- Arrest van 19 maart 2014

19/03/2014 - P.14.0417.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Naar luid van artikel 4, 5°, van de wet van 19 december 2003 betreffende het Europees aanhoudingsbevel, wordt de tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbevel geweigerd ingeval er ernstige redenen bestaan te denken dat de tenuitvoerlegging afbreuk zou doen aan de fundamentele rechten van de betrokken persoon, zoals die worden bevestigd door artikel 6 van het Verdrag betreffende de Europese Unie; het heeft tot doel de rechter van de aangezochte Staat ertoe te verplichten toezicht te houden op de eerbiediging van de fundamentele rechten in de uitvaardigende Staat.

Arrest - Integrale tekst

Nr. P.14.0417.F

M. N.,

Mrs. Hamid El Abouti en Laura Severin, advocaten bij de balie te Brussel.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel, kamer van inbeschuldigingstelling, van 6 maart 2014.

De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan.

Raadsheer Gustave Steffens heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal met opdracht Michel Palumbo heeft geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Middel

Het middel verwijt de appelrechters dat ze artikel 4, 5°, Wet Europees Aanhou-dingsbevel hebben geschonden, krachtens hetwelk het Europees aanhoudingsbevel moet worden geweigerd ingeval er ernstige redenen bestaan om te denken dat de tenuitvoerlegging ervan afbreuk zou doen aan de fundamentele rechten van de betrokken persoon, zoals vastgelegd in artikel 6 van het Verdrag betreffende de Europese Unie. De eiser voert aan dat de politie hem heeft aangehouden hoewel tegen hem nog geen Europees aanhoudingsbevel was uitgevaardigd.

Enerzijds heeft artikel 4, 5°, Wet Europees Aanhoudingsbevel, doordat het be-trekking heeft op de gevolgen van de tenuitvoerlegging van een dergelijk bevel, tot doel de rechter van de aangezochte Staat ertoe te verplichten toezicht te hou-den op de eerbiediging van de fundamentele rechten in de uitvaardigende Staat.

Anderzijds staat tegen de beslissing van de onderzoeksrechter, die op grond van artikel 11 Wet Europees Aanhoudingsbevel uitspraak doet en de inhechtenisne-ming of handhaving van de hechtenis beveelt, geen rechtsmiddel open ingevolge paragraaf 7 van dat artikel. Daaruit volgt dat de onderzoeksgerechten niet bevoegd zijn om, vóór de beschikking tot inhechtenisneming, uitspraak te doen over de omstandigheden waarin de gezochte persoon werd aangehouden.

Het arrest, dat oordeelt dat de door de eiser opgeworpen betwisting betreffende zijn aanhouding geen belang had omdat de kamer van inbeschuldigingstelling al-leen maar uitspraak diende te doen over de tenuitvoerlegging van een Europees aanhoudingsbevel, verantwoordt zijn beslissing naar recht.

Het middel kan niet worden aangenomen.

Ambtshalve onderzoek van de beslissing

De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiser tot de kosten.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, tweede kamer, te Brussel, door afdelingsvoorzitter Frédéric Close, de raadsheren Benoît Dejemeppe, Pierre Cornelis, Gustave Steffens en Françoise Roggen, en in openbare terechtzitting van 19 maart 2014 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Frédéric Close, in aanwezigheid van advocaat-generaal met opdracht Michel Palumbo, met bijstand van griffier Tatiana Fenaux.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van raadsheer Erwin Francis en overge-schreven met assistentie van afgevaardigd griffier Véronique Kosynsky.

De afgevaardigd griffier, De raadsheer,

Vrije woorden

  • Tenuitvoerlegging in België

  • Voorwaarden van tenuitvoerlegging

  • Onderzoeksgerecht

  • Toezicht