- Arrest van 20 maart 2014

20/03/2014 - F.12.0203.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Categorie 7, eerste alinea, van bijlage H bij de Zesde richtlijn (thans bijlage III van richtlijn 2006/112/EG) waarop verlaagde BTW-tarieven mogen worden toegepast, betreft het verlenen van toegang tot verschillende daarin genoemde evenementen op het gebied van cultuur en vermaak (1). (1) Zie concl. OM.

Arrest - Integrale tekst

Nr. F.12.0203.N

BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Financiën, met kabinet te 1000 Brussel, Wetstraat 12, voor wie optreedt de eerstaanwezend in-specteur, rekenplichtige van het Btw-ontvangkantoor te Tienen, met kantoor te 3300 Tienen, Goossensvest 3, algemene administratie van de fiscaliteit, onderne-mings- en inkomensfiscaliteit, en de gewestelijke directeur van het Controlecen-trum Tongeren-Genk, met kantoor te 3700 Tongeren, Verbindingsstraat 26,

eiser,

vertegenwoordigd door mr. Antoine De Bruyn, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Dalstraat 67, waar de eiser woonplaats kiest,

tegen

GOWELL bvba, met zetel te 3830 Wellen, Langstraat 31,

verweerster,

vertegenwoordigd door mr. Paul Wouters, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 3000 Leuven, Koning Leopold I-straat 3, waar de verweerster woon-plaats kiest.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel van 12 september 2012.

Advocaat-generaal Dirk Thijs heeft op 14 januari 2014 een schriftelijke conclusie neergelegd.

Raadsheer Bart Wylleman heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Dirk Thijs heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDELEN

De eiser voert in zijn verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste middel

1. De appelrechters oordelen: "In het binnenbad worden echter wel aquaspor-ten beoefend, zoals aqua-gym, aqua-aerobic, aqua-jogging, aqua-steps met muziek of dansen in water, zoals wordt beschreven in een artikel van het tijdschrift Attitude over het aquapaleis van (de verweerster)".

2. In zoverre het middel aanvoert dat het artikel in het tijdschrift Attitude een interview was met de zaakvoerster van de verweerster en dat de niet door andere bewijselementen gestaafde, eigen beweringen van de verweerster in dat interview niet kunnen gelden als bekende feiten die kunnen dienen als grondslag van een bewijs door feitelijke vermoedens, vergt het een onderzoek van feiten waarvoor het Hof niet bevoegd is.

Het middel is in zoverre niet ontvankelijk.

3. De appelrechters oordelen dat zelfs indien men geen rekening houdt met het fitnesscentrum, waarvan de controleambtenaar de aanwezigheid in het aquapaleis niet vaststelde, maar dat volgens de verweerster deel uitmaakt van het aquapaleis, dit laatste nog steeds een inrichting voor sport is zoals bedoeld in rubriek XXVIII van tabel A van het koninklijk besluit nr. 20 van 20 juli 1970.

4. In zoverre het middel aanvoert dat de appelrechters louter op basis van de eigen verklaring van de verweerster in conclusies hebben vastgesteld dat het aquapaleis een fitnesscentrum bevat, steunt het op een onjuiste lezing van het ar-rest en mist het feitelijke grondslag.

5. In zoverre het middel schending aanvoert van de wettelijke bewijswaarde van het proces-verbaal van 18 april 2007, is het geheel afgeleid uit de vergeefs aangevoerde miskenning van het bewijs door feitelijke vermoedens.

In zoverre is het middel niet ontvankelijk.

Tweede middel

6. Artikel 12, derde lid, sub a, van de Zesde richtlijn 77/388/EEG van de Raad van 17 mei 1977 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der lidstaten in-zake omzetbelasting - Gemeenschappelijk Stelsel van belasting over de toege-voegde waarde: uniforme grondslag - thans artikel 98 van de richtlijn 2006/112/EG van 28 november 2006 van de Raad betreffende het gemeenschap-pelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde, bepaalt dat de lidstaten een of twee verlaagde btw-tarieven kunnen toepassen. Deze tarieven worden vast-gesteld op een percentage van de maatstaf van heffing dat niet lager mag zijn dan 5% en zijn uitsluitend van toepassing op de in bijlage H, thans bijlage III van de richtlijn 2006/112/EG genoemde categorieën goederen en diensten.

7. Bijlage H bij de Zesde richtlijn, (thans bijlage III van richtlijn 2006/112/EG), met als titel "Lijst van de leveringen van goederen en diensten waarop verlaagde btw-tarieven mogen worden toegepast", bevat diverse categorieën van goederen en diensten waarop verlaagde btw-tarieven mogen worden toegepast en vermeldt onder categorie 7, eerste alinea: "Het verlenen van toegang tot shows, schouwburgen, circussen, kermissen, amusementsparken, concerten, musea, dierentuinen, bioscopen, tentoonstellingen en soortgelijke evenementen en voorzieningen".

8. Zoals blijkt uit de bewoordingen ervan en het arrest van het Hof van Justitie, nr. C-9/09 van 18 maart 2010, betreft categorie 7, eerste alinea van bijlage H bij de Zesde richtlijn het verlenen van toegang tot verschillende daarin genoemde evenementen op het gebied van cultuur en vermaak.

9. Het middel, dat geheel ervan uitgaat dat categorie 7 van bijlage H slechts in-richtingen beoogt die op cultureel gebied ontspanning en vermaak bezorgen, steunt op een verkeerde rechtsopvatting en faalt derhalve naar recht.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiser tot de kosten.

Bepaalt de kosten voor de eiser op 645,10 euro en voor de verweerster op 193,48 euro.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samen-gesteld uit raadsheer Beatrijs Deconinck, als voorzitter, en de raadsheren Alain Smetryns, Geert Jocqué, Bart Wylleman en Koenraad Moens, en in openbare rechtszitting van 20 maart 2014 uitgesproken door raadsheer Beatrijs Deconinck, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Thijs, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche.

K. Vanden Bossche K. Moens B. Wylleman

G. Jocqué A. Smetryns B. Deconinck

Vrije woorden

  • Btw-tarieven

  • Verlaagde Btw-tarieven

  • Zesde richtlijn

  • Categorie 7 van bijlage H