- Arrest van 14 maart 2014

14/03/2014 - F.13.0067.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
De administratie, die de aangifte betreffende een aanslagjaar waarvoor zogezegd beroepsverliezen zouden zijn geleden, niet wijzigt en geen aanslag inkohiert, heeft na het verstrijken van de wettelijke termijnen niet meer het recht de aangifte van dat aanslagjaar te herzien; zij is evenwel slechts gebonden voor wat betreft de vaststelling van de inkomsten van het betrokken aanslagjaar.

Arrest - Integrale tekst

Nr. F.13.0067.F

LE PIANE nv,

Mr. Jean-Pol Douny, advocaat bij de balie te Luik,

tegen

BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Financiën,

Mr. François T'Kint, advocaat bij het Hof van Cassatie.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Luik van 12 september 2008.

Raadsheer Sabine Geubel heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal André Henkes heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDEL

De eiseres voert in haar verzoekschrift, dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Middel

1. Uit het arrest blijkt dat de litigieuze aanslagen zijn vastgesteld volgens de procedure van de ambtshalve aanslag, vastgelegd in artikel 351 WIB92, en niet volgens de procedure van de wijziging van aangifte, bepaald in artikel 346 van dat wetboek.

Het middel, dat de schending van die laatstgenoemde wetsbepaling aanvoert, is in zoverre niet ontvankelijk.

2. Krachtens artikel 351, tweede lid, WIB92 geeft de administratie, vóór de aanslag ambtshalve wordt gevestigd, bij ter post aangetekende brief aan de belas-tingplichtige kennis van de redenen waarom zij van die procedure gebruikmaakt, van het bedrag van de inkomsten en andere gegevens waarop de aanslag zal steu-nen, alsmede van de wijze waarop die inkomsten en gegevens zijn vastgesteld.

De kennisgeving van ambtshalve aanslag, die krachtens die bepaling moet worden verstuurd, moet de belastingplichtige in staat stellen zijn opmerkingen te maken of, met kennis van zaken, met de voorgenomen aanslag in te stemmen. De feiten-rechter oordeelt op onaantastbare wijze of zulks het geval is.

Het arrest stelt vast dat "[de eiseres] erkent dat de administratie steeds dezelfde redenen opgeeft in de wijzigingsberichten van april 2004, oktober 2004 en de ambtshalve aanslagen van november 2004" en dat "zij, voor het overige, uitvoerig heeft geantwoord op het standpunt van de administratie betreffende de vorige verliezen van het [aanslag]jaar 2000 in haar brief van haar raadsman van 25 mei 2004, waarnaar zij ook verwijst in haar antwoord van 19 november 2004 op de kennisgevingen van ambtshalve aanslag".

Uit die vaststellingen heeft het arrest wettig kunnen afleiden dat de eiseres "per-fect wist waarom de vorige verliezen werden verworpen, zodat zij de mogelijkheid heeft gekregen om op het standpunt van de administratie te antwoorden en dat te weerleggen, wat zij voor het overige daadwerkelijk heeft gedaan door tevens te verwijzen naar haar eerder antwoord op eerdere berichten van wijziging, daar het strikt genomen om dezelfde probleemstelling ging" en dat, derhalve, de ken-nisgeving van ambtshalve aanslag voldeed aan de door artikel 351 vereiste moti-vering.

3. Het arrest grondt zijn beslissing om de twee litigieuze aanslagen te bevesti-gen in essentie op de volgende redenen:

- de eiseres moet het bewijs leveren van de beroepsverliezen van het jaar 1999 die zij van haar belastbare grondslag van 2001 en 2002 wil aftrekken;

- dat bewijs is in het stadium van de aanslagprocedure niet geleverd en uit niets valt af te leiden dat de belastingambtenaar over enig gegeven uit de boekhou-ding van de eiseres met betrekking tot het jaar 1999 zou hebben beschikt dat hij nagelaten zou hebben in aanmerking te nemen; de procedure van ambtshalve aanslag is dus niet arbitrair verlopen;

- hoewel de eiseres, voor het hof van beroep, uiteindelijk bepaalde gegevens uit haar boekhouding van het jaar 1999 heeft neergelegd, heeft zij daarom nog geen bewijskrachtige boekhouding neergelegd, aangezien ze met name geen inventaris of inventarisboek heeft overgelegd en ze "aan de administratie slechts stukken ter beschikking heeft gesteld die haar lasten maar niet haar omzet aantonen, waaronder de telbanden en de btw-bonnen".

Aldus leidt het arrest, in tegenstelling tot wat het middel veronderstelt, het gebrek aan bewijs van de beroepsverliezen van het jaar 1999 enerzijds geenszins af "uit het loutere feit dat de gecontroleerde boekhouding van 2001 en 2002 niet bewijs-krachtig zou zijn" en steunt het anderzijds niet op de weigering om de stukken tot staving van de aangevoerde lasten voor 1999, die aan het hof van beroep werden overgelegd, te onderzoeken.

Het middel kan in zoverre niet worden aangenomen.

4. De administratie, die de aangifte betreffende een aanslagjaar waarvoor zo-gezegd beroepsverliezen zouden zijn geleden, niet wijzigt en geen aanslag inko-hiert, heeft na het verstrijken van de wettelijke termijnen niet meer het recht de aangifte van dat boekjaar te herzien. Zij is evenwel slechts gebonden voor wat be-treft de vaststelling van de inkomsten van het betrokken aanslagjaar.

In tegenstelling tot wat de eiseres aanvoert, volgt uit geen enkele wettelijke bepa-ling dat, wanneer de belastingplichtige, met toepassing van artikel 206 WIB92, de beroepsverliezen van de vorige jaren wil aftrekken van de winst van elk volgende belastbare tijdperk, de administratie ook het recht zou verliezen de realiteit en het bedrag van die verliezen te betwisten, zelfs wanneer ze, voor een vorig aanslag-jaar, het bestaan ervan zou hebben erkend.

Het middel faalt in zoverre naar recht.

Er bestaat derhalve geen grond om aan het Grondwettelijk Hof de door de eiseres voorgestelde prejudiciële vragen te stellen.

Dictum

Het Hof

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiseres tot de kosten.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel, door afde-lingsvoorzitter Albert Fettweis, de raadsheren Martine Regout, Gustave Steffens, Michel Lemal en Sabine Geubel, en in openbare terechtzitting van 14 maart 2014 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Albert Fettweis, in aanwezigheid van advo-caat-generaal André Henkes, met bijstand van griffier Patricia De Wadripont.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van raadsheer Geert Jocqué en overge-schreven met assistentie van griffier Johan Pafenols.

De griffier, De raadsheer,

Vrije woorden

  • Aangifte

  • Geen wijziging door de fiscus

  • Geen inkohiering van aanslagen

  • Verstrijken van de wettelijke termijnen

  • Herzieningsrecht van de fiscus

  • Verval