- Arrest van 19 maart 2014

19/03/2014 - P.14.0157.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Krachtens de artikelen 442bis en 442ter, 1°, van het Wetboek van Strafvordering kan de veroordeelde, wanneer bij een definitief arrest van het Europees Hof is vastgesteld dat het Verdrag is geschonden, de heropening vragen van de rechtspleging die geleid heeft tot zijn veroordeling op de tegen hem ingestelde strafvordering in de zaak die bij dat Hof is aangebracht (1). (1) Cass. 11 dec. 2013, AR P.13.1150.F, P.13.1152.F, P.13.1153.F, AC 2014, nr. ….

Arrest - Integrale tekst

Nr. P.14.0157.F

D. C.,

Mrs. Alexandre Wilmotte, advocaat bij de balie te Hoei, en Catherine Toussaint, advocaat bij de balie te Brussel.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Bij verzoekschrift dat op 24 januari 2014 op de griffie is neergelegd, ondertekend door een advocaat die sedert meer dan tien jaar bij de balie is ingeschreven, en waarvan een eensluidend verklaard afschrift aan dit arrest is gehecht, vraagt de ei-ser de heropening van de rechtspleging die geleid heeft tot het arrest van het Hof van 27 juni 2007.

Raadsheer Pierre Cornelis heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal met opdracht Michel Palumbo heeft geconcludeerd.

II. FEITEN

Bij een arrest dat op 15 maart 2007 onder het nummer 1024 is gewezen door het hof van assisen van de provincie Luik, werd de eiser, als dader of mededader, ver-oordeeld tot twintig jaar opsluiting wegens moord en poging tot doodslag.

Het cassatieberoep van de eiser tegen dat arrest werd op 27 juni 2007 door het Hof verworpen.

Het Hof wordt gevraagd dat arrest in te trekken en opnieuw uitspraak te doen over de gegrondheid van het cassatieberoep. De aanvraag tot heropening van de rechtspleging is gegrond op een arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (hierna Europees Hof). Het aangevoerde arrest zegt dat artikel 6.1 EVRM is geschonden. Het zegt ook dat er geen grond is om afzonderlijk uitspraak te doen over de grief afgeleid uit de schending van artikel 6.3, d, die ontvankelijk moet worden verklaard en nauw verbonden is met de feiten die het Europees Hof tot een schending van artikel 6.1 hebben doen besluiten.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

A. Aanvraag tot heropening van de rechtspleging

Krachtens de artikelen 442bis en 442ter, 1°, Wetboek van Strafvordering kan de veroordeelde, wanneer bij een definitief arrest van het Europees Hof is vastge-steld dat het Verdrag is geschonden, de heropening vragen van de rechtspleging die geleid heeft tot zijn veroordeling op de tegen hem ingestelde strafvordering in de zaak die bij dat Hof is aangebracht.

Aangezien geen schending van artikel 6.3, d, afzonderlijk of in samenhang gelezen met artikel 6.1, door het Europees Hof werd bevestigd, is het verzoek slechts ontvankelijk in zoverre het steunt op de schending van artikel 6.1 van het Verdrag.

In zijn arrest van 25 juli 2013 herinnert het Europees Hof aan het principe dat de eerbiediging van de vereisten van een eerlijke behandeling van de zaak wordt be-oordeeld op grond van de rechtspleging in haar geheel en binnen de specifieke context van het betrokken rechtsstelsel. Het oordeelt dat zijn taak, ten aanzien van een niet met redenen omklede beslissing, erin bestaat te onderzoeken of de ge-volgde rechtspleging, in het licht van alle omstandigheden van de zaak, voldoende waarborgen heeft geboden tegen willekeur en de beschuldigde in staat heeft ge-steld zijn veroordeling te begrijpen.

Het Europees Hof oordeelt, eensdeels, dat de akte van beschuldiging, ook al ver-meldde ze elke misdaad waarvan de eiser werd beschuldigd, niet wees op de ge-gevens ten laste die, voor de inbeschuldigingstelling, tegen hem in aanmerking konden worden genomen. Anderdeels wijst het erop dat de vragen die de jury werden voorgelegd kort en bondig waren en identiek voor alle beschuldigden in de zaak en niet verwezen naar feitelijke en bijzondere omstandigheden die de eiser in staat zouden hebben gesteld de veroordelende beslissing te begrijpen.

Het leidt daaruit af dat de in casu gestelde vragen, zelfs samen met de akte van inbeschuldigingstelling, de eiser niet in staat stelden uit te maken welk bewijsmateriaal en welke feitelijke omstandigheden van alle tijdens het proces besproken zaken de gezworenen uiteindelijk ertoe gebracht hadden bevestigend te antwoorden op drie van de vier hem betreffende vragen. Het legt ook de nadruk op de complexiteit van de zaak en het ontbreken van een mogelijkheid om hoger beroep in te stellen.

