- Arrest van 18 maart 2014

18/03/2014 - P.14.0402.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
De miskenning van het recht op de behandeling van de gegrondheid van een strafvervolging binnen een redelijke termijn zoals bepaald in artikel 6 EVRM kan door een nationale instantie slechts onderzocht worden voor zover die nationale instantie van de strafvervolging kennis kan nemen, wat niet het geval is voor het onderzoeksgerecht van de uitvoerende autoriteit van een Lidstaat, dat uitspraak doet over de tenuitvoerlegging van een Europees aanhoudingsbevel, want in dat geval is de strafvordering immers enkel aanhangig bij de uitvaardigende rechterlijke autoriteit die bijgevolg de enige is die rechtsmacht heeft om uitspraak te doen over de strafvervolging; hieruit volgt dat de verplichting voor het onderzoeksgerecht de weigeringsgrond bepaald in artikel 4, 5°, Wet Europees Aanhoudingsbevel, te onderzoeken, niet inhoudt dat dit gerecht ook moet onderzoeken of de redelijke termijn binnen dewelke de strafvervolging moet worden berecht, al dan niet is overschreden (1). (1) Cass. 10 jan. 2012, AR P.12.0024.N, AC 2012, nr. 21.

Arrest - Integrale tekst

Nr. P.14.0402.N

B C,

persoon tegen wie een Europees aanhoudingsbevel is uitgevaardigd,

eiser,

met als raadslieden mr. Iwona Wiewiorka, advocaat bij de balie te Antwerpen en mr. Wiet Goris, advocaat bij de balie te Brussel.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel, kamer van inbeschuldigingstelling van 27 februari 2014.

De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan.

Raadsheer Antoine Lievens heeft verslag uitgebracht.

Eerste advocaat-generaal Patrick Duinslaeger heeft geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Middel

Eerste onderdeel

1. Het onderdeel voert schending aan van artikel 6 EVRM: het arrest verklaart het Europees aanhoudingsbevel uitvoerbaar alhoewel de redelijke termijn is over-schreden; de tenuitvoerlegging van het vonnis moet mede in aanmerking worden genomen bij de berekening van de redelijke termijn; de Staat is verplicht ervoor te zorgen dat de tenuitvoerlegging van het vonnis binnen een redelijke termijn ge-beurt; de Staat die geen termijnen bepaalt voor de tenuitvoerlegging van het von-nis in strafzaken, schendt artikel 6 EVRM.

2. In zoverre het onderdeel is gericht tegen de uitvaardigende Lidstaat, is het niet gericht tegen het arrest, mitsdien niet ontvankelijk.

3. Artikel 4, 5°, Wet Europees Aanhoudingsbevel bepaalt dat de tenuitvoerleg-ging van het Europees aanhoudingsbevel kan worden geweigerd ingeval er ernsti-ge redenen bestaan te denken dat de tenuitvoerlegging van het Europees aanhou-dingsbevel afbreuk zou doen aan de fundamentele rechten van de betrokken per-soon, zoals die worden bevestigd door artikel 6 VEU.

Artikel 6, derde lid, VEU bepaalt dat de grondrechten, zoals zij worden bepaald door het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, als algemene rechtsbeginselen deel uitmaken van het recht van de Unie.

Artikel 6.1 EVRM bepaalt dat bij het bepalen van de gegrondheid van een tegen hem ingestelde strafvervolging, eenieder recht heeft op een eerlijke en openbare behandeling binnen een redelijke termijn.

4. De miskenning van het recht op de behandeling van de gegrondheid van een strafvervolging binnen een redelijke termijn zoals bepaald in artikel 6 EVRM kan door een nationale instantie slechts onderzocht worden voor zover die nationale instantie van de strafvervolging kennis kan nemen. Dit is niet het geval voor het onderzoeksgerecht van de uitvoerende autoriteit van een Lidstaat, dat uitspraak doet over de tenuitvoerlegging van een Europees aanhoudingsbevel. In dat geval is de strafvordering immers enkel aanhangig bij de uitvaardigende rechterlijke au-toriteit die bijgevolg de enige is die rechtsmacht heeft om uitspraak te doen over de strafvervolging.

5. Hieruit volgt dat de verplichting voor het onderzoeksgerecht de weigerings-grond bepaald in artikel 4, 5°, Wet Europees Aanhoudingsbevel, te onderzoeken, niet inhoudt dat dit gerecht ook moet onderzoeken of de redelijke termijn binnen dewelke de strafvervolging moet worden berecht, al dan niet is overschreden.

In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.

6. In zoverre het onderdeel voor het overige gericht is tegen een overtollige re-den, is het niet ontvankelijk.

Tweede onderdeel

7. Het onderdeel voert schending aan van artikel 2, § 4, 5°, Wet Europees Aanhoudingsbevel: het aan de eiser betekend Europees aanhoudingsbevel bevat niet de gegevens vermeld in die bepaling.

8. Het onderdeel is gericht tegen het Europees aanhoudingsbevel en niet tegen het arrest, mitsdien niet ontvankelijk.

Derde onderdeel

9. Het onderdeel voert schending aan van artikel 4, 5°, Wet Europees Aanhou-dingsbevel: het arrest verklaart het Europees aanhoudingsbevel uitvoerbaar al-hoewel de eiser nooit werd ingelicht over de procedure tot toezicht of opheffing van het hem verleende uitstel van uitvoering van de veroordeling; hij werd niet rechtsgeldig opgeroepen voor de rechtszitting waarna de beschikking van 23 no-vember 2001 werd genomen dat de opheffing van het uitstel beveelt.

