beslissing op de strafvor-dering tegen de eiser

Ambtshalve middel : miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van eerbiediging van het recht van verdediging

De eiser werd veroordeeld wegens poging tot diefstal, met de omstandigheid dat er met name doodslag werd gepleegd om de diefstal te vergemakkelijken of de straffeloosheid ervan te verzekeren.

Noch de beschikking tot verwijzing, noch het vonnis van onbevoegdverklaring vermelden dat de eiser zich schuldig heeft kunnen maken aan het misdrijf vermeld in de artikelen 52 en 475 Strafwetboek, en de eiser blijkt niet door de appelrech-ters over die gewijzigde omschrijving te zijn ondervraagd.

Het arrest miskent aldus het in het middel bedoelde algemeen rechtsbeginsel.

2. In zoverre het cassatieberoep gericht is tegen de beslissingen over de bur-gerlijke rechtsvorderingen.

De vernietiging, op het niet-beperkte cassatieberoep van de beklaagde, van de be-slissing op de tegen hem ingestelde strafvordering, leidt tot vernietiging van de definitieve beslissingen op de tegen hem door de verweerders ingestelde burger-lijke rechtsvorderingen, die uit de eerstgenoemde beslissing voortvloeien.

Dictum

Het Hof,

Vernietigt het bestreden arrest.

Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het vernie-tigde arrest.

Laat de kosten ten laste van de Staat.

Verwijst de zaak naar het hof van beroep te Bergen.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, tweede kamer, te Brussel, door afdelingsvoorzitter ridder Jean de Codt, afdelingsvoorzitter Frédéric Close, de raadsheren Benoît Dejemeppe, Pierre Cornelis en Gustave Steffens, en in openbare terechtzitting van 12 maart 2014 uitgesproken door afdelingsvoorzitter ridder Jean de Codt, in aanwezigheid van advocaat-generaal Damien Vandermeersch, met bij-stand van griffier Fabienne Gobert.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van raadsheer Filip Van Volsem en overge-schreven met assistentie van afgevaardigd griffier Véronique Kosynsky.

De afgevaardigd griffier, De raadsheer,

Vrije woorden

  • Omschrijving

  • Wijziging