- Arrest van 13 maart 2014

13/03/2014 - C.13.0191.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Uit artikel 14 van de wet van 10 april 1990 tot regeling van de private en bijzondere veiligheid en de wetsgeschiedenis blijkt niet dat ook een verplichting bestaat voor de bewakings- en beveiligingsondernemingen, diensten of instellingen, bedoeld in artikel 1 van die wet, om jaarlijks een activiteitenverslag in te dienen bij de minister van Binnenlandse Zaken wanneer in een bepaald jaar geen activiteiten werden ontplooid.

Arrest - Integrale tekst

Nr. C.13.0191.N

BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Binnenlandse Zaken, met kabinet te 1000 Brussel, Waterloolaan 76,

eiser,

vertegenwoordigd door mr. Michel Mahieu, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1170 Watermaal-Bosvoorde, Vorstlaan 36, waar de eiser woon-plaats kiest,

tegen

MUZEE bvba, met zetel te 8520 Kuurne, Koning Leopold III-straat 3,

verweerster.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis in hoger beroep van de rechtbank van eerste aanleg te Brussel van 5 september 2011.

Afdelingsvoorzitter Eric Dirix heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Luc Decreus heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDEL

De eiser voert in zijn verzoekschrift dat aan dit arrest gehecht is, een middel aan.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste onderdeel

1. Overeenkomstig artikel 14 Bewakingswet van 10 april 1990 sturen de be-wakings- en beveiligingsondernemingen, diensten of instellingen, bedoeld in arti-kel 1, de minister van Binnenlandse Zaken jaarlijks, op de door hem bepaalde da-tum, een activiteitenverslag waarvan hij de inhoud bepaalt.

De wetgever wenst op die manier een controle te organiseren op de correcte toe-passing van de wet en van zijn uitvoeringsbesluiten.

Uit vermeld artikel 14 en de wetsgeschiedenis blijkt niet dat ook een verplichting bestaat om een activiteitenverslag in te dienen wanneer in een bepaald jaar geen activiteiten werden ontplooid.

2. Het onderdeel, dat ervan uitgaat dat artikel 14 Bewakingswet vereist dat ie-dere vergunde bewakingsdienst een activiteitenverslag moet indienen, ongeacht het al dan niet uitoefenen van activiteiten, berust op een onjuiste rechtsopvatting.

Het onderdeel faalt naar recht.

Tweede onderdeel

3. Het onderdeel gaat ervan uit dat het bestreden vonnis oordeelt dat de eiser het bewijs moet leveren van de effectieve uitoefening van activiteiten en/of van een frauduleuze intentie in hoofde van de verweerster en dat de eiser niet aantoont dat de verweerster de bedoeling had om het voorschrift van artikel 14 Bewakingswet te omzeilen, noch dat er door de verweerster effectief bepaalde activiteiten werden uitgeoefend.

4. Het vonnis oordeelt in algemene termen dat niet wordt aangetoond enerzijds dat de verweerster heeft getracht het voorschrift van artikel 14 Bewakingswet te omzeilen, en anderzijds dat er door de verweerster effectief activiteiten werden uitgevoerd.

Het onderdeel berust op een onvolledige lezing van het vonnis en mist mitsdien feitelijke grondslag.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiser tot de kosten.

Bepaalt de kosten voor de eiser op 558,64 euro.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samen-gesteld uit afdelingsvoorzitter Eric Dirix, als voorzitter, afdelingsvoorzitter Albert Fettweis, en de raadsheren Geert Jocqué, Bart Wylleman en Koenraad Moens, en in openbare rechtszitting van 13 maart 2014 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Eric Dirix, in aanwezigheid van advocaat-generaal Luc Decreus, met bijstand van griffier Frank Adriaensen.

F. Adriaensen K. Moens B. Wylleman

G. Jocqué A. Fettweis E. Dirix

Vrije woorden

  • Bewakings- en beveiligingsondernemingen, diensten of instellingen

  • Activiteitenverslag

  • Indiening

  • Toepassing