10. Krachtens artikel 4, 5°, Wet Europees Aanhoudingsbevel wordt de tenuit-voerlegging van een Europees aanhoudingsbevel geweigerd ingeval ernstige rede-nen bestaan te denken dat de tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbe-vel afbreuk zou doen aan de fundamentele rechten van de betrokken persoon, zo-als die worden bevestigd door artikel 6 VEU.

Tot de in artikel 6 VEU vastgelegde fundamentele rechten behoort niet het recht van de beklaagde, die persoonlijk is gedagvaard of op een andere wijze in kennis is gesteld van de datum van de rechtszitting, om, wanneer hij niet verschenen is, verzet aan te tekenen tegen het gewezen vonnis.

11. Gelet op het beginsel van het wederzijds vertrouwen tussen de Lidstaten, moet de weigering tot overlevering worden verantwoord met omstandige concrete gegevens die wijzen op een kennelijk gevaar voor de rechten van betrokkene, en die dus het vermoeden van eerbiediging van die rechten, dat de uitvaardigende lidstaat geniet, kunnen weerleggen.

12. Het arrest (p. 2) oordeelt: "[De eiser] werd op tegenspraak veroordeeld tot een gevangenisstraf met probatie-uitstel. Het is deze op tegenspraak uitgesproken veroordeling die aan de basis ligt van het Europees aanhoudingsbevel en niet de beslissing van herroeping van het uitstel, wegens niet-naleving van de opgelegde voorwaarden, ook al zou ze beweerdelijk bij verstek genomen zijn (wat tegenge-sproken wordt door de Poolse autoriteiten) en maakt ze de aanvankelijk opgelegde straf uitvoerbaar; de onderzoeksgerechten hebben niet te oordelen over de wettigheid en de regelmatigheid van het Europees aanhoudingsbevel. De wettig-heid en de regelmatigheid van dit bevel worden in geval van tenuitvoerlegging er-van, beoordeeld door de uitvaardigende rechterlijke autoriteit aan dewelke de ge-zochte persoon wordt overgeleverd. Uit de aan het dossier gevoegde stukken blijkt afdoende dat [de eiser] wel degelijk opgeroepen werd in het kader van de proce-dure van herroeping van het probatie-uitstel. Hij werd opgeroepen op zijn laatst gekend adres. Het feit dat de oproeping hem niet heeft bereikt, is louter aan zijn eigen toedoen te wijten; de betrokkene heeft immers nagelaten zijn nieuw adres over te maken aan de bevoegde probatiedienst en aan de rechtbank, niettegen-staande hij verplicht was zulks te doen."

Met die redenen verantwoordt het arrest naar recht het oordeel dat het in het on-derdeel vermelde verweer geen weigeringsgrond oplevert op grond van artikel 4, 5°, Wet Europees Aanhoudingsbevel.

Het onderdeel kan niet worden aangenomen.

Vierde onderdeel

13. Het onderdeel voert schending aan van artikel 44 Wet Europees Aanhou-dingsbevel: het arrest weigert de uitvoering van het Europees aanhoudingsbevel niet, alhoewel de vonnissen werden uitgesproken vóór de toetreding van Polen tot de Europese Unie of betrekking hebben op feiten gepleegd vóór 7 augustus 2002.

14. Krachtens artikel 44, § 1, eerste lid, Wet Europees Aanhoudingsbevel is de-ze wet van toepassing op de aanhouding en overlevering van een gezochte persoon op grond van een Europees aanhoudingsbevel tussen België en de andere Lidstaten van de Europese Unie vanaf 1 januari 2004. De verzoeken om overleve-ring van vroegere datum worden verder geregeld door de instrumenten die inzake uitlevering reeds bestaan.

15. Uit die bepaling volgt dat, behoudens indien artikel 44, § 1, tweede en derde lid, of artikel 44, § 2 en § 3, van deze wet moet worden toegepast, de verzoeken ontvangen na 1 januari 2004 uitsluitend dienen te worden beoordeeld volgens de Wet Europees Aanhoudingsbevel, zelfs indien het aan een verzoek ten grondslag liggende vonnis dat tot een vrijheidsbenemende straf veroordeelt, vóór 1 januari 2004 is gewezen of zelfs indien de feiten of het veroordelend vonnis of het vonnis dat het verleend probatieuitstel opheft dateren van vóór de toetreding van de uitvaardigende Lidstaat tot de Europese Unie.

Het onderdeel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt naar recht.

Ambtshalve onderzoek van de beslissing

16. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiser tot de kosten.

Bepaalt de kosten op 77,61 euro.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samen-gesteld uit afdelingsvoorzitter Luc Van hoogenbemt, als voorzitter, de raadsheren Geert Jocqué, Peter Hoet, Antoine Lievens en Erwin Francis, en op de openbare rechtszitting van 18 maart 2014 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Luc Van hoogenbemt, in aanwezigheid van eerste advocaat-generaal Patrick Duinslaeger, met bijstand van afgevaardigd griffier Véronique Kosynsky.

V. Kosynsky

E. Francis A. Lievens

P. Hoet G. Jocqué L. Van hoogenbemt

Vrije woorden

  • Redelijke termijn

  • Recht op daadwerkelijke rechtshulp voor een nationale instantie

  • Onderzoek van de redelijke termijn door een nationale instantie