Het arrest van het Europees Hof dat, zoals uiteengezet, oordeelt dat er geen grond is om afzonderlijk uitspraak te doen over de grief gegrond op de schending van ar-tikel 6.3, d, EVRM, die het koppelt aan de schending van artikel 6.1, oordeelt ten slotte dat het bij gebrek aan motivering van de beslissing onmogelijk is te weten of de veroordeling van de eiser al dan niet gegrond is op informatie uit stukken of verklaringen van een anonieme getuige waarover hij geen tegenspraak heeft kun-nen voeren.

Bijgevolg is het feit, zoals het Europees Hof heeft vastgesteld, dat de procedure na afloop de redenen van de veroordelende beslissing niet vermeldt, een tekortko-ming in de rechtspleging die dermate ernstig is dat het ernstige twijfel over de uit-komst van de bestreden rechtspleging doet ontstaan.

Het Hof moet, in het licht van de feitelijke gegevens van de zaak, oordelen of de aanvrager zeer ernstige nadelige gevolgen blijft ondervinden die slechts door een heropening van de rechtspleging kunnen worden hersteld.

Het feit dat de eiser zijn straf nog steeds uitzit onder de modaliteit van een voor-waardelijke invrijheidstelling en dat hij onder streng toezicht van het Justitiehuis staat en psychologisch wordt gevolgd, zijn zeer ernstige actuele gevolgen die de heropening van de rechtspleging verantwoorden.

Aangezien de voorwaarden bedoeld in artikel 442quinquies, eerste lid, Wetboek van Strafvordering hier verenigd zijn, is er grond tot heropening van de rechtsple-ging.

B. Cassatieberoep van de eiser tegen het arrest dat op 15 maart 2007 onder het nummer 1024 is gewezen door het hof van assisen van de provincie Luik

Ambtshalve middel : schending van artikel 6.1 EVRM

Het recht op een eerlijke behandeling van de zaak, gewaarborgd door artikel 6.1 EVRM, houdt voor het hof van assisen de verplichting in om in zijn beslissing over de beschuldiging melding te maken van de overwegingen die de jury over-tuigd hebben van de schuld of onschuld van de beschuldigde en de concrete rede-nen te vermelden waarom op elke vraag ja of neen werd geantwoord.

Het voormelde arrest van het hof van assisen van 15 maart 2007 veroordeelt de ei-ser tot twintig jaar opsluiting wegens moord en poging tot doodslag, als dader of mededader, en motiveert de schuldigverklaring slechts met het bevestigende ant-woord op de in de bewoordingen van de wet gestelde vragen.

Enkel de bevestiging dat de eisers schuldig zijn aan de feiten waarvan ze in de bewezen verklaarde omstandigheden werden beschuldigd, stelt hen niet in staat de concrete redenen te kennen waarom de jury tot dat besluit is gekomen.

Het bestreden arrest schendt aldus de in het middel bedoelde bepaling.

Omvang van de cassatie

Aangezien het middel leidt tot de nietigverklaring van de beslissing over de schuld, strekt de vernietiging zich uit tot de volledige debatten alsook tot de ver-klaring van de jury.

De middelen van de eiser die niet tot cassatie zonder verwijzing kunnen leiden, behoeven geen antwoord.

Dictum

Het Hof,

Beveelt de heropening van de rechtspleging.

Trekt het arrest in dat het Hof op 27 juni 2007 onder het nummer P.07.0601.F heeft gewezen, in zoverre het uitspraak doet over het cassatieberoep van de eiser tegen het arrest van het hof van assisen van de provincie Luik van 15 maart 2007, onder het nummer 1024.

Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeel-telijk ingetrokken arrest.

Vernietigt het voormelde arrest dat dit hof van assisen op 15 maart 2007 in de zaak van de eiser heeft gewezen en verklaart de debatten en de verklaring van de jury nietig.

Beveelt dat dit arrest wordt overgeschreven in de registers van het hof van assisen van de provincie Luik en dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het vernietigde arrest.

Laat de kosten ten laste van de Staat.

Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van assisen van de provincie Namen.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, tweede kamer, te Brussel, door afdelingsvoorzitter Paul Maffei, de raadsheren Pierre Cornelis, Filip Van Volsem, Françoise Roggen en Marie-Claire Ernotte, en in openbare terechtzitting van 19 maart 2014 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Paul Maffei, in aanwezigheid van advocaat-generaal met opdracht Michel Palumbo, met bijstand van griffier Tatiana Fenaux.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van raadsheer Peter Hoet en overge-schreven met assistentie van afgevaardigd griffier Véronique Kosynsky.

De afgevaardigd griffier, De raadsheer,

Vrije woorden

  • Arrest van het Europees Hof

  • Schending van het Verdrag

  • Heropening van de rechtspleging

  • Ontvankelijkheid